WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – slotwoord

.

In de vertaling van GA 305 :
Onderwijs en opvoeding’ zijn de voordrachten 10, 11 en 12 niet opgenomen.

Die staan op deze blog vertaald [10]  [11]  [12]

Het slotwoord van 28 augustus 1922 ontbreekt eveneens in de Nederlandse uitgave.

Het wordt hieronder weergegeven.

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Schlusswort
anläßlich einer Gründungsversammlung einer Vereinigung, die in
England im Sinne dieser Vorträge wirken wollte

Slotwoord
bij de oprichtingsbijeenkomst van een vereniging
die in Engeland in de geest van deze voordrachten wil werken

Blz. 255

Oxford, 28 augustus 1922

Meine Damen und Herren, aus der Art, wie ich mir erlaubte, diese Vorträge hier vor Ihnen zu halten, werden Sie ja entnehmen können, wie ernst mir die Summe der Impulse ist, welche durch die besondere Erziehungsmethode ja nur, ich möchte sagen, einen partiellen Ausdruck finden für das Gebiet desjenigen, was nach meiner Meinung im gegenwärtigen Augenblicke der Menschheitsentwickelung durch eine vertiefte Lebensauffassung, durch eine wirklichkeitsgemäße Lebensauffassung geschehen soll. Und wenn Sie den Grundton nehmen, den ich glaube eingehalten zu haben in diesen Vorträgen, dann werden Sie mir glauben, daß es aus dem tiefsten Herzen heraus gesprochen ist, wenn ich Ihnen herzlich dafür danke, nicht so sehr selber als im Namen der Sache, für die ich ja mein ganzes Dasein einstellen möchte, wenn ich Ihnen herzlich danke dafür, daß Sie sich entschlossen haben, hier für diese Gegend die Sache in die Hand zu nehmen.

Dames en heren, uit de wijze waarop ik deze voordrachten aan u heb gepresenteerd, zult u ongetwijfeld opmaken hoe serieus ik de samenhang van impulsen beschouw – impulsen die via deze specifieke onderwijsmethode weliswaar slechts ten dele tot uitdrukking komen, maar die toch verband houden met wat in mijn ogen in dit stadium van de menselijke evolutie bereikt zou moeten worden door een verdiept, op de werkelijkheid gericht levensinzicht. En als u let op de grondtoon die ik in deze voordrachten heb trachten te handhaven, zult u mij geloven wanneer ik – vanuit het diepst van mijn hart, en niet zozeer uit eigen belang als wel ten dienste van de zaak waaraan ik mijn gehele bestaan ​​wil wijden – u oprecht dankzeg voor uw besluit om deze zaak hier in deze regio ter hand te nemen.

Es ist zu wünschen, daß innerhalb der Gemeinschaft, die Sie zu bilden beschlossen haben, aus den Entschlüssen heraus, die Sie sich vorgenommen haben, eine Anzahl von Persönlichkeiten sich einfindet, welche mit ihrer Kraft dasjenige tragen, von dem Sie sich nach dem heutigen Meeting einiges versprechen.
Es handelt sich bei einer solchen Sache immer, meine Damen und Herren, darum, daß Persönlichkeiten die Sache tragen. Und dasjenige, was anthroposophische Bewegung genannt wird, kann nur dadurch in der Welt vorwärtskommen, daß einzelne Persönlichkeiten sie tragen.
Vereinigungen, Gesellschaften müssen da sein; aber das Wichtigste ist, daß Persönlichkeiten herauswachsen aus den Gesellschaften, die mit der unmittelbaren Kraft des Menschen dasjenige tragen, was als das Richtige eingesehen werden muß.
Wenn wir an die so wichtige Position denken, in der sich insbesondere die Bevölkerung dieses Landes im gegenwärtigen welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann.

Het is te hopen dat er binnen de gemeenschap die u voornemens bent te vormen – en voortvloeiend uit de besluiten die u heeft genomen – een aantal individuen zal opstaan ​​die op eigen kracht datgene zullen dragen waarvan u na de bijeenkomst van vandaag zoveel verwacht.
Bij een onderneming als deze, dames en heren, hangt alles af van individuen die de zaak vooruithelpen. De beweging die bekendstaat als de antroposofische beweging kan in de wereld immers alleen vooruitkomen als individuele persoonlijkheden haar schragen. Uiteraard moeten er verenigingen en genootschappen bestaan; toch is het allerbelangrijkste dat er vanuit deze genootschappen individuen naar voren treden die – puttend uit de directe kracht van de menselijke geest – staande houden wat als juist wordt erkend.
Wanneer we de cruciale positie beschouwen waarin de bevolking van dit land zich op dit specifieke moment in de 

Blz. 256

welthistorischen Augenblicke befindet, und wenn wir ernst nehmen die Verantwortung, die aus dieser Position hervorgeht, dann können wir uns auch sagen, daß aus einem solchen Beschlüsse, wie Sie ihn heute gefaßt haben, etwas außerordentlich Wichtiges hervorgehen kann. Denn mag auch heute
das Häuflein der Menschen noch klein sein, die sich sagen: Die Welt
braucht einen Einschlag ins Geistige —, es wird davon abhängen, ob das
kleine Häuflein zu einer immer größeren Masse wird, daß die Welt
überhaupt durch neue Impulse in ihrer Entwickelung vorwärtskomme.
Was ich heute morgen im Vortrag mir zu sagen erlaubte: Die alten
Impulse, sie sind im Grunde genommen alle abgelaufen. Wir reden noch
in den alten Worten; Zahlen, und starke Parteien reden in den alten
Worten. Versuchen wir in neuen Worten zu reden, und versuchen wir, daß die Sache in die Wirklichkeit eindringe. Berauschen wir uns nicht daran, daß wir spirituelle Werte hineintragen wollen in die Entwickelung. Berauschen wir uns nicht daran! Seien wir uns klar darüber, daß «Hineintragen spiritueller Werte in die Wirklichkeit», geradeso Schlagwort werden kann, wie irgend etwas anderes Schlagwort geworden ist.

wereldgeschiedenis bevindt, en wanneer we de verantwoordelijkheid die uit die positie voortvloeit serieus nemen, kunnen we tegen onszelf zeggen dat er uit het besluit dat u vandaag heeft genomen, wel eens iets van buitengewoon belang zou kunnen voortkomen. Want ook al is het aantal mensen dat tegen zichzelf zegt – “de wereld heeft een injectie van het spirituele nodig” – vandaag de dag nog klein, het hangt ervan af of dat kleine groepje uitgroeit tot een steeds grotere
massa, wil de wereld in zijn evolutie überhaupt vooruit kunnen komen
door middel van nieuwe impulsen.
Wat ik in mijn voordracht van vanochtend [11] naar voren bracht, was dit:
De oude impulsen zijn in wezen allemaal uitgewerkt.
We spreken nog steeds in de oude termen; grote aantallen mensen en
machtige groeperingen spreken nog steeds in de oude termen. Laten we proberen in nieuwe termen te spreken en ervoor zorgen dat deze zaak
doordringt tot in de werkelijkheid. Laten we ons niet bedwelmen door het idee
dat we spirituele waarden in de evolutie willen brengen.
Laten we ons daardoor niet bedwelmen! Laten we ons goed realiseren dat
“het brengen van spirituele waarden in de werkelijkheid” net zo goed
een holle frase kan worden als al het andere.

Es kommt darauf an, daß wir mit vollem Herzen mit ganzem Gemüte einstehen für dasjenige, was aus dem Leben, durch das Leben, für das Leben geführt, gedacht und gewollt werden soll. Das ist es, worauf es ankommt.
Und wenn zunächst aus dieser Vereinigung hervorgeht dasjenige, was der Erziehung gegeben werden kann, und ich glaube, heute gegeben werden muß, so wird sicher etwas außerordentlich Schönes, und etwas, was mit den Entwickelungsbedingungen der Menschheit im gegenwärtigen Zeitraum zusammenhängt, aus diesen Ihren Entschlüssen hervorgehen.
Das ist es, was ich mir nur als ein paar Worte des herzlichsten Dankes
erlauben wollte zu sagen dafür, daß Sie heute Ihre Herzen vereinigt haben mit demjenigen, was in diesem Kursus vielleicht in Ideen ausgesprochen worden ist, aber was eigentlich durchaus ernstlich gemeint war und durch fühlendes Menschenwesen herausgeholt werden sollte aus der Entwickelung der Menschheit, um einen Impuls abzugeben für die Entwickelung in die Zukunft hinein.

Waar het op aankomt, is dat wij met hart en ziel staan ​​voor datgene wat vanuit het leven, door het leven en ten behoeve van het leven geleid, gedacht en gewild moet worden. Dat is wat telt.
En als uit deze verbondenheid datgene voortkomt wat aan het onderwijs kan – en, naar mijn overtuiging, vandaag de dag ook moet – worden meegegeven, dan zal er uit uw besluiten ongetwijfeld iets buitengewoon moois ontstaan, iets dat ten diepste verbonden is met de voorwaarden voor de menselijke ontwikkeling in het huidige tijdperk.
Ik wilde graag deze woorden van oprechte dank uitspreken, omdat u vandaag uw hart heeft verbonden met wat in deze cursus wellicht slechts als ideeën werd verwoord – maar wat wel met de grootste ernst was bedoeld en door voelende mensen aan de evolutie van de mensheid moest worden ontleend, om zo een impuls te geven aan de toekomstige ontwikkeling.
GA 305/25-256   

Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11     voordracht 12
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogievindplaatsen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3598-3391

.

.

.

.

           

VRIJESCHOOL – Actueel: Michaël

 .

(volg de link onder ‘alle artikelen’)

Michaëlsfeest: alle artikelen

Michaël wordt met een hoofdletter geschreven. In Sint-Michaël  komt een koppelteken, ook bij de afkorting St.- Michaël.
Op de =e= was het trema gebruikelijk, maar je ziet de naam ook zonder. Combinatiewoorden met Michaël krijgen volgens de regel een kleine letter: michaëlsfeest. Voor de tussen=s= bestaan niet zulke duidelijke regels: je ziet michaëltijd en michaëlstijd.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 305 – voordracht 12

.

GA 305 bevat 12 voordrachten, 2 toespraken en een slotwoord.
De eerste negen voordrachten werden vertaald.
De vertaalde toespraken vind je op deze blog, evenals het slotwoord.

De laatste drie gaan niet specifiek over vrijeschoolpedagogie(k), maar wel over sociale driegeleding. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde om het door Steiner bedoelde vrijeschoolonderwijs te kunnen realiseren.

Sociale driegeleding en vrijeschool hebben in Nederland niet zo’n hechte relatie, terwijl je zou kunnen zeggen dat de sociale driegeleding de moederschoot van de vrijeschoolpedagogie(k) is.

Er zullen redenen zijn om de voordrachten 10 t/m 12 niet op te nemen. Hopelijk is daar de ‘desinteresse’ niet bij……

Inhoud van de voordracht:

De huidige overgangsperiode: zich losmaken van alle bindingen om
eenvoudigweg een vrij mens te zijn.
De noodzaak van een op vrijheid gebaseerd wereldbeeld.
Geweten en individuele morele intuïtie.
Opvoeding die vertrouwen in het individu bevordert; liefde voor de mensheid;
een mondiaal perspectief.
De noodzaak om te leren denken “in cirkels” in plaats van in een rechte, programmatische lijn.
Het misverstand dat de “kernpunten” een leer over sociale klassen zouden zijn. Geen indeling van mensen, maar de structurering van het sociale organisme
door middel van regelingen die menselijk handelen in staat stellen in te grijpen en door te werken in het sociale geheel.
De drie aspecten van het sociale organisme.
Voorbeelden van hoe je dynamisch kan blijven denken over hun evolutie: kapitalisme; arbeid; het geldwezen.
Het denken terugbrengen in het leven.
Dankwoord.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Der Mensch in der sozialen Ordnung:
Individualität und Gemeinschaft

Het individu in de maatschappelijke orde:
Individualiteit en gemeenschap

Blz. 223

Voordracht 12, Oxford, 29 augustus 1922 

Meine Damen und Herren, wenn ich heute noch versuche, die Schilderung des sozialen Lebens der Gegenwart und der sozialen Forderungen der Zeit in einer gewissen Weise abzuschließen, so bin ich mir bewußt, daß alles dasjenige, was ich hier sagen konnte und werde sagen können über das soziale Leben und die sozialen Fragen, nur ganz spärliche Richtlinien sein können. Denn die soziale Frage in unserer Zeit ist eine sehr umfassende, sehr universelle, und vor allen Dingen sind zwei Betrachtungen notwendig für denjenigen, der einen Gesichtspunkt gewinnen will in der sozialen Frage. Zuerst ist es notwendig, ins Auge zu fassen den gegenwärtigen geschichtlichen Augenblick der Menschheit, und auf der anderen Seite ist es notwendig, die unmittelbaren äußeren, irdisch-räumlichen Verhältnisse ins Auge zu fassen.

Dames en heren, nu ik vandaag tracht mijn beschrijving van het hedendaagse maatschappelijke leven en de maatschappelijke eisen van deze tijd tot een zekere afronding te brengen, ben ik mij er terdege van bewust dat alles wat ik hier over het maatschappelijk leven en maatschappelijke vraagstukken heb kunnen zeggen – en nog zal zeggen – slechts de meest schetsmatige richtlijnen kan bieden. Want de sociale kwestie van onze tijd is omvangrijk en van universele strekking; wie er een helder beeld van wil krijgen, dient vooral twee gezichtspunten in acht te nemen. Ten eerste moet je  het huidige historische moment in de levensloop van de mensheid beschouwen, en ten tweede moet je rekening houden met de directe uiterlijke voorwaarden – de aardse, ruimtelijke omstandigheden.

Der gegenwärtige geschichtliche Augenblick der Menschheit ist ein solcher, der mit dem denkbar unbefangensten Verständnis angesehen werden muß. Man geht sehr leicht aus Vorurteilen und namentlich Vorgefühlen über dasjenige hinweg, was in den Tiefen, ich sage nicht einmal der Menschenseelen, sondern der Menschennaturen in der Gegenwart geschieht.
Man wird sehr leicht mißverstanden, wenn man so etwas sagt, weil fast zu jeder Zeit die Menschen es gesagt haben und es auch heute sagen: Wir leben in einer Übergangszeit. Gewiß, wir leben immer in einer Übergangszeit, nämlich von der Vergangenheit in die Zukunft, und es handelt sich eben nicht darum, zu wissen, man lebe in einer Übergangszeit – das ist selbstverständlich, das ist eine Trivialität -, sondern es handelt sich darum, worinnen der Übergang charakterisiert ist, worinnen der Übergang besteht. Und da muß man sagen: Gegenwart umfaßt nicht etwa das jetzige Jahr oder auch nur das jetzige Jahrzehnt, sondern Gegenwart umfaßt einen langen Zeitraum. Vorbereitet hat

Het huidige historische moment voor de mensheid moet met een zo groot mogelijke openheid van geest worden beschouwd. Het is maar al te gemakkelijk om – gedreven door vooroordelen en, bovenal, door vooropgezette meningen – over het hoofd te zien wat zich in de diepten van het heden afspeelt: niet slechts in de menselijke ziel, maar in de menselijke natuur zelf.
Je wordt gemakkelijk verkeerd begrepen wanneer je dergelijke dingen zegt, omdat mensen in vrijwel elk tijdperk hebben gezegd – en ook vandaag de dag nog zeggen –: “We leven in een overgangstijd.” Uiteraard leven we altijd in een overgangstijd – namelijk van het verleden naar de toekomst – en het gaat er niet simpelweg om te weten dat je in een overgangstijd leeft (dat spreekt voor zich; het is een gemeenplaats); waar het werkelijk op aankomt, is het begrijpen van het specifieke karakter van deze overgang – wat deze feitelijk inhoudt. En hier moet worden opgemerkt: het “heden” omvat niet slechts het huidige jaar of zelfs het huidige decennium; het beslaat een lange tijdsperiode. 

Blz. 224

sich dieser Zeitraum seit dem 15. Jahrhundert, und das 19. Jahrhundert bedeutete seine Kulmination. Wir stehen heute in diesem Zeitraum drinnen, aber die Menschheit im allgemeinen hat sich noch wenig Verständnis erworben für das Eigentümliche dieses weltgeschichtlichen Augenblicks, in dem wir drinnenstehen. Man muß sagen: Was gegenwärtig, wenn man überhaupt in das soziale Leben hineinsehen will, anzuschauen notwendig ist, das ist, daß
der Mensch aus alten Bildungen überall herausstrebt und lediglich
Mensch sein will, freier Mensch sein will.
Daher brauchen wir heute vor allen Dingen eine Weltanschauung – wie man im Deutschen sagen kann -, eine Weltanschauung der Freiheit, hier muß man sagen, weil das Wort Freiheit hier eine andere Bedeutung hat: Eine Weltanschauung der spirituellen Aktivität, des Handelns, des Denkens, des Fühlens, aus der menschlichen geistigen Individualität heraus.
Ich versuchte im Beginn der neunziger Jahre das Bild des Menschen, wie er gegenwärtig strebt, wie er ist, wenn man nicht auf seinen Kopf, sondern auf sein Unterbewußtes sieht, in meiner «Philosophie der Freiheit» zu zeichnen, die ja hier ins Englische übersetzt ist. Der Mensch war früher in Bindungen drinnen, die sein Denken und sein Handeln bestimmten. Man sehe sich einen Menschen des Mittelalters an:

Deze periode is al sinds de 15e eeuw in voorbereiding, met de 19e eeuw als hoogtepunt. Wij bevinden ons vandaag de dag in deze periode, en toch heeft de mensheid in het algemeen weinig inzicht gekregen in de unieke aard van dit wereldhistorische moment waarin wij staan. Er moet worden gezegd: wat vandaag de dag essentieel is om waar te nemen – wil je enig inzicht krijgen in het maatschappelijk leven – is dat mensen overal ernaar streven zich los te maken van oude structuren en simpelweg mens te zijn; vrije mensen te zijn.
Daarom hebben we bovenal een wereldbeeld nodig – een wereldbeeld van vrijheid; al moeten we dat hier, omdat het woord ‘vrijheid’ een andere betekenis heeft, een wereldbeeld van geestelijke activiteit noemen – van handelen, denken en voelen – dat voortkomt uit de menselijke geestelijke individualiteit.
Begin jaren negentig van de negentiende eeuw heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* GA 4 (dat in het Engels is vertaald) geprobeerd de mens te schetsen zoals hij vandaag de dag streeft – zoals hij werkelijk is wanneer je niet naar zijn intellect kijkt, maar naar zijn onderbewustzijn. In het verleden waren mensen gebonden door banden die hun denken en handelen bepaalden. Denk maar aan de mens uit de middeleeuwen:

Er ist ja nicht in dem Sinne Mensch, wie der heutige, er ist vor allen Dingen der Angehörige eines Standes, einer Kaste. Er ist nicht Mensch, er ist Christ, er ist Adeliger, er ist Bürger. Alles, was er denkt, ist bürgerlich oder adelig oder priesterhaft. Der Mensch wurde erst im Laufe der letzten Jahrhunderte aus solchen Zusammenhängen gelöst. Man fragte in früheren Zeiten, wenn es sich darum handelte, sich sozial hineinzustellen in die menschliche Gemeinschaft als Individuum, man fragte: Was ist gut priesterhaft? Wie verhält man sich als Priester zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Bürger zu den anderen Menschen? Wie verhält man sich als Adeliger zu den anderen Menschen? – Heute fragt man: Wie verhält sich der Mensch, wenn er sich
seiner Menschenwürde und seiner Menschenrechte voll bewußt sein
kann?
Da muß aber dann der Mensch in sich etwas finden.

Hij is geen mens in de zin waarin mensen dat tegenwoordig zijn; bovenal is hij lid van een maatschappelijke stand of kaste. Hij is niet louter een mens; hij is christen, edelman of burger. Alles wat hij denkt, wordt gevormd door zijn status als burger, edelman of priester. Pas in de loop van de laatste eeuwen is het individu uit dergelijke verbanden bevrijd. Wanneer het er in vroeger tijden om ging de eigen plaats als individu binnen de menselijke gemeenschap in te nemen, luidde de vraag: wat is passend gedrag voor een priester? Hoe gedraagt ​​een priester zich tegenover anderen? Hoe gedraagt een burger zich tegenover anderen? Hoe gedraagt ​​een edelman zich tegenover anderen? Tegenwoordig luidt de vraag: hoe gedraagt een mens zich wanneer hij zich ten volle bewust kan zijn van zijn menselijke waardigheid en zijn mensenrechten?
In dit geval moet het individu echter iets in zichzelf vinden.

Blz. 225

Er muß die Antriebe, die ihm früher das Bürgertum, das Adelstum, das Priestertum gegeben und die ihn zu seinem sozialen Handeln getrieben haben, er muß diese Antriebe in sich selber finden. Und er kann sie nicht in seinem Körper finden, er muß sie in dem Geiste, der eingeprägt ist seiner Seele, finden. Deshalb bezeichnete ich in meiner «Philosophie der Freiheit» den sittlichen Impuls, der zu gleicher Zeit der tiefste soziale Impuls ist, das moralisch Impulsierende im Menschen, das bezeichnete ich als moralische Intuition. Es muß etwas aufgehen in dem Menschen drinnen, was ihm sagen soll im konkretesten Falle des Lebens:
So sollst du handeln.
Sehen Sie, da ist alles auf die menschliche Individualität gestellt. Da muß man den einzelnen Menschen, die Individualität anschauen und muß voraussetzen: In diesem Herzen, in dieser Seele sind moralische Intuitionen. Darauf muß alle Erziehung hinauslaufen, diese moralischen Intuitionen zu wecken, so daß jeder Mensch fühlt von sich: Ich bin nicht von dieser Erde allein, ich bin nicht bloß ein Produkt der physischen Vererbung, ich bin aus den geistigen Welten heruntergestiegen auf die Erde und habe etwas zu tun auf dieser Erde als dieser
einzelne individuelle Mensch.

Hij moet in zichzelf de drijvende krachten vinden – krachten die voorheen door de bourgeoisie, de adel en de geestelijkheid werden aangereikt en die hem tot maatschappelijk handelen aanzetten. En hij kan deze niet in zijn lichaam vinden; hij moet ze vinden in de geest die in zijn ziel is ingeprent. Daarom heb ik in mijn *Filosofie van de vrijheid* de morele impuls – die tegelijkertijd de diepste sociale impuls en de morele drijfveer in de mens is – aangeduid als ‘morele intuïtie’. Er moet in de mens iets opgaan dat hem, in de meest concrete levenssituatie, zegt: “Zo moet je handelen.”
Alles draait hier immers om de menselijke individualiteit. Je moet naar de individuele mens kijken – naar de individualiteit – en ervan uitgaan: “In dit hart, in deze ziel, bevinden zich morele intuïties.”
Alle opvoeding moet erop gericht zijn deze morele intuïties te wekken, zodat ieder mens voelt: “Ik ben niet slechts van deze aarde; ik ben niet louter een product van fysieke erfelijkheid; ik ben vanuit de geestelijke werelden naar de aarde afgedaald en heb hier een taak te vervullen als deze specifieke, individuele mens.”

Aber da muß man wissen nicht bloß, daß man etwas zu tun hat, sondern was man zu tun hat. Man muß in sich finden in der einzelnen konkreten Situation darinnen, was man zu tun hat. Das muß einem die Seele sagen. Das unbestimmte Gewissen muß zur moralischen individuellen Intuition werden. Das heißt: Frei werden als Mensch -, das heißt: Nur bauen auf dasjenige, was in dem Menschen selber drinnen ist.
Und das haben manche Menschen sehr übelgenommen, weil sie gemeint haben, dann sei alles Moralisch-Soziale in die Willkür des einzelnen Individuums gegeben. Das ist es nicht, sondern es ist gestellt auf diejenige Basis, auf der allein das soziale Leben stehen kann; nämlich einerseits auf der Basis des Vertrauens. Dieses Vertrauen, wir müssen es gewinnen können auch den großen Angelegenheiten des Lebens gegenüber. Den kleinen Angelegenheiten des Lebens gegenüber, da haben wir es; denn wenn ich hier hinausgehe zur Tür, und Mr. K. begegnet mir draußen, habe ich ein unbewußtes Vertrauen, daß er nicht auf mich loskommt und mich niederstößt, i

Maar hier moet je niet slechts weten dat er iets gedaan moet worden, maar *wat* er gedaan moet worden. Binnen de specifieke, concrete situatie moet je zelf ontdekken wat er moet gebeuren. De ziel zelf moet dit onthullen. Een vaag geweten moet zich ontwikkelen tot een individuele morele intuïtie. Dit betekent vrij worden als mens – het betekent uitsluitend vertrouwen op wat in de mens zelf ligt.
Sommige mensen namen hier groot aanstoot aan, in de veronderstelling dat dit betekende dat alle morele en maatschappelijke kwesties werden overgelaten aan de willekeur van het individu. Dat is niet het geval; integendeel, het wordt geplaatst op het enige fundament dat het maatschappelijk leven kan dragen – namelijk het fundament van vertrouwen. We moeten dit vertrouwen ook kunnen ontwikkelen met betrekking tot de grote levenszaken. Wat de kleine zaken van het leven betreft, bezitten we dit al; want als ik door die deur naar buiten loop en buiten de heer K. tegenkom, heb ik een onbewust vertrouwen dat hij niet op mij af zal stormen en mij omver zal lopen 

Blz. 226

indem er gerade seinen Weg geht; ich richte mich selber nach diesem Vertrauen ein und wir weichen einander gegenseitig aus, damit wir uns nicht stoßen.
Das tun wir in den kleinen Details des Lebens. Das ist etwas, was, wenn sich der freie Mensch richtig versteht, überall in allen Angelegenheiten des Lebens
angewandt werden kann. Aber es ist notwendig, daß Vertrauen herrscht von Mensch zu Mensch. In diesem Vertrauen – was ein goldenes Wort ist -, in der Erziehung zu diesem Vertrauen, zu dem Glauben an den einzelnen Menschen, nicht bloß an die Nation oder an die Menschheit, in dieser Erziehung zu dem Glauben an den einzelnen Menschen liegt dasjenige, was allein Impuls sein kann für das soziale Leben der Zukunft; denn von dem einzelnen Menschen zur Gemeinschaft führt auf der einen Seite nur dieses Vertrauen.
Und die andere Basis ist diese: wir müssen, wenn niemand dasteht, der uns zwingt, irgend etwas zu tun, den Antrieb in uns selber finden.
Auch den Gefühls-, den Gemüts-, den Seelenantrieb müssen wir in uns
selber finden.

terwijl hij zijn eigen weg gaat; ik gedraag me op basis van dit vertrouwen en we gaan voor elkaar opzij om een ​​botsing te voorkomen. We doen dit in de kleine details van het leven. Dit is iets wat – mits het vrije individu zichzelf werkelijk begrijpt – overal kan worden toegepast, in alle levensverhoudingen. Toch is het essentieel dat er vertrouwen heerst tussen mensen. In dit vertrouwen – een werkelijk gouden woord – en in het koesteren van dit vertrouwen (het vertrouwen in het individuele mens, veeleer dan louter in de natie of de mensheid) ligt precies datgene wat als enige impuls kan dienen voor het sociale leven van de toekomst; want dit vertrouwen is de enige weg die van het individu naar de gemeenschap leidt.
En de andere grondslag is deze: wanneer er niemand is die ons dwingt iets te doen, moeten we de drijvende kracht in onszelf vinden. We moeten die impuls – vanuit het gevoel, het hart, de ziel – in onszelf vinden.

Was heißt das? Wenn ich früher Priester gewesen bin, so wußte ich, wie ich eingeordnet bin in das soziale Leben. Ich brauchte da nicht gerade in ein Buch hineinzuschauen, aber ich habe gewußt: So habe ich mich zu verhalten. Hatte ich das Ordenskleid an, so wußte ich, indem ich das Ordenskleid anhabe, das legt mir ganz bestimmte Pflichten auf.
Hatte ich den Adelsdegen, so wußte ich, daß der Adel meine Menschlichkeit bestimmt. Ich war gerichtet, ich war geordnet im sozialen Leben. War ich Bürger, war das ebenso.
Das ist etwas, was, man kann es nun tadeln oder loben, darauf kommt es nicht an, in dem gegenwärtigen Augenblick der Menschheit wegfällt. Sie können noch so viele Menschen finden, die das alles wieder zurückhaben möchten, die Weltgeschichte sagt eben anderes. Da nützt es nichts, abstrakte Programme aufzustellen für allerlei Gemeinschaften, da nützt es nur, die Weltgeschichte sich anzuschauen.
Und da kommen wir zu der Frage: Was soll jetzt der Gefühlsimpuls werden für dasjenige, was soziales Handeln ist, wenn nicht mehr die Priestertugend, nicht mehr die Bürgertugend, nicht mehr die Adelstugend, die Tugend des vierten Standes von hinten treibt?

Wat betekent dit? Als ik in het verleden priester was, wist ik hoe ik in het maatschappelijk leven stond. Ik hoefde niet per se een boek te raadplegen; ik wist simpelweg: zo moet ik mij gedragen. Als ik het religieuze gewaad droeg, wist ik dat dit dragen specifieke verplichtingen met zich meebracht.
Als ik het zwaard van de adel droeg, wist ik dat mijn adellijke status mijn menszijn bepaalde. Ik wist waar ik stond; ik had een vaste plek in het maatschappelijk leven.
Als ik burger was, gold hetzelfde.
Dit is iets – of je het nu prijst of bekritiseert, doet er niet toe – dat in het huidige tijdperk van de menselijke geschiedenis aan het verdwijnen is.
Je kan talloze mensen vinden die dit alles graag terug zouden zien, maar de wereldgeschiedenis vertelt een ander verhaal. Het heeft geen zin om abstracte programma’s op te stellen voor allerlei gemeenschappen; het enige dat helpt, is kijken naar de wereldgeschiedenis.
En dit brengt ons bij de vraag: wat wordt nu de emotionele impuls die maatschappelijk handelen drijft, als priesterdeugd, burgerdeugd, adelsdeugd en de deugd van de vierde stand niet langer die stuwende kracht vanuit de achtergrond leveren?

Blz. 227

Es kann nur das werden: wenn wir zu dem, was wir zu tun haben, namentlich gegenüber anderen Menschen, ein solches Vertrauen fassen können, wie wir es zu einem Menschen fassen, wenn wir ihn lieben.
Frei sein heißt: in Handlungen sich ausleben, die man liebt.
Vertrauen ist das eine goldene Wort, das in der Zukunft das soziale Leben beherrschen muß. Liebe zu dem, was man zu tun hat, ist das andere goldene Wort. Und in der Zukunft werden diejenigen Handlungen sozial gut sein, die aus allgemeiner Menschenliebe gemacht werden.
Aber man muß diese allgemeine Menschenliebe erst verstehen lernen. Man muß sich nicht in bequemer Weise einreden, sie ist schon da.
Sie ist eben nicht da. Und je mehr man sich sagt: sie ist nicht da, desto besser ist es. Denn diese allgemeine Menschenliebe, die muß eben die Liebe zu Taten sein, die muß aktiv werden, die muß sich in Freiheit ausleben können. Dann wird sie aber allmählich aus einem Urteil des häuslichen Herdes oder der Kirchturmnähe zu einem Universellen, zu einem Welturteil

Dit kan alleen werkelijkheid worden als we hetzelfde vertrouwen kunnen stellen in de taken die we moeten verrichten – vooral die waarbij andere mensen betrokken zijn – als in een persoon van wie we houden. Vrij zijn betekent vervulling vinden in handelingen waar men van houdt. Vertrouwen is het ene gouden woord dat in de toekomst richtinggevend moet zijn voor het maatschappelijk leven. Liefde voor het werk dat men moet doen, is het andere gouden woord. En in de toekomst zullen die handelingen maatschappelijk goed zijn die voortkomen uit een universele liefde voor de mensheid.
Je moet echter eerst leren begrijpen wat die universele liefde voor de mensheid inhoudt. Je mag jezelf niet op zelfvoldane wijze wijsmaken dat deze al bestaat.
Het feit is dat ze niet bestaat. En hoe meer je erkent dat ze er niet is, des te beter. Want deze universele liefde voor de mensheid moet een liefde zijn die zich in daden uitdrukt; ze moet actief worden en haar vervulling vinden in vrijheid. Dan zal ze zich geleidelijk ontwikkelen van een opvatting die geworteld is in de huiselijke kring of de directe lokale gemeenschap, tot iets universeels – een opvatting met een wereldwijde reikwijdte.

Und nun frage ich Sie von diesem Gesichtspunkte aus: Wie stellt sich ein solches Welturteil zum Beispiel zu dem, was jetzt als, ich möchte sagen, die furchtbarste Illustration des sozialen Chaos herzzerbrechend zu uns spricht, zu der furchtbaren Not in Osteuropa, in Rußland? Wie stellt es sich dazu?
Da handelt es sich darum, einer solchen Angelegenheit gegenüber die richtige Frage zu stellen. Und die richtige Frage ist diese: Gibt es heute auf der Erde – und die Erde muß hier angezogen werden, denn wir haben seit dem letzten Drittel des 19. Jahrhunderts nicht mehr Nationalwirtschaft, sondern Weltwirtschaft, das ist das Wichtige, was im sozialen Leben zu beachten ist -, gibt es heute auf der Erde zuwenig Nahrungsmittel für die gesamte Menschheit? Das wird niemand bejahen. Es gibt nicht zuwenig Nahrungsmittel auf der Erde für die gesamte Menschheit! Mag einmal die Zeit kommen, dann müssen die Menschen aus ihrem Genius heraus andere Mittel finden. Heute müssen wir noch sagen: Wenn an einem Fleck der Erde unzählbare Menschen hungern, dann sind es die menschlichen Einrichtungen der letzten Jahrzehnte, die das bewirkt haben. Denn dann sind diese menschlichen Einrichtungen nicht so, daß auf den hungernden Fleck der Erde in der richtigen Zeit die richtigen Nahrungsmittel hinkommen.

En nu vraag ik u, vanuit dit gezichtspunt: hoe verhoudt zo’n mondiaal oordeel zich bijvoorbeeld tot wat ons nu zo aangrijpend treft als – ik zou bijna zeggen – het meest verschrikkelijke voorbeeld van maatschappelijke chaos: de vreselijke nood in Oost-Europa, in Rusland? Hoe verhoudt het zich daartoe?
Het gaat er hier om de juiste vraag te stellen met betrekking tot een dergelijke kwestie. En de juiste vraag luidt: is er vandaag de dag op aarde – en de aarde moet hierbij in beschouwing worden genomen, want sinds het laatste derde deel van de 19e eeuw hebben we niet meer te maken met een nationale economie, maar met een wereldeconomie; dat is de cruciale factor die in het maatschappelijk leven onderkend moet worden – is er vandaag de dag op aarde te weinig voedsel voor de gehele mensheid? Niemand zou die vraag bevestigend beantwoorden. Er is op aarde geen tekort aan voedsel voor de gehele mensheid! Er kan een tijd komen waarin dat verandert, en dan zullen mensen door hun eigen vindingrijkheid andere wegen moeten vinden. Maar vandaag de dag moeten we nog steeds zeggen: als talloze mensen in een bepaald deel van de wereld honger lijden, dan zijn het de menselijke instellingen van de afgelopen decennia die dit hebben veroorzaakt. Want die menselijke instellingen zijn niet zodanig ingericht dat het juiste voedsel op het juiste moment dat hongerlijdende gebied op aarde bereikt.

Blz. 228

Es kommt darauf an, wie die Menschen auf der Erde diese Nahrungsmittel im
richtigen Augenblick in der richtigen Weise verteilen.
Was ist geschehen? In einem historischen Augenblicke ist in Rußland ein großes Gebiet der Erde durch eine aus reinem Intellektualismus, aus reiner Abstraktion geborenen Fortsetzung des Zarentums abgeschlossen worden von der Welt, eingesperrt worden. Ein für ein großes, aber doch für ein Territorium sich festlegendes Nationalgefühl hat Rußland abgesperrt von der Welt und verhindert, daß jene sozialen Einrichtungen über die Erde hin herrschen, die es möglich machen, daß, wenn einmal die Natur an einem Orte versagt, die Natur an einem anderen Orte durch Menschenhände in ausgiebiger Weise eingreifen kann.
Es müssen die Blicke, die heute das soziale Elend schauen, wenn man den richtigen Gesichtspunkt hat, dahin führen, daß die Menschen «mea culpa» sagen, daß jeder Mensch «mea culpa» sagt. Denn daß der einzelne Mensch als Individualität sich fühlt, schließt nicht das aus, daß er auch mit der ganzen Menschheit sich verbunden fühlt. Man hat in der Menschheitsentwickelung nicht das Recht, sich als Individualität zu fühlen, wenn man sich nicht zu gleicher Zeit als Angehöriger der ganzen Menschheit fühlt.

Het hangt ervan af hoe de mensen op aarde deze voedingsmiddelen verdelen – op het juiste moment en op de juiste wijze. Wat is er gebeurd? Op een cruciaal moment in de geschiedenis werd een uitgestrekt deel van de aarde – Rusland – van de rest van de wereld afgesneden en afgegrendeld door een voortzetting van het tsaristische regime, dat voortkwam uit louter intellectualisme en louter abstractie. Een besef van nationale identiteit – weliswaar van betekenis, maar ook gefixeerd op een specifiek grondgebied – isoleerde Rusland van de wereld. Dit verhinderde de totstandkoming van wereldwijde maatschappelijke structuren die het mogelijk zouden maken dat menselijk ingrijpen op de ene plek doeltreffend compenseert wanneer de natuur op een andere plek tekortschiet. Vanuit het juiste perspectief bezien, moet de aanblik van de huidige maatschappelijke ellende mensen ertoe aanzetten “mea culpa” te zeggen – ieder individu ertoe brengen “mea culpa” te zeggen. Want het feit dat iemand zichzelf als individu ervaart, sluit niet uit dat hij zich ook verbonden voelt met de mensheid als geheel.
In de loop van de menselijke evolutie heeft men niet het recht zichzelf als individu te beschouwen zonder zich tegelijkertijd als lid van de mensheid als geheel te voelen.

Das ist, ich möchte sagen, der Grundton, die Grundnote, die aus einer jeden Philosophie der Freiheit kommen muß, die den Menschen in einer ganz anderen Art hineinstellen muß in die soziale Ordnung.
Die Fragen werden dann ganz anders.
Was ist alles gefragt worden in sozialer Beziehung in den letzten  Jahrhunderten, namentlich im 19. Jahrhundert, und was ist aus diesen Fragen, die zuerst aufgetaucht sind in den höheren Ständen, bei dem Millionenproletariat geworden? Warum ist das Millionenproletariat heute auf Abwegen nach der Ansicht vieler? Weil es falsche Lehren angenommen hat von den höheren Ständen. Es war der Schüler der höheren Stände; das Proletariat hat diese Lehren nicht selber geprägt.
Worauf es ankommt, ist, daß man einmal klar sieht. Die Leute haben gesagt: Der Mensch ist das Produkt der Verhältnisse; wie die sozialen Verhältnisse, die sozialen Einrichtungen ringsherum sind, so ist der Mensch. Andere haben gesagt: Die sozialen Verhältnisse sind so, wie die Menschen sie sich gemacht haben

Dit is – zo zou je kunnen zeggen – de grondtoon, de leidende toon, die moet voortkomen uit elke filosofie van de vrijheid – een filosofie die de mens op een geheel andere wijze binnen de maatschappelijke orde moet plaatsen. De vraagstukken krijgen daardoor een totaal ander karakter.
Denk aan de vragen die de afgelopen eeuwen – en dan vooral de negentiende – rond maatschappelijke kwesties zijn opgeworpen, en aan wat er met die vragen (die aanvankelijk in de hogere klassen ontstonden) gebeurde toen ze het miljoenen tellende proletariaat bereikten. Waarom is dit enorme proletariaat volgens velen vandaag de dag op een dwaalspoor geraakt? Omdat het verkeerde opvattingen van de hogere klassen heeft overgenomen. Het was de leerling van de hogere klassen; het proletariaat heeft deze opvattingen niet zelf voortgebracht.
Waar het om gaat, is dat we de zaken helder zien. Men heeft gezegd: de mens is het product van de omstandigheden; het individu wordt gevormd door de maatschappelijke verhoudingen en instellingen waarin het leeft. Anderen hebben gezegd: de maatschappelijke verhoudingen zijn wat de mensen ervan hebben gemaakt.

Blz. 229

Alle diese Lehren sind ungefähr so klug, als wenn jemand sagt oder fragt: Ist der physische Mensch das Produkt seines Kopfes oder das Produkt seines Magens?
Der physische Mensch ist eben weder das Produkt seines Kopfes noch das Produkt seines Magens, sondern das Produkt der fortwährenden Wechselwirkung zwischen Kopf und Magen. Die müssen immer zusammenwirken. Der Kopf ist Ursache und Wirkung; der Magen ist
Ursache und Wirkung. Und wenn wir tiefer eingehen auf die menschliche Organisation, so finden wir sogar, daß der Magen vom Kopf gemacht wird; denn im embryonalen Leben entsteht zuerst der Kopf, und dann bildet sich erst der Magen; und dann wiederum macht der Magen den Organismus. So müssen wir nicht fragen: Sind die Verhältnisse, das Milieu die Ursache, daß die Menschen so und so sind? Oder sind es die Menschen, die das Milieu, die Verhältnisse gemacht haben? Wir müssen uns klar sein, daß jedes Ursache und Wirkung ist,
daß alles ineinanderwirkt, und daß wir vor allen Dingen heute die Frage auf werfen müssen: Was für Einrichtungen müssen da sein, damit die Menschen die richtigen Gedanken haben können in sozialer Beziehung? Und was für Gedanken müssen da sein, damit im Denken auch diese richtigen sozialen Einrichtungen entstehen?

Al deze opvattingen zijn ongeveer net zo zinvol als de vraag: is de fysieke mens het product van zijn hoofd of van zijn maag? De fysieke mens is in feite noch het product van het hoofd, noch dat van de maag, maar veeleer het resultaat van de voortdurende wisselwerking tussen hoofd en maag. Ze moeten altijd samenwerken. Het hoofd is zowel oorzaak als gevolg; de maag is zowel oorzaak als gevolg. En als we dieper ingaan op de menselijke constitutie, zien we zelfs dat de maag door het hoofd wordt voortgebracht; want in het embryonale stadium ontwikkelt het hoofd zich als eerste en vormt de maag zich pas daarna – waarna de maag op haar beurt het organisme vormgeeft. We moeten ons dus niet afvragen: zijn de omstandigheden – de omgeving – de oorzaak van hoe mensen zijn? Of zijn het de mensen zelf die die omgeving en die omstandigheden hebben gecreëerd? We moeten goed begrijpen dat alles zowel oorzaak als gevolg is, dat alles met elkaar in wisselwerking staat en dat we ons vandaag de dag vooral de vraag moeten stellen: wat voor soort instellingen zijn er nodig zodat mensen zich de juiste gedachten kunnen vormen over maatschappelijke verhoudingen? En wat voor soort gedachten zijn er nodig opdat deze juiste maatschappelijke instellingen uit ons denken kunnen voortkomen?

Die Menschen haben nämlich gerade, wenn es auf das äußere praktische Leben ankommt, die Ansicht: Erst kommt dieses, dann kommt dieses. Damit kommt man in der Welt nicht vorwärts. Man kommt nur vorwärts, wenn man im Kreise denkt. Da denken aber die meisten Menschen: Da geht einem ein Mühlrad im Kopfe herum. Das können sie nicht. Man muß im Kreise denken; man muß sich denken, wenn man die äußeren Verhältnisse anschaut, sie sind vom Menschen gemacht, aber sie machen auch die Menschen; oder wenn man die menschlichen
Handlungen anschaut, sie machen die äußeren Verhältnisse, aber werden auch wiederum getragen von den äußeren Verhältnissen. Und so müssen wir fortwährend mit unseren Gedanken hin- und hertanzen, wenn wir die Wirklichkeit haben wollen. Und das wollen die Menschen nicht. Die Menschen möchten, wenn sie irgend etwas anordnen, vor allen Dingen ein Programm: Erstens, zweitens, drittens bis zwölftens meinetwegen, und zwölf ist das letzte und eins ist das erste.

Wat het praktische, uiterlijke leven betreft, zijn mensen geneigd te denken dat de dingen een lineair verloop volgen: eerst gebeurt dit, dan dat. Op die manier kom je in de wereld niet ver. Je boekt alleen vooruitgang als je in cirkels denkt. Wanneer mensen echter met het idee van cirkelvormig denken worden geconfronteerd, stellen ze zich vaak een ronddraaiend molenrad in hun hoofd voor – iets waartoe ze naar hun gevoel niet in staat zijn. Toch *moet* men in cirkels denken; men moet beseffen dat uiterlijke omstandigheden weliswaar door mensen worden gecreëerd, maar op hun beurt ook de mens vormen; of – kijkend naar menselijk handelen – dat dit handelen weliswaar uiterlijke omstandigheden schept, maar zelf weer door diezelfde omstandigheden in stand wordt gehouden. We moeten onze gedachten voortdurend op deze manier heen en weer laten dansen als we de werkelijkheid willen doorgronden. En dat is precies wat mensen niet willen. Bij het opzetten van iets willen ze vooral een programma: eerst, tweede, derde – tot aan de twaalfde stap, laten we zeggen – waarbij twaalf de laatste stap is en één de eerste.

Blz. 230

Aber das ist leblos. Denn jedes Programm muß so sein, daß man es auch umkehren kann, daß man auch bei zwölf anfangen kann bis eins zurück,
geradeso wie der Magen den Organismus ernährt, und wenn die Nerven, die unter dem kleinen Gehirn liegen, nicht ordentlich sind, kann nicht ordentlich geatmet werden. Geradeso wie das sich umkehrt im Leben, so hat man auch im sozialen Leben hinzuschauen darauf, daß alles sich umkehrt.
Und so hat mein Buch: «Die Kernpunkte der sozialen Frage» aus den sozialen Verhältnissen heraus Leser voraussetzen müssen, welche mit ihren Gedanken sich umkehren können. Aber das wollen die Menschen nicht, sie wollen vom Anfang bis Ende lesen und dann wissen: Jetzt haben sie das Ende erreicht. Daß das Ende der Anfang ist, darauf wollen sie nicht eingehen. Und so war das das ärgste Mißverständnis dieses sozial gemeinten Buches, daß man es falsch gelesen hat. Und man fährt fort, es falsch zu lesen. Man will sich nicht mit den Gedanken dem Leben anpassen, sondern man will, daß das Leben sich dem Denken anpasse. Das ist aber ganz und gar nicht die Voraussetzung der sozialen Einrichtungen, die diesen Darstellungen zugrunde liegen. Ich werde
dies dann gleich im nächsten Teile fortsetzen.

Maar dat leeft niet. Want elk programma moet zo zijn opgezet dat het ook kan worden omgekeerd – dat men bij twaalf kan beginnen en terug kan tellen naar één – net zoals de maag het organisme voedt; als de zenuwen onder de kleine hersenen niet goed functioneren, kan de ademhaling niet correct verlopen. Zoals deze omkering in het leven plaatsvindt, zo moet men ook in het maatschappelijk leven inzien dat alles omkeerbaar moet kunnen zijn.
En daarom moest mijn boek *De kernpunten van de sociale vraag* – dat voortkwam uit maatschappelijke verhoudingen – uitgaan van lezers die in staat waren hun gedachtegang om te keren. Maar mensen willen dat niet; ze willen van begin tot eind lezen en dan het gevoel hebben dat ze bij de conclusie zijn aangekomen. Ze willen niet begrijpen dat het einde het begin is. Het gevolg was dat het grootste misverstand rond dit boek – dat bedoeld was om maatschappelijke vraagstukken te behandelen – erin bestond dat het verkeerd werd gelezen. En men blijft het verkeerd lezen. Men wil het eigen denken niet aan het leven aanpassen; men wil juist dat het leven zich aan het eigen denken aanpast. Dat is echter geenszins het uitgangspunt van de hier beschreven maatschappelijke ordening. Hierop zal ik in het volgende gedeelte nader ingaan.

Meine Damen und Herren, als die Dreigliederung des sozialen Organismus anfing etwas besprochen zu werden unter den Menschen, da konnte ich ein merkwürdiges Urteil hören. Die Dreigliederung wirft ihren Blick auf die drei Strömungen im sozialen Leben, die ich in diesen Tagen charakterisiert habe, auf das Geistesleben als solches, wie es heute besteht als Erbschaft der Theokratie; denn alles geistige Leben ist zum Schluß zurückzuführen auf dasjenige, was in den Theokratien zunächst als Ursache gelegen hat. Zweitens auf dasjenige, was ich juristisch-staatliches Leben nenne; drittens auf dasjenige, was ökonomisches, wirtschaftliches Leben zu nennen ist. Als der Blick auf die drei Ideen der Dreigliederung, den Impuls der Dreigliederung geworfen wurde, da kamen zunächst diejenigen Menschen, die vielleicht mit ihrem Körper ganz gut in der Welt drinnenstehen, vielleicht sogar Fabrikanten sind in ihrem äußeren Leben, Pastoren sind in ihrem äußeren Leben, also mit ihrer Leiblichkeit irgendwo im äußeren Leben lokalisiert sind, sie kamen und sie dozierten nun:

Dames en heren, toen men voor het eerst begon te spreken over de drieledigheid van het sociale organisme, hoorde ik een opmerkelijk oordeel uitspreken. Dit concept van drieledigheid richt zich op de drie stromingen van het maatschappelijk leven die ik de afgelopen dagen heb gekarakteriseerd: ten eerste op het geestelijk leven als zodanig – dat vandaag de dag voortbestaat als een erfenis van de theocratie, aangezien al het geestelijk leven uiteindelijk kan worden herleid tot de oorspronkelijke oorzaken in theocratieën; ten tweede op wat ik de rechts-politieke sfeer noem; en ten derde op wat de economische sfeer wordt genoemd. Toen de aandacht op deze drie ideeën werd gevestigd – op de impuls van de drieledigheid – traden er bepaalde mensen naar voren: individuen die wellicht stevig verankerd waren in de materiële wereld – fabriekseigenaren of geestelijken in hun uiterlijke leven, mensen wier fysieke bestaan ​​in de uiterlijke sfeer was geworteld – en zij begonnen hun betoog:

Blz. 231

Ach ja, nun können wir froh sein, nun taucht eine neue Idee auf, die endlich wieder die alte grandiose Plato-Idee zur Geltung bringt, denn es ist ja nur ein Aufwärmen desjenigen, was Plato als Gliederung der Menschen hingestellt hat in Nährstand, Wehrstand, Lehrstand. Da haben wir den alten Plato wiederum zu Ehren gebracht.
Nun, meine Damen und Herren, ich hatte nichts anderes zu sagen, als: Für all jene Menschen, die zunächst, wenn eine neue Idee auftaucht, in die Bibliothek gehen und nachschauen, wo die registriert ist, mag das so sein; für denjenigen, der die Dreigliederung versteht, ist die Dreigliederung das Gegenteil von dem, was Plato geschildert hat als Nährstand, Wehrstand und Lehrstand, das genaue Gegenteil. Und zwar, weil Plato so und so viel Jahre vor dem Mysterium von Golgatha gelebt hat. Für die damalige Zeit war die Gliederung im Nährstand,
Lehrstand und Wehrstand richtig; heute sie wiederum auffrischen zu
wollen, ist absurd.

We kunnen ons nu wel verheugen over het opkomen van een nieuw idee – een idee dat het oude, grootse platonische concept eindelijk weer in ere herstelt – maar in feite is het slechts een herhaling van de door Plato voorgestelde indeling: de klasse van de voortbrengers, de klasse van de verdedigers en de klasse van de leraren. Op die manier hebben we de oude Plato opnieuw eer bewezen.
Dames en heren, ik wil hier slechts dit over zeggen: voor wie bij het opkomen van een nieuw idee onmiddellijk naar de bibliotheek snelt om te zien waar het is gecatalogiseerd, mag die opvatting juist lijken; maar voor iedereen die de drieledige sociale orde begrijpt, is dat concept precies het tegenovergestelde van wat Plato beschreef – lijnrecht het tegenovergestelde. En de reden daarvoor is simpelweg dat Plato zoveel jaren vóór het Mysterie van Golgotha ​​leefde. Voor dat tijdperk was de indeling in voortbrengers, leraren en verdedigers juist; pogingen om die vandaag de dag nieuw leven in te blazen, zijn absurd.

Denn bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt es sich nicht darum, daß hier wiederum die Menschen gegliedert werden, so daß einer drinnensteckt in dem Lehrstand, der andere in dem Wehrstand, in dem juristischen und Kriegerstand, der andere drinnensteckt in dem Nährstand, sondern es handelt sich um Einrichtungen, um Institutionen, in denen abwechselnd jeder drinnen sein kann, weil wir es in der neueren Zeit mit Menschen zu tun haben, und nicht mit Ständen. So daß es sich darum handelt, daß eine Institution da ist, in welcher universell das geistige Leben des Menschen gepflegt wird, das lediglich auf die Fähigkeiten der Individualitäten
gebaut sein muß; daß zweitens da ist die staatlich-juristische Institution in ihrer Selbständigkeit, ohne Intentionen, die anderen Glieder des sozialen Organismus zu verschlingen, und daß drittens da ist eine Institution, die rein wirtschaftlich ist. Die staatlich-juristische wird es zu tun haben mit all dem, was der einzelne Mensch mit dem anderen abzumachen hat, was von Mensch zu Mensch festzusetzen ist.
Im geistigen Leben kann nicht jeder ein Urteil haben; im geistigen Leben kann jeder nur das Urteil haben, zu dem er befähigt ist. Da muß alles aus der Individualität herauskommen.

Bij de driegeleding van het sociale organisme gaat het niet om het indelen van mensen in vaste categorieën – zoals de ene persoon die tot de onderwijssfeer behoort, de andere tot de rechts- en legersfeer en een derde tot de economische sfeer. Het gaat veeleer om structuren en instellingen waaraan ieder op verschillende momenten kan deelnemen, aangezien we in de moderne tijd te maken hebben met individuele mensen en niet met starre maatschappelijke standen. Het doel is een instelling waarin het geestelijk leven van de mensheid op universele wijze wordt gecultiveerd – een leven dat uitsluitend moet rusten op de vermogens van individuele persoonlijkheden; ten tweede een onafhankelijke staatsrechtelijke instelling die niet de intentie heeft de andere sferen van het sociale organisme op te slokken; en ten derde een instelling die van zuiver economische aard is.
De staatsrechtelijke sfeer zal zich bezighouden met alle zaken die individuen onderling moeten regelen – alles wat vastgelegd moet worden in de verhoudingen tussen mensen onderling.
Op het gebied van het geestelijk leven kan niet iedereen over elk onderwerp een mening hebben; in het geestelijke leven kan iedereen slechts het oordeel vellen waartoe hij in staat is. In deze sfeer moet alles voortkomen uit de individuele persoonlijkheid.

Blz. 232

Das geistige Leben muß auf die Individualitäten gebaut sein. Das geistige Leben macht notwendig, daß es ein in sich geschlossener, einheitlicher Körper ist. – Sie werden sagen: Das ist es nicht. – Aber ich werde gleich darauf zu sprechen kommen.
Das staatlich-juristische Leben macht es notwendig, daß die Menschen im Sinne der schon einmal heraufgekommenen Demokratie, wo der Mensch als Mensch Gelegenheit hat, von Mensch zu Mensch sich verständigen zu können über dasjenige, worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß, worüber es nicht Sach- und Fachkenntnis gibt, sondern worüber jeder Mensch ein Urteil haben muß. Es gibt ein solches Gebiet des Lebens, das ist das Juristisch-Staatliche.
Und drittens das ökonomische Gebiet. Da zeigt sich, wie da alles nicht von dem einzelnen Urteil ausgehen kann – das Urteil des einzelnen ist gleichgültig, denn es kann niemals richtig sein -, sondern von den Assoziationen, von den Gemeinschaften der Menschen, die aus dem Zusammenfluß ihrer Urteile ein gemeinschaftliches Urteil heraus zustande bringen. Nicht darauf kommt es an, daß man sagt, man solle den Staat oder sonst irgendeine Gemeinschaft in drei Glieder teilen, sondern darauf kommt es an, daß von diesen drei Gliedern jedes
dasjenige tun kann, was es tun soll, damit der soziale Organismus
richtig wirkt.

Het geestesleven moet gefundeerd zijn op individualiteiten. Het geestesleven vereist dat het een op zichzelf staand, samenhangend geheel vormt. — Je zou
kunnen zeggen: dat is niet het geval. — Maar daarop kom ik zo dadelijk terug.
De rechts-politieke sfeer vereist dat mensen handelen in de geest van de democratie die is ontstaan ​​— waarin de mens, als mens, de mogelijkheid heeft
om tot overeenstemming te komen met anderen over zaken waarover iedereen zich een oordeel moet vormen — zaken die niet afhangen van gespecialiseerde technische deskundigheid, maar waarover ieder individu een opvatting moet hebben. Er bestaat inderdaad zo’n levenssfeer: het rechts-politieke domein.
En ten derde: de economische sfeer. Hier zien we dat de zaken niet kunnen uitgaan van het individuele oordeel — het oordeel van het individu doet er niet toe, want het kan nooit juist zijn — maar veeleer van associaties, van gemeenschappen van mensen die, door het samenbrengen van hun oordelen, tot een gezamenlijk oordeel komen.
Het gaat er niet simpelweg om voor te stellen de staat — of welke gemeenschap dan ook — in drie delen te splitsen; het cruciale punt is dat elk van deze drie delen zijn eigenlijke functie kan vervullen, zodat het sociale organisme
goed kan functioneren.

Mit der Denkweise, die ich hier vertrete, meine Damen und Herren, kann man drinnenstehen in der Welt. Man kann unter Umständen – ich will jetzt nur hypothetisch das anführen -, man kann aus seinen Fähigkeiten heraus das oder jenes wollen, man kann vielleicht sogar die Geschicklichkeit, die Technik dazu haben, das oder jenes zu wollen; aber dasjenige, was man selber als Mensch tut, wird ja weiter getan durch andere Menschen. Ich handle; darauf kommt etwas an, aber nicht alles und nicht die Hauptsache. Es kommt darauf an, daß meine Handlung von dem anderen verständig weitergeführt wird, daß sie weiter von einem dritten, vierten, xten geführt wird. Dazu muß aber der soziale Organismus so geführt werden, daß die Spuren meiner Handlung nicht verschwinden. Sonst tue ich etwas in Oxford; es wird weiter getan, weiter getan; aber in Whitechapel ist keine Spur mehr davon vorhanden. Dann sehen wir nur das äußere Symptom, dann sehen wir nur, daß dort Elend ist.

Met de denkwijze die ik hier uiteenzet, dames en heren, kan je midden in de wereld staan. Je kan — ik noem dit slechts hypothetisch — dit of dat willen doen
op grond van eigen vermogens; je kan wellicht zelfs beschikken over de vaardigheid en de techniek om dergelijke doelen na te streven; toch wordt datgene wat je als individu doet, voortgezet door andere mensen. Ik handel; dat is zeker van belang, maar het is niet alles, en evenmin de hoofdzaak. Waar het om gaat, is dat mijn handeling op intelligente wijze door een ander wordt voortgezet, dat ze wordt doorgegeven door een derde, een vierde, een -tigste persoon.
Wil dit echter kunnen gebeuren, dan moet het sociale organisme zo worden bestuurd dat de sporen van mijn handeling niet verloren gaan.
Anders zou ik iets in Oxford kunnen doen — het wordt voortgezet en voortgezet — maar in Whitechapel blijft er geen spoor van over.
Dan zien we slechts het uiterlijke symptoom; dan zien we alleen dat daar ellende bestaat.

Blz. 233

Das Elend muß aber hervorgehen, wenn die menschlichen Kräfte nicht in der richtigen Weise eingehen können in den sozialen Organismus.
Wir schauen nach Rußland – Elend. Warum? Weil die sozialen Kräfte nicht richtig eingreifen können in den sozialen Organismus; weil der soziale Organismus nicht in der richtigen Weise nach seinen naturgemäßen drei Gliedern gegliedert ist. Wenn ein sozialer Organismus so gegliedert ist, daß darinnen das Geistesleben frei auf die Individualitäten gestellt ist, daß ein juristisch-staatliches Leben da ist, welches alle die Angelegenheiten ordnet, wofür jeder Mensch kompetent ist, gleichgültig was er für einen Bildungsstand und so weiter hat, und wenn drittens ein selbständiges wirtschaftliches Leben da ist, das es nur zu tun hat mit Produktion, Warenkonsumtion und Zirkulation, dann ist dieser Organismus so gegliedert, daß die einzelne Handlung, die einer tun kann, wirklich so durchfließt durch den sozialen Organismus, wie das Blut durch den Menschen durchfließt.
Ja, das kann man aus einer wirklichen realen Welterkenntnis heraus. Aber aus einer solchen realen Welterkenntnis heraus müssen es auch die Menschen verstehen.

Er zal echter onvermijdelijk ellende ontstaan wanneer menselijke krachten niet op de juiste wijze het sociale organisme kunnen binnentreden.
We kijken naar Rusland – ellende. Waarom? Omdat sociale krachten niet op de juiste manier kunnen ingrijpen in het sociale organisme; omdat het sociale organisme niet op de juiste wijze is gestructureerd volgens zijn natuurlijke drieledigheid. Wanneer een sociaal organisme zo is gestructureerd dat het geestesleven wordt overgelaten aan de vrijheid van de individuen daarbinnen,
dat er een rechts- en staatssfeer bestaat die alle zaken regelt waartoe ieder mens bekwaam is – ongeacht opleidingsniveau of dergelijke – en wanneer er ten derde sprake is van een zelfstandig economisch leven dat zich uitsluitend richt op productie, consumptie van goederen en circulatie, dan is dit organisme zodanig gestructureerd dat het individuele handelen van een mens werkelijk door het sociale organisme stroomt, net zoals bloed door het menselijk lichaam stroomt.
Dit kan inderdaad worden begrepen vanuit een werkelijke kennis van de wereld.
Maar mensen moeten het ook gaan begrijpen op basis van een dergelijke werkelijke kennis van de wereld.

Wenn heute so etwas gesagt wird, und es kommt dann jemand und erklärt es theoretisch mit doktrinärem Marxismus und Intellektualismus, dann wird das natürlich gar nicht aufgefaßt, dann weiß man gar nicht, was der nun meint, der nun nicht an der Oberfläche bleibt und an der Oberfläche das Elend sieht, und sagt: Da kann man nichts bessern, man muß erst die Menschen in solche soziale Zusammenhänge hineinbringen, daß aus den Zusammenhängen der Menschen heraus das Elend verschwindet. Das ist es.
Und da müssen wir uns klar sein, allmählich hat das, was ursprünglich Theokratie war, vom Leben sich entfernt. Denn in denjenigen Stätten, wo die ursprünglichen Theokraten gelebt haben, da gab es keine Bibliotheken, da war nicht die Wissenschaft in Bibliotheken eingereiht; da setzte man sich nicht hin, wenn man sich vorbereitete, um eine Wissenschaft zu beherrschen, und studierte alte Bücher, sondern da lebte man mit dem lebendigen Wesen des Menschen. Da sah man den Menschen an. Da fragte man sich: Was ist da draußen mit dem Menschen zu tun.

Wanneer zoiets tegenwoordig wordt gezegd, en iemand komt aanzetten met een theoretische uitleg in termen van doctrinair marxisme en intellectualisme, komt de boodschap simpelweg niet over; men begrijpt niet wat de spreker bedoelt – iemand die weigert aan de oppervlakte te blijven en slechts de ellende daar te observeren, maar in plaats daarvan betoogt dat daar niets te verbeteren valt; men moet de mens integendeel in zodanige sociale verbanden plaatsen dat de ellende verdwijnt als gevolg van die menselijke verhoudingen zelf. Dat is de kern van de zaak.
En we moeten ons één ding goed realiseren: wat oorspronkelijk theocratie was, is gaandeweg losgeraakt van het leven zelf. Want op de plekken waar de oorspronkelijke theocraten leefden, waren geen bibliotheken; kennis werd niet in bibliotheken opgeslagen; men ging niet zitten studeren in oude boeken om zich een kennisbestand eigen te maken – men leefde in plaats daarvan in verbinding met de levende essentie van de mens. Men keek naar de mens. Men vroeg zich af: wat moet er daar buiten met de mens gebeuren?

Blz. 234

Die Bibliothek war die Welt. Man schaute nicht in Bücher, sondern auf die menschliche Physiognomie, man achtete auf menschliche Seelen, man las in ihnen; man schaute nicht in die Bücher hinein, sondern man schaute auf die Menschen. In die Bibliotheken ist allmählich unsere Wissenschaft hineingegangen oder sonst irgendwie aufgespeichert, vom Menschen getrennt.
Wir brauchen ein Geistesleben, das wiederum ganz in der Welt drinnensteht, wir brauchen ein Geistesleben, wo die Bücher aus dem Leben heraus geschrieben sind, ins Leben hinein wirken und nur Anregungen sind für das Leben, nur Mittel und Wege sein wollen für das Leben. Wir müssen aus der Bibliothek heraus. Wir müssen gerade im geistigen Leben in das Leben hinein. Und wir müssen ein Erziehungswesen haben, das nicht nach Regeln verfährt, das nach den Kindern verfährt, die real da sind, nach Menschenkenntnis; aus Menschenkenntnis heraus die Kinder kennenlernt und aus dem Kinde selbst herausliest, was zu tun ist jeden Tag, jede Woche, jedes Jahr.

De bibliotheek was de wereld. Men keek niet in boeken, maar naar de menselijke gelaatstrekken; men had oog voor menselijke zielen en las daarin; men keek niet in boeken, maar naar mensen. Gaandeweg is onze wetenschapsbeoefening naar bibliotheken verhuisd – of daar op andere wijze opgeslagen – en losgeraakt van de mens.
We hebben behoefte aan een geestesleven dat weer volledig in de wereld verankerd is; een geestesleven waarin boeken vanuit het leven zelf worden geschreven, op het leven inwerken en slechts als prikkel voor het leven dienen – als eenvoudige middelen en wegen om te leven. We moeten de bibliotheek verlaten. Op het gebied van de geest moeten we ons rechtstreeks in het leven begeven.
En we hebben een onderwijssysteem nodig dat niet volgens abstracte regels werkt, maar inspeelt op de werkelijk aanwezige kinderen – geleid door inzicht in de menselijke natuur; een systeem dat de kinderen door dat inzicht leert kennen en – vanuit het kind zelf – bepaalt wat er elke dag, elke week en elk jaar moet gebeuren.

Wir brauchen ein staatlich-juristisches Leben, in dem Mensch dem Menschen gegenübersteht, wo nur nach dem geurteilt wird, wozu eine berechtigte Kompetenz jeder einzelne hat, wie ich schon sagte, gleichgültig in welchem Beruf, in welcher sonstigen Situation er drinnensteht. Das gehört in das staatlich-juristische Leben hinein; was alle Menschen gleich macht.
Was wird dann in das geistige Leben hineinkommen, wenn das geistige Leben so aufgefaßt wird, wie ich es jetzt beschrieben habe? Vom wirtschaftlichen Leben wird von selbst nach und nach die Kapitalverwaltung in das geistige Leben hineinkommen. Schimpft man heute über den Kapitalismus – man kann ja nichts machen gegen den Kapitalismus, man braucht doch den Kapitalismus. Es handelt sich nicht darum, daß Kapital da ist, Kapitalismus da ist, sondern: welche sozialen Kräfte in dem Kapital und Kapitalismus wirken. Der Kapitalismus ist entstanden aus der geistigen Erfindungsgabe der Menschheit. Er ist schon aus dem Geistigen heraus entstanden durch Arbeitsteilung und
geistige Erkenntnis. Ich habe nur zur Illustration, weil ich keine Utopie geben wollte, in meinen «Kernpunkten» gesagt, wie etwa dieses Hinströmen des Kapitals zum geistigen Glied des sozialen Organismus geschehen könnte, indem derjenige, der zunächst Kapital erworben hat

We hebben een sfeer van staats- en rechtsleven nodig waarin de ene mens tegenover de andere staat en waarin oordelen uitsluitend gebaseerd zijn op zaken die binnen de legitieme bevoegdheid van elk individu vallen – ongeacht, zoals gezegd, het beroep of de situatie waarin zij zich bevinden. Dit behoort tot de sfeer van het staats- en rechtsleven: het domein dat alle mensen als gelijken behandelt.
Wat treedt er dan binnen in de sfeer van het geestelijk en cultureel leven, als we die sfeer opvatten zoals ik zojuist heb beschreven? Geleidelijk en op natuurlijke wijze zal het beheer van kapitaal verschuiven van de economische sfeer naar de geestelijk-culturele sfeer. Mensen geven vandaag de dag af op het kapitalisme, en toch kan er niets worden gedaan om het af te schaffen; het kapitalisme is essentieel. Het gaat niet om het loutere bestaan ​​van kapitaal of kapitalisme, maar om de aard van de maatschappelijke krachten die daarin werkzaam zijn. Het kapitalisme is voortgekomen uit het menselijk vermogen tot geestelijke vindingrijkheid; het is ontstaan ​​vanuit het domein van de geest, door middel van arbeidsdeling en geestelijk inzicht. Louter ter illustratie – en zonder de pretentie een utopie te schetsen – heb ik in mijn boek *De kernpunten* uiteengezet hoe kapitaal zou kunnen toevloeien naar het geestelijk-culturele deel van het sociale organisme: een individu dat kapitaal heeft verworven – 

Blz. 235

und dadurch Kapital arbeitend hat, und mit seiner eigenen Person bei dieser Arbeit des Kapitals dabei ist, indem der so, wie man es heute mit den Büchern macht, die nach dreißig Jahren an die Allgemeinheit übergehen, dafür sorgt, daß das Kapital an die Allgemeinheit übergeht.
Ich habe es nicht als einen utopischen Standpunkt aufgestellt, sondern gesagt, so könnte man vielleicht dazu kommen, dem Kapital diese Strömung zu geben, so daß es, statt daß es überall stockt, in die Blutzirkulation des sozialen Lebens hineinkomme. Alles das, was ich gesagt habe, ist gesagt als Illustration, sind nicht Dogmen, nicht utopische Begriffe, sondern ich wollte etwas anführen, was vielleicht durch die Assoziation geschehen wird.
Es kann vielleicht aber etwas ganz anderes geschehen. Derjenige, der lebensvoll denkt, setzt nicht Dogmen hin, die ausgeführt werden sollen, sondern rechnet mit Menschen, die aus ihrem Zusammenhang dasjenige herausbringen, was sozial ziel- und zweckvoll ist, wenn diese Menschen in der richtigen Weise in den sozialen Organismus hineingestellt sind. Überall ist gerechnet mit Menschen und nicht mit Dogmen.

en het aldus heeft aangewend terwijl hij persoonlijk bij dat proces betrokken bleef – zou ervoor zorgen dat het kapitaal overgaat naar de gemeenschap als geheel, vergelijkbaar met de manier waarop boeken tegenwoordig na dertig jaar in het publieke domein terechtkomen.
Ik heb dit niet naar voren gebracht als een utopisch standpunt; eerder suggereerde ik dat men er zo wellicht in zou kunnen slagen het
kapitaal zodanig te laten stromen dat het – in plaats van overal te stagneren –
in de bloedsomloop van het maatschappelijk leven terechtkomt. Alles wat ik
heb gezegd, was bedoeld als illustratie; het zijn geen dogma’s of utopische
concepten, maar voorbeelden van wat er door middel van associatie zou kunnen ontstaan.
Er kan echter ook iets heel anders gebeuren. Wie levend denkt, stelt geen dogma’s op die moeten worden uitgevoerd, maar vertrouwt erop dat mensen – vanuit hun eigen context – datgene voortbrengen wat maatschappelijk zinvol en doeltreffend is, mits zij op de juiste wijze in het maatschappelijk organisme zijn geplaatst. De nadruk ligt steeds op de mens, niet op dogma’s.

Aber ich habe es ja erleben müssen: Dasjenige, was eigentlich gemeint war mit den «Kernpunkten», ist gar nicht diskutiert worden. Dagegen haben die Leute gefragt: Wie wird man es dahin bringen, daß das Kapital sich nach so und so viel Jahren an den Fähigsten vererbt?
Und so weiter. Die Menschen wollen ja nichts Wirkliches, wollen nur Utopien. Das ist es aber, was gerade gegen die unbefangene Aufnahme eines solchen Impulses spricht, wie er in der Dreigliederung vorliegt.
Und so wird man sehen, wenn das juristisch-staatliche Leben in der richtigen Weise sich auswirken kann, daß dieses juristisch-staatliche Leben vor allen Dingen dann die Arbeit des Menschen einbezieht. Die Arbeit des Menschen steckt ja heute ganz im wirtschaftlichen Leben drinnen. Sie wird nicht behandelt als etwas, was von Mensch zu Mensch bestimmt wird. Ich habe etwa 1905 einen Aufsatz geschrieben über die soziale Frage, und habe da klarmachen wollen, daß unter unserer heutigen Arbeitsteilung Arbeit nur eine Ware wird, indem sie hineinfließt in den ganzen übrigen Organismus. Für uns selber hat in Wirklichkeit unsere Arbeit nur einen Scheinwert. Nur was die anderen für uns tun, hat einen Wert; während das, was wir tun, für die anderen einen Wert haben soll. Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat.

Toch moest ik het zelf vaststellen: juist datgene wat met de ‘kernpunten’ eigenlijk was beoogd, werd helemaal niet besproken. In plaats daarvan vroeg men: hoe kunnen we ervoor zorgen dat kapitaal na een bepaald aantal jaren overgaat op de meest bekwame personen? En dergelijke vragen meer. Men wil niets werkelijks; men wil slechts utopieën. En precies dat staat een open ontvangst in de weg van een impuls zoals die vervat ligt in de sociale driegeleding. Wanneer de rechts- en staatkundige sfeer op de juiste wijze tot werking komt, zal blijken dat deze sfeer bovenal de menselijke arbeid omvat. Tegenwoordig is menselijke arbeid volledig ingebed in het economisch leven; ze wordt niet behandeld als iets dat tussen mensen onderling wordt bepaald. Rond 1905 schreef ik een essay over de sociale kwestie, waarin ik duidelijk wilde maken dat arbeid – binnen onze huidige arbeidsverdeling – louter tot waar wordt wanneer deze in de rest van het sociale organisme vloeit. Voor ons persoonlijk heeft onze eigen arbeid eigenlijk slechts een schijnwaarde. Alleen wat anderen voor ons doen, heeft waarde – terwijl wat wij doen waarde zou moeten hebben voor anderen. Dat is iets wat de techniek reeds heeft bereikt.

Blz. 236

Das ist etwas, was die Technik schon erreicht hat. Nur sind wir mit unserer Moral noch nicht nachgekommen. Technisch, innerhalb der heutigen sozialen Ordnung, kann man nichts für sich machen, nicht einmal einen Rock. Sogar wenn man sich den Rock selber macht, so hat er einen solchen Preis, wie er ihn haben würde, wenn er innerhalb der ganzen sozialen Ordnung von einem anderen gemacht wird. Das heißt, was den Rock ins ökonomische hineinstellt, das ist universell, ist aus der Gemeinschaft heraus bestimmt. Es ist nur ein Scheingebilde, wenn man meint, der vom Schneider für sich selbst hergestellte Rock sei billiger. Man kann das ausrechnen mit Zahlen, da erscheint es billiger. Würde man es aber hineinstellen in eine Gesamtbilanz, so würde man sehen: Ebensowenig wie man aus seiner eigenen Haut herausfahren kann, ebensowenig kann man, indem man sich selber ein Kleidungsstück macht, das ökonomische ändern oder ausschalten. Auch das Kleidungsstück, das man für sich selbst gemacht hat, muß insgesamt bezahlt werden. Die Arbeit ist dasjenige, was der Mensch für den Menschen macht, die nicht darnach geordnet werden kann, wieviel Arbeitszeit man in der Fabrik braucht. Die Bewertung der Arbeit führt im eminentesten Sinne hinein in das Gebiet des Rechts, der staatlich-juristischen Ordnung.

Dit is iets wat de technologie al heeft bereikt; onze moraal is echter niet in hetzelfde tempo meegegroeid. Vanuit technisch oogpunt – en binnen het kader van de huidige maatschappelijke orde – kan je niets uitsluitend voor jezelf produceren, zelfs geen jas. Ook al maakt je de jas zelf, er hangt hetzelfde prijskaartje aan als wanneer deze door iemand anders binnen de bredere maatschappelijke orde zou zijn vervaardigd. Met andere woorden: de factor die de jas in de economische sfeer plaatst, is universeel; deze wordt bepaald door de gemeenschap als geheel. Het is een illusie te denken dat een jas die een kleermaker voor eigen gebruik maakt, goedkoper is. Je kan de kosten berekenen en het op papier goedkoper laten lijken; wie het echter in de context van een algehele balans bekijkt, ziet de waarheid: net zoals je niet uit je eigen vel kan stappen, kan je economische realiteiten niet veranderen of omzeilen door een kledingstuk voor jezelf te maken. Ook voor een kledingstuk dat voor persoonlijk gebruik is gemaakt, moet de volledige prijs worden betaald. Arbeid is wat de ene mens voor de andere verricht; dit laat zich niet simpelweg regelen door de hoeveelheid arbeidstijd die in een fabriek vereist is. De waardering van arbeid voert ons – in de meest wezenlijke zin – naar het domein van het recht en de rechtsorde van de staat.

Daß das nicht unzeitgemäß, sondern zeitgemäß ist, das können Sie daraus entnehmen, daß die Arbeit überall geschützt wird, gesichert wird und so weiter. Aber das sind alles nicht halbe, das sind Viertelsmaßregeln, die nur dann voll zur Geltung kommen können, wenn eine richtige Dreigliederung des sozialen Organismus da ist. Denn dann wird erst der Mensch dem Menschen gegenüberstehen und wird erst die Arbeit eine richtige Regelung finden, wenn Menschenwürde gegen Menschenwürde sprechen wird, aus dem heraus, für das alle Menschen kompetent sind.
Dann werden Sie sagen: Ja, da kann einmal nicht genügend Arbeit da sein, wenn auf diese Weise im demokratischen Staat dann die Arbeit bestimmt wird. Ja, da ist einer der Punkte, wo das Soziale hineinführt in das Allgemein-Historische, in die allgemeine Menschheitsentwickelung. Das wirtschaftliche Leben darf nicht die Arbeit bestimmen. Es muß eingeschlossen sein auf der einen Seite zwischen der Natur, auf der anderen Seite zwischen der staatlich festgesetzten Arbeit.

Dat dit niet losstaat van de tijdgeest, maar er juist mee in overeenstemming is, blijkt uit het feit dat arbeid overal wordt beschermd, gewaarborgd, enzovoort. Toch zijn dit geen halve, maar slechts kwartmaatregelen; ze kunnen pas werkelijk effectief worden als er sprake is van een daadwerkelijke driegeleding van het sociale organisme. Want pas dan zullen mensen werkelijk tegenover elkaar staan ​​en pas dan zal arbeid zijn juiste ordening vinden – wanneer menselijke waardigheid tot menselijke waardigheid spreekt, vanuit die sfeer waarin alle mensen competent zijn.
Je zou kunnen tegenwerpen: “Maar wat als er niet genoeg werk beschikbaar is wanneer arbeid op deze wijze binnen de democratische staat wordt bepaald?” Hier raken we aan een punt waarop de sociale kwestie overgaat in de bredere context van de geschiedenis en de algemene evolutie van de mensheid. Het economische leven mag niet de kracht zijn die de arbeid bepaalt; het moet zich veeleer situeren tussen de natuur enerzijds en de door de staat gereguleerde arbeid anderzijds.

Blz. 237

Geradesowenig wie ein Komitee jetzt bestimmen kann, wie viele Regentage
im Jahre 1923 da sein sollen, damit man richtig wirtschaften kann im Jahre 1923, wie man das hinnehmen und damit rechnen muß als einem Gegebenen, mit demjenigen, was die Natur gibt, so wird man auch im selbständigen wirtschaftlichen Organismus rechnen müssen mit dem Gegebenen als mit einer Arbeitsmenge, die innerhalb des staatlich-juristischen Organismus sich ergibt. Das kann ich nur im allgemeinen erwähnen als eine Charakteristik.
Im ökonomischen Glied des sozialen Organismus werden die Assoziationen dastehen, in denen werden Konsumenten und Produzenten und Händler in gleicher Weise aus ihren Lebenserfahrungen heraus ein assoziatives Urteil – nicht ein individuelles, das gar keine Bedeutung hat -, ein assoziatives Urteil abgeben. Das kann man heute nicht erreichen, wenn man die kleinen Ansätze nur verfolgt, welche da sind.
Daß diese kleinen Ansätze da sind, beweist, daß unbewußt in der Menschheit die Intention besteht, es so zu machen. Man gründet Genossenschaften, Gewerkschaften, alle möglichen Gemeinschaften. Gewiß, das bezeugt, daß der Drang da ist.

Zoals een commissie momenteel niet kan bepalen hoeveel regendagen er in 1923 moeten zijn om een ​​goed economisch beheer te waarborgen – en wij in plaats daarvan moeten aanvaarden en rekening moeten houden met wat de natuur als gegeven aanreikt – zo zullen wij ook binnen een autonoom economisch organisme rekening moeten houden met een gegeven factor: de hoeveelheid werk die binnen het staatsrechtelijke organisme ontstaat. Ik kan dit hier slechts in algemene termen, als kenmerkend aspect, aanstippen.
In de economische sfeer van het sociale organisme zullen verenigingen bestaan ​​waarin consumenten, producenten en handelaren – puttend uit hun levenservaring – gezamenlijk tot een associatief oordeel komen (en niet slechts tot een individueel oordeel, dat geen gewicht in de schaal legt). Dit kan vandaag de dag niet worden bereikt door simpelweg voort te bouwen op de kleinschalige initiatieven die reeds bestaan.
Het bestaan ​​van deze kleinschalige initiatieven bewijst dat er bij de mensheid een onbewust streven leeft om op deze wijze te werk te gaan. Er worden coöperaties, vakbonden en allerlei gemeenschappen opgericht; dit getuigt onmiskenbaar van het bestaan ​​van die impuls.

Aber wenn sie heute eine Genossenschaft gründen neben der übrigen sozialen Ordnung, so muß diese Genossenschaft entweder hineinwachsen in die übrige soziale Ordnung, gerade solche Preise haben, geradeso die Ware auf den Markt bringen, wie dies üblich ist, oder aber sie muß zugrunde gehen. Dasjenige, um
was es sich bei der Dreigliederung des sozialen Organismus handelt, ist nicht, aus einem utopistischen Gedanken heraus Wirklichkeiten zu schaffen, sondern das, was wirklich ist, anzufassen; diejenigen Institutionen, die gegenwärtig da sind, diejenigen, die konsumieren, die produzieren, der Unternehmer, das, was da ist selber ohne Neugründung, das soll in Assoziationen zusammengefaßt werden. Man soll gar nicht fragen; Wie gründet man neue Assoziationen? – Sondern; Wie faßt man die wirtschaftlichen Verbände, die wirtschaftlichen Institutionen, die da sind, in Assoziationen zusammen? – Dann wird vor
allen Dingen innerhalb dieser Assoziationen aus der wirtschaftlichen
Erfahrung heraus eines richtig erfolgen, woraus tatsächlich eine soziale Ordnung kommen kann – wie aus dem gesunden menschlichen 

Wanneer er echter vandaag de dag naast de bestaande maatschappelijke orde een coöperatie wordt opgericht, moet deze óf in die orde opgaan – door dezelfde prijsstructuren en marktpraktijken te hanteren als gebruikelijk zijn – óf ze is gedoemd te mislukken. Het doel van de drieledige sociale orde is niet om werkelijkheden te creëren op basis van een utopisch idee, maar om aan te sluiten bij wat reeds bestaat: de huidige instellingen – consumenten, producenten, ondernemers en de bestaande structuren zelf – dienen in associaties te worden georganiseerd. De vraag moet niet luiden: “Hoe richten we nieuwe associaties op?”, maar veeleer: “Hoe organiseren we bestaande economische lichamen en instellingen tot associaties?” Dan zal er binnen deze associaties – en geworteld in economische ervaring – een vitaal proces ontstaan ​​waaruit zich een ware sociale orde kan ontwikkelen 

Blz. 238

Organismus eben die menschliche Gesundheit kommt im menschlichen Leben-, eine ökonomische Zirkulation: Produktionsgeld, Leihgeld und Schenkungsgeld, Stiftung. Ohne daß diese drei Glieder darinnen sind, gibt es keinen sozialen Organismus. Man kann heute noch so viel wettern gegen die Stiftungen, Schenkungen, sie müssen da sein. Die Menschen machen sich nur etwas vor. Sie sagen sich: Ja, in einem gesunden sozialen Organismus gibt es keine Schenkungen. Aber sie zahlen ihre Steuern. Die Steuern sind ja nur der Umweg; denn darin sind die Schenkungen, die wir an die Schulen und so weiter abgeben, das sind die Schenkungen.
Die Menschen sollten aber eine solche soziale Ordnung haben, wo sie immer sehen, wie die Dinge laufen, und sich nicht etwas vormachen. Wenn sie das soziale Leben herauskriegen allmählich aus demjenigen, was jetzt konfundiert alles in sich enthält, dann werden sie, wie sie jetzt in dem gesunden menschlichen Organismus das Blut laufen sehen, so das Geld laufen sehen als Produktionsgeld, Leihgeld, Schenkungsgeld.

net zoals menselijke gezondheid voortkomt uit een gezond menselijk organisme: een economische kringloop die bestaat uit productiekapitaal, leenkapitaal en schenkings- of stichtingskapitaal. Zonder de aanwezigheid van deze drie geledingen bestaat er geen sociaal organisme. Men kan vandaag de dag nog zo fel afgeven op schenkingen en giften, maar ze zijn onontbeerlijk. Men houdt zichzelf slechts voor de gek. Men zegt tegen zichzelf: “In een gezond sociaal organisme bestaan ​​geen giften.” Toch betaalt men belasting. Belastingen zijn slechts een omweg; de giften die we aan scholen en dergelijke doen – dát zijn de werkelijke giften.
Men zou moeten streven naar een maatschappelijke orde waarin men steeds kan zien hoe de processen verlopen, in plaats van zichzelf iets wijs te maken. Als men het maatschappelijk leven geleidelijk losmaakt uit de huidige verwarring – waarin alles door elkaar loopt – dan zal men, net zoals men nu het bloed ziet circuleren in het gezonde menselijk organisme, het geld zien circuleren als productiekapitaal, leenkapitaal en schenkingskapitaal.

Und sie werden sehen, wie mit dem Menschen zusammenhängt auf der einen Seite im Handels-, Zirkulations-, Produktions- und Erwerbsgeld dasjenige Geld, das angelegt wird, damit es auf dem Wege des Leihens, indem es verzinst wird, wiederum in die Produktion übergeht, und auf der anderen Seite das Schenkgeld, das zufließen muß dem, was freies Geistesleben ist.
So nur können die Menschen am sozialen Geschehen teilnehmen, daß jeder in der freien Assoziation sieht: So läuft das Leben – dann kann Gesundheit hineinkommen in den sozialen Organismus. Dieser Dreigliederungsidee gegenüber ist alles abstrakte Denken verpönt. Da gibt es nur lebendiges Denken.
Aber wir haben ja heute auch im ökonomischen nicht mehr lebendiges Denken. Wir haben überall abstraktes Denken. Denn wo lebt denn die heutige Ökonomie? Wie hat sie begonnen, als sie sich herausgearbeitet hat aus der Zeit, wo man noch irgendeinen schmutzigen Fetzen Papier genommen hat und sich seine Einnahmen und Ausgaben aufgeschrieben hat. Als die Sache komplizierter geworden ist, da nahm man dafür diejenigen, die im Priestertum waren, die Kleriker; die wurden die Schreiber.

En mensen zullen het verband gaan zien tussen de mens en – enerzijds – het geld dat een rol speelt in handel, circulatie, productie en verwerving (geld dat wordt geïnvesteerd om via leningen en renteopbrengst weer in de productie terug te vloeien), en – anderzijds – het geld dat als gift wordt gegeven en dat naar het domein van het vrije geestesleven moet stromen.
Alleen op die manier kunnen mensen deelnemen aan maatschappelijke processen – waarbij iedereen binnen vrije associaties ziet hoe het leven zich werkelijk voltrekt; alleen dan kan er gezondheid in het sociale organisme komen. Wat dit idee van de sociale driegeleding betreft, is abstract denken misplaatst; er is alleen ruimte voor levend denken.
Toch beschikken we tegenwoordig, zelfs in de economische sfeer, niet meer over levend denken; overal overheerst het abstracte denken. Want waar leeft de hedendaagse economie eigenlijk? Hoe is ze ontstaan, toen ze voortkwam uit het tijdperk waarin men simpelweg een vuil stukje papier nam om inkomsten en uitgaven te noteren? Naarmate de zaken complexer werden, wendde men zich tot leden van de priesterstand – de geestelijkheid – om als schrijver op te treden.

Blz. 239

Die leiteten nun von ihren Kenntnissen aus dasjenige, was sie verstanden von dem äußeren Leben. Heute – wer ist der Nachfolger des Klerikers, des Schreibers, der aus der Kirche heraus genommen wurde, um die Ökonomie des Fürsten zu registrieren? Das ist der Buchhalter. Der Buchhalter, er hat in seinem Kassabuch, in seinem Hauptbuch nur noch eine ganz kleine Erinnerung daran, die auch nur noch in wenigen Gegenden vorhanden ist. Wenn man aufschlägt die erste Seite – ich weiß nicht, ob es hier auch noch so ist – da steht: «Mit Gott.» Solche Buchhaltungsbücher gibt es in gewissen Gegenden. «Mit Gott» steht da. Es erinnert noch an alte Zeiten. Wenn man weiterblättert, da findet man wenig, was «mit Gott» ist. Nun, da ist hinein abstrahiert alles dasjenige, was aber volles Leben sein muß, was in den Assoziationen als Leben dastehen muß, was nicht in die Bücher hineinkommen kann.
Und so handelt es sich bei der Dreigliederung wirklich nicht darum, wiederum in alter Weise, diese Begriffe, die wir haben: Geistesleben, Staatsleben, wirtschaftliches Leben so herumzukollern, und ein bißel anders herumzukollern, als man es in der jüngsten Zeit versucht hat, herumzukollern; sondern es handelt sich darum, überhaupt einmal den Begriff des Organismus zu erfassen, und dasjenige, was allmählich so ungeheuer stark hineingedrängt hat in das Abstrakte, wiederum zum Leben zurückzuführen.

Uit hun kennis putten zij hun inzicht in het uiterlijke leven. Wie is tegenwoordig de opvolger van de geestelijke, de schrijver die vanuit de kerk werd aangesteld om de financiën van de vorst bij te houden? Dat is de boekhouder. In zijn kasboek of grootboek bewaart de boekhouder slechts een vage herinnering hieraan – iets dat nog maar in enkele regio’s voortbestaat. Als men de eerste bladzijde openslaat – ik weet niet of dat hier nog steeds het geval is – treft men het opschrift aan: “Met God”. Dergelijke boeken bestaan ​​in bepaalde streken; er staat “Met God” in geschreven. Het is een overblijfsel uit vervlogen tijden. Toch vindt men bij het doorbladeren weinig dat getuigt van dat “met God”. In die boeken is alles geabstraheerd wat eigenlijk volle, levende werkelijkheid zou moeten zijn – elementen die als levende krachten binnen de gemeenschappen zouden moeten bestaan, maar die niet in boekhoudkundige registers kunnen worden vastgelegd. De sociale driegeleding is dan ook niet louter een kwestie van het op de oude manier jongleren met de begrippen waarover we beschikken – geestelijk leven, politiek leven en economisch leven – of van het op een iets andere wijze herschikken ervan dan de laatste tijd is geprobeerd. Het gaat er veeleer om het begrip ‘organisme’ werkelijk te doorgronden en datgene weer tot leven te wekken wat zo krachtig in de sfeer van de abstractie is gedrongen.

In diesem Zurückführen zum Leben liegt dasjenige, worauf es ankommt. Denn in den Assoziationen des Wirtschaftslebens werden alle sitzen; auch die Vertreter des geistigen Lebens werden drinnensitzen, denn sie essen. Es werden die Staatsvertreter drinnensitzen. Und umgekehrt werden in den anderen Gliedern alle drinnen sein.
Dann aber ist etwas die notwendige Folge, was die Leute furchtbar schockiert, wenn man in der Gegenwart davon spricht – natürlich setzt man manchmal etwas Paradoxes hin, um die Sache genauer zu charakterisieren. Ich habe einmal einem Industriellen, der ein ausgezeichneter Mensch auf seinem Gebiete ist, gesagt: Wir werden erst recht ins Leben hineinkommen, wenn Sie in der Fabrik einen Menschen haben, der sich ins volle Leben der Fabrik hineinstellt, der mit seinem ganzen Wesen dadrinnen steht; dann kommt irgendeine Hochschule, eine technische Hochschule, die nimmt sich diesen Menschen aus der Fabrik heraus, nicht den, der gerade zubereitet ist, sondern diesen aus dem Leben heraus nimmt sie.

In deze terugkeer naar het werkelijke leven ligt de kern van de zaak. Iedereen zal immers deelnemen aan de associaties van het economische leven; ook vertegenwoordigers uit het domein van het geestelijke en culturele leven zullen daaraan meedoen – zij moeten immers ook eten. Ook vertegenwoordigers van de staat zullen deelnemen. En omgekeerd zal iedereen betrokken zijn bij de andere domeinen.
Dit brengt echter een noodzakelijk gevolg met zich mee – een gevolg dat mensen diep schokt wanneer het vandaag de dag ter sprake komt (hoewel men natuurlijk soms iets paradoxaals poneert om de zaak nauwkeuriger te typeren). Ik zei ooit tegen een industrieel – een uitstekend man in zijn vakgebied – dat we pas werkelijk het echte leven zouden binnengaan wanneer er binnen de fabriek iemand zou zijn die zich volledig in het fabrieksleven onderdompelde, die er met zijn hele wezen middenin stond; en wanneer vervolgens een instelling voor hoger onderwijs – een technische hogeschool – deze persoon uit de fabriek zou halen: niet iemand die slechts op die rol was ‘voorbereid’, maar iemand die rechtstreeks uit het midden van het werkelijke leven was gehaald.

Blz. 240

Sie stellt ihn hin, damit er nun fünf oder zehn Jahre dasjenige den Jungen oder Mädchen zu sagen hat, was zu sagen ist aus dem Leben. Dann, wenn das ein bißchen altbacken geworden ist, mag er wieder zurückgehen in die Fabrik. – Es wird das Leben kompliziert, aber das fordert die Zeit, das läßt sich nicht anders
machen.
Geradeso wie immer neues Leben die soziale Ordnung durchströmen wird, oder die soziale Ordnung wird in die Dekadenz kommen, so muß man sagen: Entweder muß der Mensch wirklich Mensch werden, das heißt, er muß mit seinen Fähigkeiten zirkulieren können im sozialen Organismus, oder wir kommen in die Dekadenz hinein. Man kann ja die Dekadenz wählen, wenn man will, wenn man auf dem alten Standpunkt stehenbleiben will; aber Stehenbleiben, das läßt uns eben die Evolution nicht. Das ist es, auf was es ankommt.

Hij wordt daar geplaatst zodat hij gedurende vijf of tien jaar aan de jongens of meisjes kan overbrengen wat er over het leven gezegd moet worden. Wanneer die rol vervolgens wat sleets is geworden, kan hij naar de fabriek terugkeren. Het leven wordt ingewikkeld, maar de tijd vereist het; er is geen andere weg.
Zoals er voortdurend nieuw leven door de maatschappelijke orde moet stromen – wil die orde niet in verval raken – zo moeten we zeggen: de mens moet werkelijk mens worden – dat wil zeggen: hij moet in staat zijn om met behulp van zijn vermogens binnen het maatschappelijk organisme te circuleren – of we zullen in verval raken. Men kan natuurlijk voor verval kiezen als men wil vasthouden aan het oude standpunt, maar de evolutie staat nu eenmaal niet toe dat we stilstaan. Dat is het cruciale punt.

Abschließend möchte ich sagen: Ich konnte mehr in einem Gefühle entwickeln, was von dem Gesichtspunkte aus, von dem ich hier sprach, zu sagen war. Dieser Gesichtspunkt soll nicht in einseitiger Weise als ein spiritueller aufgefaßt werden, sondern spirituell nennt er sich nur deshalb, weil er aus dem Geiste des Lebens heraus sein will. So konnte ich mehr nach dem Gefühl den Impuls nur charakterisieren, der ja leben soll durch diese soziale Idee. Mehr kann man nicht in drei Vorträgen.
Aber, meine Damen und Herren, daß ich dieses konnte und durfte hier, das ist dasjenige, wofür ich Ihnen jetzt, wo ich diese Vorträge abschließen werde, auf das allerherzlichste danke. Ich empfinde diesen Dank wirklich im tiefsten Herzen in erster Linie gegenüber Mrs. Mackenzie an der Spitze dieses Komitees, ohne deren Bemühungen die ganze Oxforder Unternehmung unmöglich hätte zustande kommen können. In erster Linie sei Mrs. Mackenzie der aufrichtigste, herzlichste Dank ausgesprochen, und dann dem ganzen Komitee, das ihr hilfreich zur Seite gestanden hat. Insbesondere danke ich auch dafür, daß dasjenige, was wir durften einordnen als Künstlerisches dem Streben, das wir von Dornach aus in die Welt hineinschicken möchten, daß auch das Eurythmisch-Künstlerische in konkreter Art hat hier zur Geltung kommen dürfen in Oxford während dieses Meetings.

Tot slot wil ik zeggen dat ik – meer vanuit een aanvoelen van de zaak – heb kunnen overbrengen wat er vanuit het hier geschetste perspectief gezegd moest worden. Dit perspectief mag niet eenzijdig als louter ‘spiritueel’ worden beschouwd; het wordt slechts zo genoemd omdat het wil voortkomen uit de levensgeest zelf. Zo heb ik – vooral door middel van het gevoel – de impuls kunnen typeren die door dit sociale idee tot leven moet komen. Meer kan men in drie lezingen niet doen.
Toch, dames en heren, ben ik u zeer dankbaar dat ik dit hier heb mogen doen, nu ik deze lezingenreeks afsluit. Ik voel deze dankbaarheid diep in mijn hart – allereerst jegens mevrouw Mackenzie, de voorzitster van deze commissie; zonder haar inzet had het hele initiatief in Oxford onmogelijk kunnen plaatsvinden. Mijn oprechte, diepgevoelde dank gaat in de eerste plaats uit naar mevrouw Mackenzie en vervolgens naar de gehele commissie die haar zo kundig heeft bijgestaan. Ik ben ook bijzonder dankbaar dat het artistieke element – ​​dat wij willen integreren in de strevingen die wij vanuit Dornach de wereld in sturen – hier in Oxford tijdens deze bijeenkomst concrete gestalte heeft kunnen krijgen, met name door de kunst van de euritmie.

Blz. 241

Dafür allen denjenigen, die sich dafür Verdienste erworben haben, herzlichsten Dank!
Sie werden fühlen, daß dieser Dank ein ernster sein muß, wenn ich Ihnen sage, daß ja doch das Goetheanum in Dornach hingestellt worden ist als ein Ausgangspunkt für dasjenige, was erst real wird, wenn solche Dinge geschehen, wie sie jetzt hier in Oxford geschehen sind. Und daß das Verständnis und gute Herzen braucht, das werden Sie aus dem ersehen können, was ich nicht als Anspielung sage, wirklich nicht, aber erwähnen doch möchte, daß wir wohl werden im November unseren Bau unterbrechen müssen, nicht werden fortsetzen können, weil wir nicht die nötigen Geldmittel haben. Wir glauben aber, daß sie noch in der Welt vorhanden wären, und daß also auch da irgendwo etwas stockt.
Wenn die Sachen so weitergehen, wie sie im richtiggehenden sozialen Organismus weitergehen würden, dann – aber das ist etwas, was uns in Dornach gerade mit der allergrößten Sorge bedrückt, daß dieses
Werk unternommen wurde und durch die Ungunst der Zeitverhältnisse, wenn nicht zur rechten Zeit sich Verständnis für die Fortsetzung findet, unterbrochen werden müßte. Ich will das aus dem Grunde erwähnen, damit Sie sehen, wie herzlich der Dank gemeint ist, den ich Ihnen hier ausspreche

Mijn oprechte dank gaat uit naar allen die zich op dit vlak verdienstelijk hebben gemaakt!
U zult aanvoelen dat deze dankbetuiging diep gemeend is wanneer ik u vertel dat het Goetheanum in Dornach werd opgericht als uitgangspunt voor iets dat pas werkelijkheid wordt wanneer er gebeurtenissen plaatsvinden zoals die welke hier in Oxford zojuist hebben plaatsgehad.
En u zult beseffen dat hiervoor begrip en welwillendheid nodig zijn – niet slechts als een toespeling, zeker niet, maar als een feit dat ik moet noemen – wanneer ik zeg dat we de bouw in november waarschijnlijk zullen moeten stilleggen, niet in staat om verder te gaan, simpelweg omdat de nodige middelen ontbreken.
Toch geloven wij dat de middelen wel degelijk in de wereld aanwezig zijn, en dat er ergens een blokkade in de loop der dingen zit.
Als de zaken zouden verlopen zoals in een werkelijk gezond sociaal organisme, dan – maar het baart ons in Dornach grote zorgen dat dit werk ter hand is genomen, om vervolgens het risico te lopen te worden onderbroken door ongunstige omstandigheden – tenzij er tijdig begrip voor de voortzetting ervan wordt gevonden. Ik vermeld dit opdat u kunt zien hoe oprecht de dank is die ik
hier aan u uitspreek.

Wenn ich den Versuch gemacht habe, auf der einen Seite das Erziehungsmäßige auseinanderzusetzen, auf der anderen Seite das Soziale, so möchte ich doch darauf aufmerksam machen, daß das von Dornach aus gepflegt werden soll als ein Universelles. Zunächst ist ja vom Weltanschauungs-, vom Erkenntnisstandpunkte ausgegangen worden, als die anthroposophische Bewegung gegründet worden ist. Und erst als Menschen gesehen haben und gefühlt haben in unserer Zeit aus dem, was in unserer Zeit an Niedergangskräften lebt, daß in erzieherischer Weise und auch in sozialer Weise etwas geschehen muß, da sind die Menschen herangekommen an mich mit der Frage: Was hat Anthroposophie zu sagen für Schulgründungen, die mit dem vollen Leben rechnen, mit einer Zukunft, die aus den tieferen Menschenkräften hervorgeht? Denn aus der Oberfläche der Menschenkräfte läßt sich für die Zukunft zunächst nichts gewinnen.

Hoewel ik heb geprobeerd enerzijds op het pedagogische en anderzijds op het sociale aspect in te gaan, wil ik benadrukken dat dit werk vanuit Dornach als iets universeels tot ontwikkeling moet komen. Bij de oprichting van de antroposofische beweging vormde immers een op wereldbeschouwing en kennis gebaseerd perspectief het uitgangspunt. Pas toen men in onze tijd – de krachten van verval waarnemend – besefte en aanvoelde dat er zowel op pedagogisch als op sociaal vlak gehandeld moest worden, wendde men zich tot mij met de vraag: wat heeft de antroposofie te bieden voor de oprichting van scholen die zich verhouden tot het leven in zijn volle omvang – tot een toekomst die voortkomt uit de diepere krachten van de mens? Want vanuit het oppervlakkige niveau van menselijke krachten alleen valt er voor de toekomst niets te winnen.

Blz. 242

Nicht aus irgendeiner Schrulle heraus, auch nicht aus einer abstrakten Idee ist die erzieherische Strömung entstanden, sondern weil Menschen gekommen sind, die an die Anthroposophie diese Frage gestellt haben, die wissen wollten, was Anthroposophie da zu sagen habe aus dem Leben heraus, nicht aus einer sektiererischen Bestrebung.
Und in noch höherem Maße war das der Fall mit der sozialen Frage.
Auch da sind Menschen, denen das Herz brach über dasjenige, was in der Gegenwart in den Niedergang hineinführt, gekommen und wollten wissen, was anthroposophische Erkenntnis an wirklichem Eindringen in die Realität zu sagen hat über Impulse, die von der Gegenwart in die Zukunft hineingeschickt werden sollen.
Daß ich hier Verständnis dafür fand, dafür sage ich am Schlüsse meinen herzlichsten Dank, indem ich noch betone, daß dasjenige, was gerade so gesagt werden muß, darauf angewiesen ist, daß es aufgenommen wird in das volle Leben, daß es aus dem College hinauswirkt in die Welt, wo die Menschen stehen, daß es also nicht antiquarische Wissenschaft sei, sondern daß gerade in den Stätten des geistigen Lebens die Impulse entstehen, die bewirken, daß auch in den Fabriken die richtigen Menschen stehen, die gerade das Kapital verwalten, von denen Leben ausgeht.

Deze onderwijsbeweging is niet voortgekomen uit een loutere gril of een abstract idee; ze ontstond veeleer doordat mensen met een vraag naar de antroposofie kwamen – gedreven door de realiteit van het leven zelf, en niet door een sektarische agenda – en wilden weten wat de antroposofie over deze kwestie te zeggen had.
Hetzelfde gold, en wel in nog sterkere mate, voor de sociale kwestie.
Ook daar kwamen mensen wier hart gebroken was door de krachten van verval die in het heden werkzaam zijn; zij wilden weten wat antroposofisch inzicht – vanuit een oprechte betrokkenheid bij de werkelijkheid – kon bieden met betrekking tot de impulsen die vanuit het heden naar de toekomst toe moeten worden uitgedragen.
Tot slot wil ik mijn oprechte dank uitspreken voor het begrip dat ik hier heb mogen ervaren, en daarbij benadrukken dat ideeën die op deze wijze verwoord moeten worden, afhankelijk zijn van hun opname in de volle breedte van het leven; ze moeten vanuit het College uitstralen naar de wereld waarin mensen daadwerkelijk staan. Ze mogen geen louter antiquarische geleerdheid blijven; juist vanuit deze centra van geestelijk leven moeten de impulsen voortkomen die ervoor zorgen dat in onze fabrieken de juiste mensen worden gevonden – mensen die kapitaal beheren op een wijze die het leven bevordert.

Daß das charakterisiert wurde mit Beispielen, die sich darbieten, wird man mir nicht übelnehmen, wenn ich auf der anderen Seite wiederhole, was ich schon mehrmals gesagt habe, daß es mir mit ein ganz besonderes beglückendes Gefühl war, diese Impulse hier in Oxford auseinandersetzen zu können, wo jeder Schritt
auf die Straße inspirierend wirkt aus dem ehrwürdigen Alter heraus, wo das ganz besonders wirkt, was derjenige braucht, der aus dem Geiste heraus sprechen will.
In älteren Zeiten war nicht der Geist lebendig, der heute lebendig werden muß, und der in die Zukunft hinein wirken soll, aber es war Geist lebendig. Und dieser Geist kann inspirierend wirken. Deshalb war es mir auch tief befriedigend, gerade hier unter dem Eindruck des Altehrwürdigen, des Verehrungswürdigen in Oxford diese Vorträge halten und diese Anregungen geben zu dürfen.
Ich muß zum Schluß noch einen Dank aussprechen. Sie werden alle verstehen, daß ich außerordentlich dankbar bin Mr. Kaufmann, der mit großer Liebe hier die Übersetzungen geleistet hat.

U zult het mij niet kwalijk nemen als ik, na deze kwestie te hebben toegelicht aan de hand van voorbeelden die zich als vanzelf opdringen, nogmaals herhaal wat ik al vaker heb gezegd: dat het mij een heel bijzonder en bevredigend gevoel gaf om hier in Oxford – een plaats waar elke stap op straat inspireert door de eerbiedwaardige ouderdom en waar de sfeer een unieke kracht bezit voor wie vanuit de geest wil spreken – uiteenzettingen te mogen geven over deze impulsen.
In vroeger tijden was de geest die vandaag tot leven moet komen – en die bestemd is om in de toekomst door te werken – nog niet actief; toch was er destijds wel een geest werkzaam, en die geest kan als inspiratiebron dienen. Daarom heb ik het als zeer vervullend ervaren om hier, te midden van de indrukwekkende, eerbiedwaardige sfeer van Oxford, deze voordrachten te mogen houden en deze ideeën te mogen uiteenzetten.
Tot slot wil ik nog een dank uitspreken. U zult begrijpen dat ik de heer Kaufmann buitengewoon dankbaar ben, die hier met zoveel toewijding voor de vertalingen heeft gezorgd.

Blz. 243

Wenn man weiß, wieviel Mühe die Übersetzung verhältnismäßig schwieriger Dinge macht, wieviel das von den Kräften des Menschen auch in kurzer Zeit
wegnehmen kann, dann weiß man zu würdigen, welche Arbeit gerade
Mr. Kaufmann in den letzten Wochen in Oxford für diese Holiday Konferenz geleistet hat. Ich spreche ihm hier, und hoffentlich tun das auch noch viele, diesen Dank aus, und bitte, daß er mir diesen letzten Ubersetzerdienst noch tut, und dasjenige, was ich eben hier gesagt habe, auch so treu und wörtlich noch übersetzt, wie er das vorige übersetzt hat.

Wie weet hoeveel inspanning het vertalen van relatief complexe teksten vergt – en hoeveel energie dat kan kosten, zelfs in korte tijd – leert het werk waarderen dat de heer Kaufmann de afgelopen weken in Oxford voor deze vakantieconferentie heeft verricht. Ik wil hem hierbij mijn dank betuigen – zoals ik hoop dat velen anderen dat ook zullen doen – en ik verzoek hem deze laatste vertaaldienst voor mij te verlenen: datgene wat ik zojuist heb gezegd net zo getrouw en letterlijk te vertalen als hij de voorgaande opmerkingen heeft vertaald.
GA 305/223-243  
Voordracht 1 t/m 9 vertaald.    Voordracht 10      voordracht 11
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Rudolf Steiner over pedagogievindplaatsen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3597-3390

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Save the Dates: Vooruitblik naar het najaar!
Nieuwe voordrachten, workshops en ontmoetingen

Kom alvast in de stemming met onze najaarsprogrammering

De zomer is aangebroken, maar achter de schermen kijken we alweer vol inspiratie vooruit naar de komende maanden. Heb je op dit moment de mogelijkheid? Pak dan je agenda erbij en prik deze data meteen vast. Maar lig je nu lekker in de hangmat en heb je geen pen bij de hand? Geen enkel probleem: wij onthouden het voor je! Later in  augustus en nog een keer in september sturen we gewoon weer een verse update.
Voor de snelle planners onder ons — zet deze prachtige activiteiten er alvast in:
Freeman Festival
20 t/m 23 augustus: Freeman Festival
De Nationale Vertelschool verzorgt voor dit festival het theatergeluid, licht en de heerlijkste koffies met haar barista! Baarlo Noord-Limburg
Website »
Vertelworkshops
11 september: De mooiste vertelworkshops
Rijksmonument de Kasbah, Hengelo Ov.
Lees meer »
Landelijke sprookjesdag
3 oktober: Landelijke sprookjesdag
De man in alle kleuren (Arnhem)
Lees meer »
Jaartraining Drenthe
9 oktober: Jaartraining Drenthe
De inwijdingsweg in de 21e eeuw
Lees meer »
Filosofie van de Vrijheid
24 sep. – 12 nov.   Filosofie vd Vrijheid
Verder verdiepen (Vorden / Zutphen)
Lees meer »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Actueel: Rudolf Steiner over de 1e klas

.

Rudolf Steiner over de 1e klas

.

VRIJESCHOOL – Emil Molt

.
.

Tussen fabriek en pedagogiek

Emil Molt was naar buiten gericht en onwankelbaar overtuigd van de kracht van het spirituele. Gedreven door een moedige intuïtie maakte hij in 1919 de oprichting van de eerste vrijeschool mogelijk, dankzij een bijzondere samenwerking tussen het personeel en de ondernemer. Op 14 april j.l. was het 150 jaar geleden dat hij werd geboren.

Een van de opmerkelijke aspecten van de sociale constellatie die leidde tot de oprichting van de Waldorfschool in 1919, is enerzijds het dringende verzoek om een ​​nieuwe school van de kant van de arbeiders van een sigarettenfabriek, en anderzijds de onafhankelijke, parallelle stappen die voorafgaand daaraan waren gezet door de Stuttgartse ondernemer Emil Molt, die al maandenlang toewerkte naar de oprichting van een dergelijke school. Het is historisch uniek dat de basis voor de oprichting van een school – geworteld in een bijzondere sociale wisselwerking tussen het personeel en de ondernemer – in de eerste plaats gelegen was in een bedrijfsmatige onderneming.

De markante persoonlijkheid van Emil Molt kwam tot uiting in zijn indrukwekkende verschijning: “De kleine, gedrongen, gezette gestalte met een fraai gevormd, groot en kaal hoofd verraadde een man met een sterke wil. Zijn kleine blauwe ogen waren levendig en straalden een intelligente, doordringende en energieke blik uit. Zijn grote mond met dunne lippen en een krachtige kin gaven zijn zeer innemende gezicht een markant karakter.” [1]

Zijn positie binnen de kring van antroposofen van zijn tijd was net zo uniek als zijn verschijning. Hij bouwde niet alleen een bloeiend bedrijf met honderden werknemers op en leidde dit, maar was ook – zowel persoonlijk als maatschappelijk – diep geworteld in zakenkringen die tot ver buiten Stuttgart reikten; hij kende politici en alle prominente figuren uit het toenmalige openbare leven. Hij deelde hun zorgen en vreugden, sprak hun taal, was sociaal vaardig en maakte wezenlijk deel uit van hun wereld. Hij ging om met schrijvers en kunstenaars en nodigde hen vaak bij zich thuis uit. Een bijzondere vriendschap verbond hem met Hermann Hesse, een vriend uit zijn kindertijd in Calw. “Molt is die vermogende vriend bij wie ik […] te gast was en van wie ik in zekere mate afhankelijk ben vanwege leningen, terwijl hij mij erkent als intellectueel en kunstenaar […].” [2]
Molt had Hesse graag in Stuttgart gezien om hem te winnen voor steun aan zijn activiteiten aldaar.

Tegelijkertijd koesterde Molt, als antroposoof, een onwankelbaar en compromisloos geloof in de werkzaamheid van de spirituele wereld. Voor hem was kennis van deze spirituele wereld onlosmakelijk verbonden met de vraag hoe zijn eigen handelen – en zijn zelfbeeld als dienaar van deze impulsen – het mogelijk konden maken dat spirituele impulsen zich zouden manifesteren. Rudolf Steiner merkte bij diverse gelegenheden dankbaar op dat deze houding van Molt het voor hogere spirituele krachten mogelijk maakte om zich te verbinden met de oprichting van de school.[3]

Molt was in 1900 voor het eerst met de antroposofie en Rudolf Steiner in aanraking gekomen via de ondernemer José del Monte uit Stuttgart. Hij voelde zich bijzonder sterk verbonden met de antroposofen Adolf Arenson en Carl Unger uit Stuttgart. Hij beschouwde hun voortdurende, intensieve en buitengewoon gedegen spirituele arbeid als een onmisbaar fundament voor het succes van de praktische activiteiten in Stuttgart. “Er loopt een directe lijn van dit werk naar het feit dat juist in Stuttgart al in 1911 het eerste afdelingscentrum kon worden opgericht, gevolgd door de Waldorfschool en de beweging voor de sociale driegeleding in 1919. Het is zeker veelzeggend dat er zoveel actieve zakenmensen samenkwamen in de plaatselijke afdeling aldaar.” [4]

Evenzeer van belang voor de succesvolle oprichting van de Waldorfschool was het feit dat Molt de twee pionierende Waldorfleerkrachten al jaren kende uit antroposofische kringen. In 1909 maakte Molt deel uit van de groep mensen die aanwezig was bij de ceremoniële inwijding van het modelgebouw in Malsch, een project dat was gerealiseerd door de 21-jarige Karl Stockmeyer. Enkele maanden daarvoor was hij ook aanwezig geweest toen Herbert Hahn – destijds pas 18 jaar oud – Rudolf Steiner voor het eerst hoorde spreken in Heidelberg.

Moedige intuïtie

Hoewel hij zichzelf in de eerste plaats als zakenman zag, baseerde hij de belangrijkste beslissingen in zijn leven niet op kleingeestige financiële berekeningen; in plaats daarvan handelde hij vrijgevig, geleid door een moedige intuïtie die in spiritualiteit geworteld was. “De afdelingshoofden en adjunct-directeuren van de fabriek tikten veelbetekenend tegen hun voorhoofd wanneer ze – bij afwezigheid van de baas – spraken over zijn visionaire plannen om een ​​school op te richten. Ik kan niet tellen hoe vaak ik dat gebaar destijds heb gezien.” [5]

Toch werd de gedurfde koers van Molt uiteindelijk met succes bekroond. Hij stelde aanzienlijke bedragen uit zijn privévermogen ter beschikking voor antroposofische initiatieven, wendde kapitaalopbrengsten uit zijn fabriek aan voor spirituele doeleinden en wist – dankzij zijn uitgebreide netwerk – ook financiering uit andere bronnen te verwerven. Hij beheerde enorme bedragen met persoonlijke bescheidenheid en een sterk besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid. In zijn fabriek stond hij bekend als “Vader Molt”; op school werd hij “Schoolvader” en “Beschermheer” genoemd; voor het Eerste Goetheanum trad hij op als de door Rudolf Steiner aangestelde beheerder; en hij vervulde leidinggevende functies bij de naamloze vennootschappen “Der Kommende Tag” in Stuttgart en “Futurum” in Zwitserland. Hij zag zijn rol als die van een schakel naar de “buitenwereld” en als facilitator bij het realiseren van antroposofisch geïnspireerde projecten.

“Men had de indruk dat een deel van zijn ziel – net als in een intense dagdroom – verdiept was in belangrijke plannen en fundamentele overwegingen.” [6]

Hij droeg de last van de verantwoordelijkheid moedig, maar moest talloze persoonlijke conflicten doorstaan ​​en lange tijd machteloos toezien hoe de ondernemingen economisch achteruitgingen. Gezien zijn cholerische temperament vormde het beoefenen van de deugd van vertrouwen in sociale contacten – iets waartoe Rudolf Steiner hem bijzonder had aangespoord – een bijzondere uitdaging. Tot aan het einde van zijn leven hield hij zich intensief bezig met het mislukken van de beweging voor sociale vernieuwing en zijn eigen rol daarin; er bestaan ​​talrijke, voorheen ongepubliceerde manuscripten van zijn hand over dit onderwerp.

De oprichting en bloei van de school vormden het absolute hoogtepunt van zijn levensverhaal. [7] De school vervulde het hart van een man die altijd bereid was te geven. Hij had alles – tot het uiterste toe – over voor de school, de leraren en de leerlingen; en als hij niets meer te geven had, bood hij op zijn minst dozen vol Waldorf-Astoriasigaretten aan.

Aan het einde van het eerste schooljaar, toen het lerarenkorps zijn dominante rol binnen de school probeerde in te dammen en hem degradeerde tot ‘adviseur financiële zaken’, was hij diep gekwetst – zozeer zelfs dat Rudolf Steiner als bemiddelaar moest ingrijpen. Zijn vrouw Berta – ‘de ziel van zijn leven’ – deelde in alle vreugdevolle en moeilijke momenten en steunde hem onvoorwaardelijk; zelf maakte ze deel uit van het lerarenkorps als lerares handwerken. Zijn zoon Walter bracht hem regelmatig in gênante situaties – en niet alleen door ijverig sigaretten uit te delen aan zijn klasgenoten. In de tiende klas besloot Walter van school te gaan, een stap die zijn vader onbegrijpelijk vond.

Onbevreesd stond hij in de voorste linie bij de verdediging tegen aanvallen op Rudolf Steiner – zoals de campagne onder leiding van generaal-majoor Gerold von Gleich. Al in december 1919(!) schreef Dietrich Eckart – de sinistere, inspirerende figuur achter Adolf Hitler – kritisch over Molt en de oprichting van de school:

“Wat een heksensabbat is dit! Er opent zich een wereld die de rillingen over de rug doet lopen. De goede ‘schoolvader’! Als hij nog lang doorgaat met deze ‘Steiner-affaire’, vrees ik dat hij op een broeierige zomernacht door de lucht naar de Brocken zal zoeven, met de ‘dokter in de zwarte kunsten’ aan zijn zijde.” [8]

Slechts vier maanden voor zijn dood, toen hij voorzitter was van de schoolvereniging, voerde hij een gesprek met Leo Tölke – vertegenwoordiger van de nationaal-socialistische ouderengroep aan de Freie Waldorfschule Uhlandshöhe – over de opheffing van de vereniging. Hij stelde:

“Je kunt niet zomaar beweren dat de Waldorfschoolvereniging een organisatie is die op een specifieke wereldbeschouwing is gebaseerd, enkel omdat enkele prominente figuren deel uitmaakten van het bestuur van de Antroposofische Vereniging. Je kunt de pedagogie immers niet losmaken van de antroposofie!”

Daarop vroeg Leo Tölke: “Gelooft u dat men antroposoof moet zijn om deze pedagogie in de praktijk te brengen?” Molt antwoordde: “Ja! Je kunt de pedagogie niet louter aan de oppervlakte imiteren. Ze kan alleen op de juiste wijze worden toegepast als men een antroposofisch leerkracht is. Zonder dat kan men deze pedagogie nooit werkelijk gestalte geven.” [9] 

Ook hier toonde hij een voorbeeldige, heldere en moedige houding.

Tegen deze achtergrond verbaast de oproep van Herbert Hahn – die Molt goed kende uit eigen ervaring – ons niet: “Het zou […] binnen de gehele Waldorf-schoolbeweging een spirituele praktijk moeten worden om het beeld van Emil Molt, naast dat van Rudolf Steiner, levend te houden in het bewustzijn van zowel leerkrachten als leerlingen.”[10] 

Voorste rij 3e van links, met hoed, Emil Molt

[1] Rudolf Grosse, Erlebte Pädagogik. Schicksal und Geistesweg. Verlag am Goetheanum, Dornach 1998, S. 37.
[2] Elke Schlösser und Tomas Zdrazil, Kindheits- und Jugenderlebnisse von Hermann Hesse und seine Freundschaft mit dem Schulgründer und Hesse-Mäzen Emil Molt. In: Hermann-Hesse-Jahrbuch, Band 16, 2023, S. 146.
[3] Zum Beispiel siehe: Rudolf Steiner, Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik. Rudolf-Steiner-Verlag, Dornach 1992, S. 18.
GA 293  vertaald  Op deze blog zie: artikel
[4] Emil Molt, Entwurf meiner Lebensbeschreibung. Freies Geistesleben, Stuttgart 1972, S. 133.
[5] Herbert Hahn, Begegnungen mit Emil Molt. In: Erziehungskunst, 23. Jg., H. 9, 1959, S. 253.
[6] Ebd. S. 251.
[7] Emil Molt, a. a. O., S. 207.
[8] Eckart nach Tomas Zdrazil, Freie Waldorfschule in Stuttgart. Rudolf Steiner – das Kollegium – die Pädagogik. Edition Waldorf, Stuttgart 2019, S. 276 f.
[9] Dietrich Esterl, Emil Molt. 1876–1936. Tun, was gefordert ist. Meyer, Stuttgart 2012, S. 229 f.
[10] Herbert Hahn, a. a. O., S. 25.

In het Nederlands:

Sophia Christine MurphyEmil & Berta Molt Oprichters van de eerste Vrije School’

In ‘Vrije Opvoedkunst

Algemene menskunde: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3596-3389

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 12e klas – geschiedenis

.
Onderstaand artikel is van 1953. Dat is bijna 75 jaar geleden.
In die 75 jaar is er weer heel wat gebeurt waarover in dit artikel uiteraard niets is te vinden.
Inmiddels is het ook moeilijker geworden door o.a. exameneisen de aanwijzingen van Steiner voor het geschiedenisonderwijs in klas 12 te volgen.
En inmiddels zijn er ook veel jongere leerkrachten die met een geschiedenisopleiding achter de rug dit vak moeten geven, zonder dat ze wellicht van de oorspronkelijke visie op de hoogte zijn.
Van die visie vinden we in dit artikel nog van alles terug.
Wellicht kan het de gezichtspunten voor deze tijd helpen verdiepen.
Vandaar de vertaling.
Literatuur waarnaar verwezen wordt, vermeld ik gewoon, in het besef dat er voor het Nederlandse taalgebied ook andere belangrijk werk is.
.

Johannes Tautz, Erziehungskunst jrg. 17 nr.9 1953
.

De samenhang van historische ontwikkeling

Voor geschiedenislessen in de twaalfde klas 

In de twaalfde klas wordt van de achttienjarige verwacht dat hij een overzicht krijgt van de verschillende kennisgebieden.
Bij geschiedenis is het doel om dieper op de stof in te gaan en – op een boeiende en op het individu gerichte wijze – de stap te zetten van een louter oorzakelijke benadering van de geschiedenis naar het geheel. Dit is het uitgangspunt in het leerplan van de Vrije Waldorfschool.

Niemand zal de moeilijkheid onderschatten om “geschiedenis als geheel” te behandelen. Het idee dat de geschiedenis, als een organisme in de tijd, haar eigen ontwikkelingswet in zich draagt, wordt al honderd jaar met scepsis bekeken.

In de tijd van Goethe ontstond de behoefte aan een alomvattende visie op de geschiedenis. Lessing vatte deze op als de voortschrijdende opvoeding van de mensheid. “De opvoeding van het menselijk geslacht” werd zijn testament. Onder invloed van dit werk ontwikkelde Herder zijn “Ideeën voor een filosofie van de geschiedenis van de mensheid“. Hij zocht naar de geschiedenis binnen de geschiedenis, naar de innerlijke samenhang van het geheel. Hegel bestudeerde de ontwikkelingsstadia. Voor hem was de geschiedenis “de vooruitgang van de mensheid in het bewustzijn van vrijheid.” Schiller vroeg: “Wat is wereldgeschiedenis en met welk doel bestuderen we die?” Hij antwoordde: Wereldgeschiedenis onderzoekt de gebeurtenissen die een aanzienlijke invloed hebben gehad op de huidige gedaante van de wereld en van de mensheid. Men bestudeert wereldgeschiedenis om de eigen positie en taak in het heden te kunnen herkennen.
Uit dit inzicht ontstaan ​​dankbaarheid voor de erfenis van het verleden en de vastberadenheid om aan de toekomst te werken.
   Sinds de tijd van Goethe bestaat er bij mensen een diepgewortelde behoefte
om inzicht te krijgen in de ware, geestelijke samenhang van de historische
ontwikkeling. Het hedendaagse historische onderzoek heeft echter nog niet in deze behoefte voorzien. Daarom wordt van de leraar verwacht dat hij het antwoord geeft dat hij voor zichzelf heeft uitgewerkt.
   Voor de geschiedenisles in de twaalfde klas neemt de leerling een overzicht mee van de voorchristelijke wereldgeschiedenis uit de tiende klas en een overzicht van de christelijke wereldgeschiedenis uit de elfde klas. Hij heeft kennisgemaakt met de wortels van de westerse cultuur in het Middellandse Zeegebied, het Nabije Oosten en Zuidoost-Azië, en heeft de verschuiving van culturele centra van oost naar west gevolgd.
Buiten de westerse cultuursfeer lagen het Verre Oosten (China), het Verre Westen (het precolumbiaanse Amerika) en vroege volkeren – de zogenaamde ‘primitieve’ samenlevingen. Deze komen in de twaalfde klas aan bod, evenals de wereldwijde verspreiding van de Europese natuurwetenschap en technologie.
Het leerplan schrijft voor dat de geschiedenis in haar geheel vanuit het perspectief van de huidige ontwikkelingen wordt besproken en dat er uiteindelijk een blik wordt geworpen op de vormen die de toekomst aanneemt.
Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben ontwikkelingen geleid tot een situatie waarin vrijwel de gehele wereldbevolking in twee groepen is verdeeld.
De scheidslijn loopt dwars door Duitsland heen. Terwijl de westerse dominantie in het oosten en zuidoosten afneemt, ontstaat er in het westen een krachtig zwaartepunt. Centraal-Europa – politiek machteloos en economisch afhankelijk – wordt opgeroepen een culturele bijdrage te leveren.
Leerlingen zullen ontdekken welke vorm deze bijdrage kan aannemen; zij hoeven slechts inzicht te krijgen in de moderne eisen ten aanzien van de mensheid, die voor het eerst tijdens de Franse Revolutie werden verwoord.
Ernst von Aster besluit zijn werk *De Franse Revolutie in de ontwikkeling van haar politieke ideeën* als volgt: “Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn de idealen van de Revolutie. De Revolutie van 1789 werd gevoerd in naam van de vrijheid; die van 1793 in naam van de gelijkheid. Wanneer zal de revolutie komen die het idee van broederschap boven beide verheft? Als zij er moet komen — als deze revolutie van de toekomst mogelijk moet zijn — dan moet zij ongetwijfeld dieper graven en verder reiken dan een louter politieke omwenteling of zelfs een maatschappelijke vernieuwing; het moet een revolutie van de geest en de ziel zijn.” Zodra dit werkelijkheid wordt, zal vrijheid zegevieren op het gebied van het culturele en geestelijke leven, gelijkheid op het gebied van rechten en staat, en broederschap op het gebied van het economische leven. Rudolf Steiner wees in 1919 op deze oplossing. [1]
Dit brengt de noodzaak met zich mee om een ​​historische onderbouwing te bieden voor het sociale organisme, gestructureerd in de sferen van cultureel-geestelijk leven, rechts- en staatsleven en economisch leven. Docenten zullen waardevol studiemateriaal vinden in Diether Vogels *Freiheitliche Ordnung von Kultur, Staat und Wirtschaft. Die soziale Problematik im Lichte von Goethes Metamorphosenlehre* [Een vrije orde van cultuur, staat en economie: De sociale kwestie in het licht van Goethe’s metamorfosenleer]. 

   Uit de les kwam de volgende samenvatting naar voren: de hoogstaande beschavingen van het Oude Nabije Oosten, het Verre Oosten en het Verre Westen waren theocratieën. Religie, die vanuit de tempelcentra uitstraalde, stond centraal in het leven. Het recht deed zich voor als een goddelijk gebod. De economie speelde slechts een ondergeschikte rol. In Griekenland en Rome werden de fundamentele vormen van het sociaal-politieke leven ontwikkeld – vormen die vandaag de dag nog steeds Griekse en Latijnse namen dragen (democratie, republiek). Politiek bestuur ontstond naast het priesterkoningschap. In de middeleeuwen uitte dit dubbele leiderschap zich in het conflict tussen het pausdom en het keizerrijk. De economie bleef haar ondergeschikte rol behouden. In de moderne tijd werd de economie steeds dominanter. Het theocratische tijdperk werd gevolgd door het politieke tijdperk, en dit weer door het industriële. In de huidige tijd zijn de drie geledingen van het sociale organisme tot ontwikkeling gekomen, maar ontbreekt de juiste onderlinge verhouding. De economie en het geestesleven blijven verweven met de staat; de culturele, politieke en economische sferen moeten echter uiteindelijk tot zelfbestuur komen.
De leerling dient te beseffen dat de toekomst mede afhangt van zijn eigen verantwoordelijkheid.
Wanneer het werk in dit geschiedkundige tijdperk dit stadium heeft bereikt, volgt de ontwikkeling van de moderne staat op organische wijze. Hierbij hoeft de leerkracht slechts de studies van Karl Heyer te volgen, waarvan het belang reeds werd erkend in het tijdschrift *Erziehungskunst* (1952, nr. 8). [niet op deze blog] In deze context krijgt de typering van Frederik II, zoals gegeven door Burckhardt in zijn werk *De cultuur der Renaissance*, betekenis. De Hohenstaufenheerser creëerde in Zuid-Italië het model van de moderne machtsstaat. De steden in Midden- en Noord-Italië volgden dit voorbeeld. Deze ontwikkeling zette zich voort in Frankrijk: het tijdperk van het absolutisme brak aan. Een matiging van dit systeem deed zich voor in de vorm van het zogenaamde ‘verlicht absolutisme’ van Frederik van Pruisen en Jozef van Oostenrijk. Er begonnen zich tegenkrachten te roeren die zich verzetten tegen de almacht van de staat. In Frankrijk brak een revolutie uit.
Gangbare beschrijvingen van de Franse Revolutie belichten de oorzaken en gevolgen ervan. In de twaalfde klas dient de docent echter verder te kijken dan louter causale historische aspecten – door middel van een aanpak die zowel levendig is als gericht op het individu – om zo het totaalbeeld te kunnen vatten. Het onlangs verschenen werk van Karl Heyer, *Gestalten und Ereignisse vor der Französischen Revolution* (Figuren en gebeurtenissen vóór de Franse Revolutie; 301 blz., 1952, is in dit opzicht van onschatbare waarde.
De *Großer Ploetz* stelt: “Alle onevenwichtigheden en grieven werden steeds scherper ervaren, omdat vanaf het midden van de eeuw de kritische geest de Franse samenleving beheerste. Naast de encyclopedisten en hun rationalisme – dat geen enkele autoriteit onbetwist liet – kwam Rousseaus gepassioneerde roep om vrijheid naar voren.”
Karl Heyer beschrijft tot in detail hoe een moment van inspiratie de bron werd voor Rousseaus wereldveranderende geschriften. Gezien het belang ervan is hier het verslag opgenomen dat Rousseau in een brief aan Malesherbes over deze inspirerende ervaring gaf:
‘Ik was onderweg om Diderot te bezoeken, die destijds in Vincennes gevangen zat. Ik had een exemplaar van de *Mercure de France* bij me en bladerde er onderweg doorheen. Mijn oog viel op de prijsvraag van de Academie van Dijon – precies de vraag die aanleiding gaf tot mijn eerste geschrift. Als er ooit iets op een plotselinge ingeving leek, dan was het wel de emotionele vloedgolf die me overviel toen ik die woorden las. Plotseling werd mijn geest verblind door duizend lichtstralen; een menigte levendige ideeën drong zich tegelijkertijd aan me op, met zo’n kracht en in zo’n overvloed dat ik in een staat van onbeschrijfelijke verbijstering raakte. Ik voelde een duizeling in mijn hoofd die op dronkenschap leek. Een hevige onrust maakte zich van mij meester en deed mijn borst op en neer gaan. Omdat ik tijdens het lopen niet op adem kon komen, liet ik me onder een van de bomen langs de weg zakken; ik verkeerde daar een half uur lang in zo’n staat van opwinding dat ik, toen ik weer opstond, merkte dat de voorkant van mijn jas volledig doordrenkt was van de tranen die ik had vergoten zonder dat ik het zelf in de gaten had gehad. Och, had ik maar een kwart kunnen opschrijven van wat ik onder die boom zag en voelde! Met wat een helderheid zou ik alle tegenstrijdigheden van de maatschappelijke orde hebben blootgelegd; met wat een kracht zou ik de misstanden van onze instellingen aan de kaak hebben gesteld; met wat een eenvoud zou ik hebben aangetoond dat de mens van nature goed is en dat het louter onze instellingen zijn die mensen slecht maken. Toch is van die schat aan grote waarheden die mijn geest verlichtten tijdens die kwartier onder de boom, slechts een vage en verbrokkelde herinnering overgebleven in de drie belangrijkste van mijn geschriften.” (Heyer, op. cit., blz. 101 e.v.)

   Een achttienjarige dient vertrouwd te raken met dergelijke feiten. Ze illustreren hoe de ontwikkeling verloopt en hoe de wereld verandert. Iemand kan een bijdrage gaan leveren aan zijn eigen tijdperk – en zelfs aan de wereldgeschiedenis als geheel – zodra de geestelijke samenhangen duidelijk worden.
In de moderne tijd is de economie de overheersende kracht geworden; jongeren moeten zich daarom vertrouwd maken met de fundamentele realiteit ervan. Zoals de menskunde aantoont, begint het begrip hiervan na het twaalfde levensjaar, naarmate de lichamelijke rijping nadert. Daarom doen leerlingen op vrijescholen vanaf hun dertiende jaar ervaring op met overzichtelijke economische ondernemingen, zoals een zeepfabriek of een spinnerij.
De geschiedenislessen in de twaalfde klas, waarin de economische evolutie wordt behandeld, kunnen op dit fundament voortbouwen. Ter oriëntatie voor de leerkracht wordt gewezen op het werk van Folkert Wilken (recentst: *Selbstgestaltung der Wirtschaft* [Zelfvorming van de economie], Freiburg 1949) en *Vom Wesen der Weltwirtschaft* [Over de aard van de wereldeconomie] van Emil Leinhas (Lorch-Stuttgart, z.j.).
Uit de klassengesprekken kwam de volgende samenvatting naar voren: Sinds het einde van de negentiende eeuw is er, naast (en aanvankelijk als aanvulling op) de wereldhandel, een ‘wereldeconomie’ ontstaan. Deze ontwikkeling maakt de industrie afhankelijk van de regelmatige invoer van buitenlandse grondstoffen. Geen enkele nationale economie kan in afzondering bestaan; ze zijn onderling van elkaar afhankelijk. De aarde begint één economische sfeer te vormen. Deze evolutie naar een wereldeconomie stuit echter op tal van obstakels. De doorslaggevende weerstand komt voort uit de moderne economische mentaliteit, die het belang van het individu of de natie als drijvende kracht van de economie beschouwt. In plaats van een wereldeconomie in de ware zin van het woord, hebben zich grootschalige regionale economische blokken gevormd. In het tijdperk van de nationale economie heerste nationaal egoïsme; in het tijdperk van grootschalige economische blokken heerst imperialistisch egoïsme. Toch kan de wereldeconomie niet op egoïsme gebaseerd zijn; omdat ze de gehele aardbol omspant, vereist ze wederzijdse consideratie tussen de economische actoren.

   Vanuit deze basis wordt het mogelijk om de “sociale hoofdwet” [2] te bespreken die Rudolf Steiner in 1905 formuleerde.
Een grondige uiteenzetting vereist aandacht voor de “Industriële Revolutie”, waarvan de tweede fase na de laatste wereldoorlog begon.
Bij een geslaagde aanpak kan een afsluitende samenvatting de fundamentele krachten van het heden zichtbaar maken. Het vormgeven van deze krachten zal de taak van de jongere worden. Zij dienen zich het inzicht van Novalis eigen te maken: “Het Duitse wezen is kosmopolitisme, vermengd met de krachtigste individualiteit.”
Er wordt inderdaad veel gevraagd: alomvattende overzichten die de rede bevredigen; een verdieping in het geestelijke die het gevoelsleven verwarmt; en verbindingen met het heden, gecombineerd met een toekomstvisie die de wilskracht aanwakkert.
Als dit uitblijft, bestaat het gevaar dat jongeren bezwijken onder de geestelijke verlamming die velen vandaag de dag in haar greep houdt. Gelatenheid ten aanzien van de huidige omstandigheden neemt toe. Toch zouden jongeren, wanneer ze vanuit school het leven instappen, hun energie moeten inbrengen in een omgeving die vernieuwing behoeft. Geschiedenisonderwijs van de soort die hier wordt beoogd, kan hen tot “deelnemers aan de grote besluiten van het lot” maken (zoals Goethe over zichzelf zei tijdens zijn verblijf in Italië). Dan kan in hen op een dag het besluit rijpen: wij willen medewerkers worden bij de grote daden die ons tijdperk vereist.
.
[1] Sociale driegeleding: alle artikelen

[2] Over de sociale hoofdwet

12e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.


3595-3388
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 23 maart 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Onrustige klas – hoe werkt het imponderabele <1>
8e klas geschiedenis: lezen Schiller ‘De dertigjarige oorlog’ <2>
Leerlingen lezen elkaar voor in Engelse les klas 7 Christmas Carol <3>

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Erster Band

Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1

Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300A

Blz. 273

Konferenz vom Mittwoch 23. März 1921, wohl abends

Vergadering van woensdag 23 maart 1921 – waarschijnlijk ’s avonds

Dr. Steiner (zu Ruhtenberg, der vertretungsweise die 5b übernommen hatte): Wie haben Sie sich hineingefunden in die 5. Klasse?

<1> (tot Ruhtenberg, die tijdelijk de leiding over klas 5b op zich had genomen): Hoe is het in de vijfde klas gegaan?

X.: Die Kinder sind schwatzhaft und unruhig.

X.: De kinderen zijn kletserig en onrustig.


Dr. Steiner: Auf was ist die Schwatzhaftigkeit zurückzuführen? Die frühere Lehrerin, Fräulein Lang, ist immer zurechtgekommen.

Wat is de oorzaak van dat kletsen? De vorige leerkracht, juffrouw Lang, had de zaak altijd goed onder controle.

X.: Ich habe bei ihr zugehört, bei ihr waren die Kinder durchaus ruhig.

X.: Ik heb haar lessen bijgewoond; bij haar waren de kinderen volkomen stil.

X.: Diese Klasse war immer besonders schwierig.

X.: Deze klas is altijd al bijzonder lastig geweest.

Dr. Steiner: Das ist eine eigentümliche Erscheinung. Fräulein Lang hat sie ruhig gehalten, da liegt immerhin ein Rätsel verborgen.

Dat is een merkwaardig verschijnsel. Juffrouw Lang hield ze rustig; daar schuilt een raadsel in.

X.; Sie war sehr streng.

X.: Ze was erg streng.

Dr. Steiner: Ich mache Sie darauf aufmerksam, daß da etwas vorliegt, was für uns wichtig ist. Fräulein Lang ist eine in Württemberg geprüfte Lehrerin. Wenn wir beurteilt werden, dann wird man die Neigung haben, die stramme Disziplin auf die seminaristische Ausbildung in Württemberg zurückzuführen. Als dazumal die drei inspizierenden Weisen in der Schule waren, da hat einer ganz besonders bei der Frau K. gesagt: Man hätte gesehen, daß es mit der Disziplin nicht ginge bei den nicht Geprüften. Sie hätten es in der Klasse gemerkt, wenn eine richtig geprüfte Lehrerin da war.

Ik wil u erop wijzen dat hier iets aan de hand is dat voor ons van belang is. Juffrouw Lang is een in Württemberg gediplomeerd leerkracht. Bij inspecties zal men geneigd zijn die strenge discipline toe te schrijven aan de lerarenopleiding die zij in Württemberg heeft gevolgd. Toen de drie inspecterende wijzen de school bezochten, merkte een van hen op – specifiek met betrekking tot
mevrouw K. – dat het duidelijk was dat de discipline niet gehandhaafd kon worden door ongediplomeerde leerkrachten; ze konden in de klas het verschil merken wanneer er een gediplomeerd leerkracht aanwezig was.

X.: Ich habe den Eindruck, es liege daran, daß es mir nicht genügend möglich war, mich zu präparieren.

X.: Ik heb de indruk dat het voortkomt uit het feit dat ik me niet voldoende heb kunnen voorbereiden.

Dr. Steiner: Da kommen wir zu den Imponderabilien. Es ist nicht bloß wichtig, was der Lehrer tut, sondern was der Lehrer ist, wie er in der Seelenverfassung ist. Das ist einmal durchaus so. Das muß in Betracht gezogen werden. Solche Dinge treten einem besonders stark entgegen an den Gymnasien, wo sehr häufig die Lehrer des Morgens mit starkem Kater in die Schule kommen, weil sie abends in der Kneipe sind. Da ist der Teufel los, nur durch die Tatsache, daß der Lehrer einen Brummschädel hat. Das gehört zu den Imponderabilien. Das ist der radikalste Fall. Sobald das Eigentümliche eintritt, daß man nicht genügend präpariert ist, da vibriert die Seele anders als sonst. Das spiegelt sich sehr leicht in der Disziplinlosigkeit. Daß man wirklich präpariert ist, das ist die Schwierigkeit bei unseren Lehrern in der Waldorfschule. Es ist bei der anstrengenden Tätigkeit furchtbar schwer, zu präparieren. Warum lachen Sie?

Dat brengt ons bij de niet-meetbare factoren. Het gaat niet alleen om wat de leraar doet, maar om wat de leraar *is* – de toestand van zijn ziel. Dat is zeker het geval; daarmee moet rekening worden gehouden. Dergelijke zaken komen vooral aan het licht op gymnasiums, waar leraren ’s ochtends vaak met een enorme kater op school verschijnen omdat ze de avond ervoor in de kroeg hebben doorgebracht. Er ontstaat chaos, simpelweg omdat de leraar bonzende hoofdpijn heeft. Dat valt onder de categorie van het imponderabele. Dat is het meest extreme voorbeeld. Zodra zich de situatie voordoet dat men niet voldoende voorbereid is, trilt de ziel anders dan gewoonlijk. Dit vertaalt zich maar al te gemakkelijk in een gebrek aan discipline. Werkelijk voorbereid zijn – dat is de moeilijkheid voor onze leraren op de vrijeschool. Gezien de zwaarte van het werk is het ontzettend moeilijk om zich voor te bereiden. Waarom lacht u? <1>

Blz. 274

X.; Weil es so ist!

X. Omdat het zo is!

Dr. Steiner: Wollen wir uns noch einmal zum Bewußtsein bringen, welche Lehrkräfte wir brauchen. — Ja, da wäre die 6. Die braucht nicht geteilt zu werden. 54 Kinder, das kann man noch ertragen.
Aber dann müssen wir an die 9. denken. Dann müssen wir eine 10. anschließen. Da werden wir eine Einteilung treffen.

Es werden die Klassen mit ihren Klassenfachlehrern durchgegangen und verteilt.

Laten we ons nog eens voor de geest halen welke leraren we nodig hebben. — Wel, er is de zesde klas. Die hoeft niet gesplitst te worden. 54 kinderen – dat is nog wel te doen.
Maar dan moeten we kijken naar de negende klas. En dan moeten we een tiende klas toevoegen. Daar zullen we regelingen voor treffen.

De klassen worden samen met de vakleerkrachten doorgenomen en de taken worden verdeeld.

Dr. Steiner: Ich möchte, daß Fräulein Dr. Röschl herkommt. Ich finde sie sehr geeignet. Ich möchte sie sehr gerne hier haben für Lateinisch und Griechisch. Sie kann erst vom Herbst an.
Ist Ruhtenberg frei? Mit Rücksicht darauf, daß ich Fräulein Dr. Röschl durchaus dahaben möchte, würde ich meinen, daß es gut wäre, wenn diese 5b für die Dauer von Herrn Ruhtenberg besorgt würde.
Es würde sich dann nur um zwei neue Lehrkräfte handeln.
Ist nicht Fräulein Klara Michels Fachlehrerin? Sie würde dann wohl nur für eine höhere Klasse in Betracht kommen.
Dr. Kolisko sagt, daß er vom Herbst an an die Schule kommen könnte.

Ik zou graag willen dat Fräulein Dr. Röschl hierheen komt. Ik acht haar zeer geschikt. Ik zou haar hier heel graag hebben voor Latijn en Grieks. Ze kan echter pas in de herfst beginnen.
Is Ruhtenberg beschikbaar? Aangezien ik absoluut wil dat Fräulein Dr. Röschl hier komt, lijkt het me goed als de heer Ruhtenberg voorlopig deze klas 5b op zich neemt.
Dat zou betekenen dat we nog maar twee nieuwe leraren nodig hebben.
Is Fräulein Klara Michels geen vakleerkracht? Zij zou waarschijnlijk alleen voor een hogere klas in aanmerking komen.
Dr. Kolisko zegt dat hij vanaf de herfst naar de school zou kunnen komen.

Dr. Steiner: Wenn dann Dr. Kolisko eintritt, könnte es sich etwas verschieben. — Es ist nicht leicht, Lehrkräfte zu finden. Beworben haben sich riesig viele, aber keine brauchbaren.

Als Dr. Kolisko er dan bij komt, kan de situatie misschien wat verschuiven. — Het is niet eenvoudig om leraren te vinden. Er hebben zich enorm veel mensen aangemeld, maar niemand was geschikt.

X.: Ich bin im Geschichtsunterricht in der 9. Klasse bei der Gegenwart angekommen.

X.: In mijn geschiedenislessen aan de negende klas ben ik bij het heden aangekomen.

Dr. Steiner: Sie dachten zu Jean Paul überzugehen. Ich würde meinen, das, was wir festgelegt haben, müßte fest eingehalten werden. Mit der 8. sind Sie auch bis zur Gegenwart gekommen? Ich würde Ihnen empfehlen, mit der 8. Klasse zu lesen die ersten Kapitel von Schillers „Dreißigjährigem Krieg”. Darin ist sehr viel Bildendes; darin sind sehr viele Dinge, die bis zur Gegenwart gehen.

U was van plan over te gaan op Jean Paul. Ik ben van mening dat we ons strikt <2> aan de gemaakte afspraken moeten houden. Bent u met de achtste klas ook al bij het heden aanbeland? Ik zou u aanraden om met de achtste klas de eerste hoofdstukken van Schillers *Dertigjarige Oorlog* te lezen. Dat bevat veel vormend materiaal; het behandelt tal van zaken die tot in het heden doorwerken. <2>

X.: Sollte es nicht möglich sein, im englischen Unterricht in der 7. Klasse irgend etwas aus einem Buch zu lesen?

<3> X.: Zou het niet mogelijk zijn om tijdens de Engelse les in de zevende klas iets uit een boek te lezen?

Dr. Steiner: Vielleicht ist es doch möglich. Wieviel Zeit werden Sie haben, um zu lesen? Wie könnte man das bewirken, daß „Christmas Carol” gelesen würde? Es ist außerordentlich instruktiv, wenn jedes Kind das Buch hat und man sie einzeln herausruft und vor den anderen in zwangloser Weise vorlesen läßt, damit sie zusammenlesend denkend arbeiten. 6a, 6b: Poetisches; Prosa nach der Poesie.

Misschien is dat toch mogelijk. Hoeveel tijd heeft u voor het lezen? Hoe zouden we het kunnen aanpakken om *A Christmas Carol* te lezen? Het is buitengewoon leerzaam als elk kind het boek heeft en u ze individueel vraagt ​​om op een ontspannen manier voor de klas voor te lezen, zodat ze samenwerken – waarbij ze gezamenlijk lezen en nadenken. 6a, 6b: Poëtisch materiaal; proza ​​volgend op poëzie. <3>

Blz. 275

Im Lateinkurs kann man Ovid oder Vergil lesen. Plutarch, kleine Geschichten.

Bij Latijn kan men Ovidius of Vergilius lezen. Plutarchus – korte verhalen.

X. sagt, er habe Ovid gelesen.

X. zegt dat hij Ovidius heeft gelezen.

Dr. Steiner: Bleiben Sie dabei, bis sie arg viel können.

Blijf ermee doorgaan totdat ze de stof goed beheersen.

Es wird nach Plinius gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over Plinius.


Dr. Steiner: Plinius ist eine gute Lektüre. Livius für die ältesten Schüler: da muß man auf die Intimitäten eingehen. Livius hat eine sehr schlechte Überlieferung; er ist der berühmte Schriftsteller, bei dem man immer Konjekturen macht.
Im Griechischen würde ich solche Sprüche mit ihnen durchnehmen
(Dr. Steiner gibt ein Beispiel); es gibt sehr viel solche Zweizeiler im Griechischen.

Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen – daar moet men dieper ingaan op de fijnere punten. De tekstoverlevering van Livius is zeer gebrekkig; hij is de beroemde auteur wiens werk voortdurend om tekstcorrecties vraagt.
Bij Grieks zou ik dergelijke spreuken met hen doornemen (Dr. Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van zulke disticha in het Grieks.

Es wird gefragt wegen des Religionsunterrichts.

Er wordt een vraag gesteld over godsdienstonderwijs.

Ein Klassenlehrer: Ich war mit darin in der Klasse 6b. Das ging ganz gut.

Een klassenleerkracht: Ik heb de les in klas 6b ook bijgewoond. Het verliep heel goed.

Dr. Steiner: Man kann jemandem viel helfen, wenn man mit in der Klasse ist.

Je kunt iemand enorm helpen door in de klas aanwezig te zijn.

Wie steht die Sache mit der Eurythmie? Da wollte ich, daß es Frau Doktor hört.

Hoe staat het met de euritmie? Ik wilde dat Mevrouw Steiner daarvan op de hoogte is.

Es wird berichtet. Es war eine Extraklasse gemacht worden.

Er wordt verslag uitgebracht. Er was een extra klas opgezet.

Frau Dr. Steiner: Für einige junge Herren und Damen ist es nicht schlecht, wenn sie bloß zuschauen.

Mevrouw Steiner: Voor sommige jongemannen en jonge vrouwen is het niet erg als ze alleen maar toekijken.

Dr. Steiner: Es ist das Prinzip, die Eurythmie der Schule zu zeigen, dadurch durchbrochen, daß man einen Extrakurs macht. Wenn es richtiges Schulprinzip ist, wird man das nicht machen; man wird nicht eine Extragruppe zubereiten. Aus dem gewöhnlich verlaufenden Schulunterricht würde man es dadurch herausnehmen. Daß man eine Schüleraristokratie macht, das ist etwas, was das Pädagogische in der Schule stört.

Het principe van het presenteren van de euritmie van de school wordt geschonden door een aparte cursus te geven. Als men het ware schoolprincipe volgt, zou men dat niet doen; men zou geen speciale groep voorbereiden. Dat zou de activiteit losmaken uit de reguliere stroom van schoollessen. Het creëren van een aristocratie van leerlingen verstoort het pedagogische werk van de school.

X: Es ist deshalb gemacht worden, weil einige Kinder für Aufführungen gebraucht wurden.

X: Het gebeurde omdat er enkele kinderen nodig waren voor optredens.

Dr. Stemer: Es müssen unter den gewöhnlichen Schülern einige sein, die man brauchen kann. Daß man extra welche präpariert, in einer besonderen Gruppe, das ist unpädagogisch.

Er moeten onder de reguliere leerlingen wel enkelen zijn die ingezet kunnen worden. Er een paar uitpikken om ze in een speciale groep voor te bereiden, is onpedagogisch.

X.: Ich habe mit Herrn N. gesprochen, und er meinte, ob es nicht besser wäre,einen Kurs außerhalb der Schule zu machen.

X: Ik heb met de heer N. gesproken en hij vroeg zich af of het misschien beter zou zijn om een cursus buiten de school om te houden.

Blz. 276

Dr. Steiner: Dann können wir niemals sagen, daß wir die Waldorfschulkinder vorführen. Das ist ein Gesichtspunkt, der für die Öffentlichkeit in Betracht kommt. Es ist niemals in einer Konferenz von einem solchen Extrakurs die Rede gewesen.

Dan kunnen we nooit zeggen dat we de vrijeschoolleerlingen tentoonstellen. Dat is een gezichtspunt dat voor het publiek van belang is. Er is in een lerarenvergadering nooit sprake geweest van zo’n speciale cursus.

X.: Das hat sich bei der ersten Aufführung ergeben.

X.: Dat idee ontstond tijdens de eerste uitvoering.

Dr. Steiner: Es müßten solche einschneidenden Sachen innerhalb der Konferenz zur Sprache kommen. Sonst könnte eines Tages von irgendjemand beschlossen werden, eine Anzahl Kinder auszuwählen und einen Schachkurs zu machen. Prinzipiell ist es dasselbe. Es geht eigentlich nicht. Es ist eine Aristokratie, die man bildet.

Zulke belangrijke zaken moeten in de lerarenvergadering worden besproken. Anders zou iemand op een dag kunnen besluiten een aantal kinderen te selecteren en een schaakcursus te geven. In principe komt het op hetzelfde neer. Dat kan echt niet. Het creëert een soort aristocratie.

Frau Dr. Steiner: Ich begreife das.

Mevrouw Steiner): Dat begrijp ik.

X.: Ich wollte fragen, ob der Gedanke an den Kindergarten aufgegeben ist.

X.: Ik wilde vragen of het idee van de kleuterschool is opgegeven.

Dr. Steiner: Aufgegeben ist er nicht. Wir müssen nur warten, bis wir ihn einrichten können.

Die is niet opgegeven. We moeten alleen wachten tot we het kunnen opzetten.

X.; Wir wollten die Frage der Fortbildungsschule vorbringen.

X.: We wilden de kwestie van de vervolgschool aan de orde stellen.

Dr. Steiner: Gibt es da konkrete Möglichkeiten? Wir müssen einmal den Lehrplan der 10. Klasse festsetzen. Da muß etwas hinein, was wirkliche Lebenspraxis ist. Aber Fortbildungsschule? Liegen denn konkrete Möglichkeiten dafür vor?

Zijn daar concrete mogelijkheden voor? We moeten op enig moment het leerplan voor de tiende klas vaststellen. Dat moet iets bevatten dat verband houdt met de praktijk van alledag. Maar een vervolgschool? Zijn daar concrete mogelijkheden voor?

X.: Es handelt sich um die Kinder, die ausgetreten sind, daß man die gefaßt hätte. Es war jetzt nicht möglich, aus Platzmangel und Geldmangel. Man müßte es vorbereiten für das nächste Jahr.

X.: Het gaat om de kinderen die de school hebben verlaten; het idee was om hen samen te brengen. Dat was op dit moment niet mogelijk vanwege een gebrek aan ruimte en middelen. We zouden ons daarop moeten voorbereiden voor volgend jaar.

Dr. Steiner: Die Vorbereitung würde darin bestehen, zu sorgen, daß die Behörden uns nicht in die Suppe spucken.

De voorbereiding zou eruit moeten bestaan ​​dat we ervoor zorgen dat de autoriteiten geen roet in het eten gooien.

X.: Es ist so, daß nichtstaatliche Fortbildungsschulen vorgesehen sind. Sie müssen nachweisen, daß der Lehrplan nicht unter dem der andern ist.

X.: De situatie is zo dat er voorzieningen zijn voor niet-overheidsgebonden scholen voor vervolgonderwijs. Men moet aantonen dat het leerplan niet onderdoet voor dat van de andere scholen.

Dr. Steiner: Wir hätten den Wahnsinn machen sollen, die Kinder in spezielle Sachen hineinzustecken. Wir können das nicht mitmachen, wenn wir bei unserer Pädagogik bleiben wollen. Wir können doch nur dasjenige einrichten, was den Menschen vorwärtsbringt. Wenn wir Fortbildungsschulen errichten wollen, müssen wir es so einrichten, daß die Kinder etwas davon haben für ihre menschliche Fortbildung. Von uns wird entschieden, was für eine Schule wir errichten wollen. Es hat kein Mensch bezweifelt, daß Strakosch berufen war zu einer

We zouden hebben moeten meegaan in de waanzin om de kinderen in gespecialiseerde programma’s onder te brengen. Daar kunnen we niet aan meedoen als we trouw willen blijven aan onze onderwijsaanpak. We kunnen immers alleen iets opzetten dat de menselijke ontwikkeling bevordert. Als we scholen voor vervolgonderwijs willen oprichten, moeten we ze zo inrichten dat de kinderen er daadwerkelijk baat bij hebben voor hun menselijke ontwikkeling. Het is aan ons om te beslissen wat voor soort school we willen oprichten. Niemand twijfelde eraan dat Strakosch de juiste persoon was voor een

Blz. 277

allgemeinen Fortbildungsschule. Es sollte eine Art praktisch-gymnasiale Fortbildung sein, eine menschliche Fortbildungsschule. Eine andere Sache zu errichten, haben wir nicht die geringste Veranlassung. Es ist doch nicht nötig, daß man dasselbe macht, was die anderen auch machen.

algemene school voor vervolgonderwijs. Het was de bedoeling dat het een soort praktisch en tegelijk gymnasiumvervolgonderwijs zou worden – een school voor menselijke ontwikkeling. We hebben niet de minste reden om iets anders op te zetten. Het is niet nodig dat wij precies doen wat anderen doen.

X.: Die Sache ist so: die Kinder, die in einen Beruf hineinkommen, müssen eine von den staatlichen Schulen besuchen.

X.: De situatie is als volgt: kinderen die een vakopleiding volgen, moeten naar een van de staatsscholen.

Dr. Steiner: Die, die schon in solche Fachschulen gehen, kommen doch nicht zu uns hinein. Wir werden niemand darinnen haben in unseren Klassen. Was uns fehlt, ist die Möglichkeit, die Kinder vom fünfzehnten Jahr an nach unserem Lehrplan zu unterrichten. Das ist dazumal konstatiert worden. Die Frage ist vorläufig erledigt. Das haben wir schon einmal verhandelt; wir können es hier nicht weiter erörtern. Die ganze Frage ist die akuteste: wie ist die Zeit auszufüllen zwischen Volksschule und Hochschule? Wenn wir die Möglichkeit dadurch schaffen könnten, daß wir die Behörden dazu kriegen, uns anzuerkennen, dann würden wir furchtbar Zulauf haben. Ist denn eine Möglichkeit vorhanden, wenn nicht eine solche Lehrlingszeit vorliegt, daß jemand solche Leute in einen Betrieb aufnimmt?

Degenen die al dergelijke beroepsscholen bezoeken, zullen niet naar ons toe komen. Wij zullen hen niet in onze klassen hebben. Wat ons ontbreekt, is de mogelijkheid om kinderen vanaf hun vijftiende levensjaar volgens ons eigen leerplan les te geven. Dat is destijds zo vastgelegd. De zaak is voorlopig afgehandeld. We hebben dit al besproken; we kunnen er hier niet verder op ingaan.
De allerbelangrijkste vraag is: hoe moet de tijd tussen de lagere school en het hoger onderwijs worden ingevuld? Als we de mogelijkheid zouden kunnen creëren — door erkenning van de autoriteiten te verkrijgen — dan zouden we een enorme toestroom van leerlingen zien.
Bestaat er, bij gebrek aan een dergelijke leerlingopleiding, een mogelijkheid voor iemand om zulke jongeren in een bedrijf op te nemen?

X.: Wer nicht bei einem anerkannten Meister gelernt hat, kann nicht angestellt werden.

X.: Iemand die niet is opgeleid door een erkende meester, kan niet worden aangenomen.

Dr. Steiner: Man kann nichts machen! Es ist alles so abgezirkelt, daß es bloß noch kein Gesetz gibt, wie man die Gabel halten muß. Die Frage müßte studiert werden, auf welche Weise man Fortbildungsschulen einrichten kann, daß sie im Sinne der volkspädagogischen Aufsätze Fortbildungsschulen sein können. Die Waldorfschule müßte versuchen, das bei den Behörden durchzudrücken. Man müßte der Schule mehr Ansehen verschaffen.

Er is niets aan te doen! Alles is zo streng gereguleerd dat alleen een wet die voorschrijft hoe men een vork moet vasthouden, nog ontbreekt. We moeten onderzoeken hoe we scholen voor vervolgonderwijs kunnen opzetten zodat ze ook werkelijk als zodanig functioneren, in de geest van de essays over openbaar onderwijs. De Waldorfschool zou moeten proberen dit bij de autoriteiten gedaan te krijgen.
We moeten meer aanzien voor de school verwerven.
.

GA 300A/273-277

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzifal (7)

.
lngeborg Sehröder, Erziehungskunst jrg. 25 nr. 5 1961
.

van zwivel tot saelde
.

Over het hoofdthema van de elfde klas: Wolfram von Eschenbachs *Parzival*

   Zelfs na jarenlange bestudering van *Parzival* kan het inzicht in wat nu precies het slot van dit gedicht vormt, ontoereikend blijven. De vraag wat uiteindelijk de doorslag geeft voor Parzivals tweede roeping tot de Graal, lijkt – alles bij elkaar genomen – onopgelost. We bevinden ons in de positie van Trevrizent, die weliswaar erkent dat hij zich had vergist toen hij meende te weten

daz den grâl ze keinen zîten
iemen möhte erstriten
(dat niemand ooit de Graal zou kunnen verwerven)

die zich niettemin gedwongen ziet erover te spreken als over een ondoorgrondelijk wonder. “Nooit heeft een groter wonder plaatsgevonden dan dat jij van God de gunst hebt afgedwongen dat Hij – in Zijn eeuwige Drie-eenheid – een medestrijder voor jouw wil werd.” Het feit dat Parzival de Graalburcht een tweede maal betreedt, en wel na een doelbewuste zoektocht, bewijst dat Trevrizent ongelijk had. Toch biedt dit feit geen verklaring. Op welke wijze verwierf Parzival de Graal? Hoe kwam het dat de woorden van Sigune over de burcht Munsalvaesche.

swer die suochet flîzeclîche
leider der envint ir niht
(wie ze ijverig zoekt, kan ze niet vinden)

zijn kracht verloor?

   De gebeurtenissen in Boek IX – de hereniging met Sigune, het gevecht met de Tempelridder, de onderrichting door de Grijze Ridder, het paasgesprek met Trevrizent – ​​markeren stuk voor stuk een cruciaal keerpunt in Parzivals leven; ze brengen hem tot inzicht in de toestand van *zwivel* (spirituele twijfel en innerlijke verscheurdheid) die hij voorheen zonder begrip had doorstaan. Toch leiden het pijnlijke, heldere besef van zijn eigen schuld en de ontdekking van het mysterie van de Graalburcht – die hem met ontzag vervult – op zichzelf niet tot *saelde*: die staat van volmaakte gelukzaligheid en de rust van de ziel in God. Door de gebeurtenissen in de vijf daaropvolgende boeken laat Wolfram hem een ​​weg afleggen die onzeker, vreugdeloos en onvervuld blijft. Op het eerste gezicht lijkt het er zelfs op dat de gevechten die vlak voor zijn tweede roeping plaatsvonden – gevechten tegen een vriend en tegen zijn eigen broer – hem door hun volstrekte zinloosheid verder dan ooit van zijn doel zouden verwijderen. Dat juist deze ‘zinloze’ gevechten de voorwaarden scheppen voor de tweede roeping tot de Graal, lijkt aanvankelijk een feit dat net zo raadselachtig is als de roeping zelf.
   Wat is er aan deze gevechten waardoor we ze kunnen zien als Parzivals laatste, noodzakelijke stap vooruit – die zelfs de inzichten van het negende boek overstijgt – van *zwivel* (twijfel) naar *saelde* (gelukzaligheid/heil), als de voorwaarde die hij zelf schiep voor zijn uiteindelijke roeping tot de Graal?
   Laten we alles wat volgt op het afscheid van Trevrizent eens nader bekijken. Om te beginnen zet Wolfram Parzivals verhaal niet direct voort – zoals hij dat wel deed na het zesde boek en de vloek van Kundry. Parzival rijdt over wegen waarover niets te vertellen valt. In plaats daarvan vergezellen we Gawan op zijn avontuurlijke tocht naar Klinschors bolwerk, het magische kasteel Schastelmarveile. Samen met Gawan zijn we getuige van de greep van magische krachten; we zien hoe standvastigheid en onbevreesdheid de macht van de boze betovering breken. Samen met de bevrijde vrouwen van Schastelmarveile en de ridders van de Ronde Tafel zien we Gawan “in geluk” – in *saelde*.
   Maar waar is de man wiens taak het is om de heilige magie van Munsalvaesche te bewaken? Waar is degene die *saelde* zo pijnlijk ontbeert? We vernemen dat ook hij op het terrein van Schastelmarveile heeft gestreden, maar er niet is gebleven; hij zocht niet, zoals Gawan, de weg naar het binnenste heiligdom van het betoverde kasteel.
Uiteindelijk, dagen later, vroeg in de ochtend, komen we hem opnieuw tegen, al herkennen we hem niet direct. Hij verschijnt voor ons – en voor zijn vriend Gawan – als een vreemdeling. Zijn gehavende schild verraadt hem als een man die al lange tijd op avontuur uit is. De rijke krans van de boom van koning Gramoflanz zet Gawan op het verkeerde been wanneer hij op de vreemdeling afstormt; hij waant zich tegenover de trotse koning Gramoflanz zelf, die bij de rivier de Sahins wacht op het afgesproken beslissende tweegevecht. Zo begint de strijd tussen de vrienden die elkaar niet herkennen – een gevecht “waarin de overwinnaar weinig kon winnen, maar veel kon verliezen.” In de hevige botsing stoten ze elkaar uit het zadel; scherven van schilden vermengen zich met het groene gras. Maar voordat Gawans nederlaag een feit is, herkent Parzival zijn tegenstander. Ontdaan werpt hij zijn zwaard weg en vervalt in zelfverwijt: “Ellendig en onwaardig ben ik,” zegt hij huilend; “ik heb alle genade, alle geluk, alle zaligheid verspeeld! Dat ik mijn vriend in zulk gevaar heb gebracht – dat was een zware dwaasheid, een zinloze daad. De schuld ligt volledig bij mij; want het is mijn ongelukkige noodlot dat zich hier opnieuw heeft gemanifesteerd, de draden van het lot heeft verward en mij voorgoed van de genade heeft afgesneden; ach, dat ik gedwongen was te strijden tegen mijn edele vriend Gawan!”

ich hân mich selben überstrîten
(Ik leidde de dodelijke aanval op mezelf)

“Hier trof mij het ongeluk, en hier ontglipte mij het geluk voorgoed!”
Maar Gawan ziet dit gevecht anders. Hij stelt zijn wanhopige vriend gerust met de woorden: “Dan is alles goed. Dan zijn de kronkelpaden van de dwaasheid eindelijk rechtgetrokken! Want jouw hand heeft ons beiden overwonnen. Je hebt jezelf overwonnen – mits je dit gevecht beschouwt als een daad die voortkwam uit de trouw van je hart.” Wanneer de twee vrienden, na zulke beproevingen te hebben doorstaan, bij de Tafelronde aankomen, wordt Parzival hartelijk verwelkomd door alle ridders en jonkvrouwen; bij het zien van deze oprechte erkenning verdwijnen zijn ongemak en verdriet. “Hij was gelukkig en vrij van bitterheid” en vroeg om opnieuw te worden toegelaten tot de Tafelronde, waarvan een “nu onbegrijpelijk wonder” hem ooit had gescheiden.

   Gawan had een nieuwe ontmoeting met Gramoflanz geregeld.
Maar opnieuw staan ​​de verkeerde tegenstanders tegenover elkaar. Ditmaal arriveert Gramoflanz als eerste op het afgesproken strijdperk. Hij treft Parzival aan, die in alle vroegte stiekem uit het kamp is geglipt. Wederom kruisen waardige tegenstanders de degens; want Gramoflanz is zo trots dat hij zijn krachten slechts met twee tegenstanders tegelijk wil meten – afgezien van Gawan. Parzival strijdt namens zijn vriend tegen de geduchte krijger. Net wanneer Parzival op het punt staat te overwinnen, worden de strijders gescheiden. Gramoflanz erkent Parzival als overwinnaar en verzoent zich uiteindelijk met zijn vriend Gawan. Binnen de kring van het hof van Arthur worden voorbereidingen getroffen voor een feest ter ere van de huwelijken van Gawan met Orgeluse en Gramoflanz met Itonje.
   Toch voelt Parzival de vreugdeloosheid van zijn ellendige omzwervingen sterker dan ooit; een plotseling verlangen naar zijn koningin overvalt hem.

“Moeten mijn ogen hier op het vreugdevolle rusten, terwijl mijn hart slechts ellende en verlangen kent? Dat gaat niet samen. Welke plaats is er voor wie geen vreugde kent te midden van de vreugdevolle, voor de ongelukkige te midden van de gelukkige? Moge God de gelukkigen vreugde schenken. Maar ik wil van deze vreugde weggaan.”

   Hij zadelt zijn paard, bewapent zich en rijdt weg zonder afscheid te nemen. Toen hij van Trevrizent afscheid nam, brak de dag net aan.
   Hiermee eindigt het veertiende boek. Het begin van het vijftiende boek bevat een zeer korte – en gemakkelijk over het hoofd te zien – aanwijzing van Wolfram dat juist deze laatste strijd, deze ultieme beproeving die Parzival moet doorstaan, de beslissende stap vooruit vormt in zijn streven naar de Graal. Het is het tweede ‘wonder’ van Parzivals reis, en toch is het geen herhaling van het eerste. De eerste keer kwam hij bij Munsalvaesche aan zonder naar de burcht op zoek te zijn geweest. Wat betreft de tweede, zo vurig verlangde roeping tot de Graal, zegt Wolfram

Parzival daz wirbet (Parzival krijgt het voor elkaar)

maar, zo vervolgt Wolfram: “Mogen moed en zelfbeheersing hem nu standvastigheid schenken, zodat hij zijn leven kan behouden. Want op zijn onbevreesde weg treft hij iemand die een meester is in elk gevecht – een heiden.”
Parzival rijdt op een groot woud af en ontmoet op een open plek de vreemdeling, die een rijk en machtig man blijkt te zijn. De ogen van beide ridders lichten op wanneer ze elkaar zien naderen. Ze stormen met hun lansen op elkaar af, maar geen van beiden slaagt erin de ander uit het zadel te lichten. Vervolgens vechten ze te paard met hun zwaarden. De heiden zet de gedoopte ridder zwaar onder druk; de paarden raken door het zwoegen oververhit en uiteindelijk stappen beide mannen af. De heiden is sterk, en zijn heidense strijdkreet verdubbelt zijn kracht. Op dit punt merkt Wolfram op: “Hun strijd ging om niets minder dan vreugde, heil (*saelde*) en eer. Maar wie hier ook zou zegevieren, zou alle vreugde verliezen en slechts verdriet winnen.” Tot nu toe heeft Parzival in stilte gevochten. Enkele slagen van de heiden hadden hem op de knieën gedwongen, maar Wolfram spoort hem aan om de strijdkreet van de heiden te beantwoorden met een eigen kreet. Dan herinnert Parzival het zich en vindt hij zijn strijdkreet: “Pelrapeire!” roept hij als antwoord op de “Thabronit!” van de heiden. En over land en zee komt Condwiramurs haar ridder te hulp. Met een machtige slag dwingt Parzival de heiden nu op de knieën; maar zijn zwaard breekt in stukken tijdens de beslissende uithaal. Het was het zwaard dat hij ooit in zijn dwaasheid van Ither had buitgemaakt; hier viel het uiteen in scherven. Wie is de overwinnaar? De heiden werpt zijn eigen zwaard achter zich, om geen oneerlijk voordeel te hebben, en de strijdmoede krijgers gaan in het gras zitten. Dan blijkt dat de twee die hier vochten broers zijn: Feirefiz, de gevlekte zoon van Belakane, en Parzival, de zoon van Herzeloyde, die in twijfel verkeert. Beiden dragen de kleuren van de ekster. Beiden zijn zonen van Gahmuret.
   Nogmaals klinken de woorden die Gawan na het gevecht tussen vrienden had gesproken:

mit dir selben hastu hie gestritn,
gein mir selbn ich kom ûf strît geritn,
mich selben het ich gern erslagn:
dune wertest mir mîn selbes lîp.

(Je vocht hier tegen jezelf,
ik ging hier de strijd aan tegen mezelf;
ik zou mezelf hier bijna hebben gedood,
als je niet zo onverschrokken
mijn leven voor me had verdedigd.)

   Wanneer de broeders terugkeren naar de Tafelronde, roept Kundry Parzival terug naar de Graalburcht.
   De laatste stap van twijfel (*zwivel*) naar gelukzaligheid (*saelde*) zou dus niet het paasgesprek met de kluizenaar zijn, noch de schuldbelijdenis en het besef van de gevolgen daarvan, en evenmin de vraag die voortkomt uit mededogen – een vraag die, nu Parzival weet dat hij haar moet stellen, een enigszins onbevredigend, formeel karakter heeft.
Zou de laatste stap – de ultieme stap die de weg naar genade vrijmaakt – de drievoudige strijd tegen zichzelf kunnen zijn? Zou het de overwinning op het eigen ik zijn die Parzival leidt naar de “hōher funt”, naar het hoogste dat hij kan vinden? En zou *saelde* de zielstoestand zijn van iemand die, na die laatste, uiterlijke zelfoverwinning, ervaart hoe “Gods goedheid in hem zegeviert” (hoe de goedheid – de genade – van God meester over hem wordt; hoe zijn eigen wil nu vervuld wordt door een andere, hogere wil; hoe een hoger ik in hem intrek neemt)?
   Destijds, op die Goede Vrijdag, toen Parzival voor het eerst een beslissende
keuze kon maken die het tij van zijn lot zou keren, zei hij – terwijl hij de teugels
over de oren van zijn paard liet hangen – “nu geng nâch gotes kür!” (Ga nu zoals God wil!)
Nu zijn die woorden op hemzelf van toepassing: “Ga nu als iemand in wiens wil
Gods wil werkzaam is!”

De interpretatie van de slothoofdstukken van *Parzival* die hier wordt gepresenteerd, is zeker niet nieuw; ze is vermoedelijk ergens terug te vinden in de omvangrijke literatuur over Wolframs *Parzival*. Toch heb ik haar niet aan boeken ontleend, maar aan de samenwerking met mijn laatstejaarsklas in Hamburg. Juist omdat deze beschouwingen voortkomen uit de levendige betrokkenheid van één specifieke klas bij deze vraagstukken, kunnen ze van waarde zijn voor ouders en collega’s. Dat is de enige geest waarin ze worden aangeboden.

.

11e klas: alle artikelen (w.o. over Parzival

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3593-3386

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/25)

.

Wanneer Rudolf Steiner in deze 9e voordracht over ‘ontwikkelingsfasen van het kind’ spreekt, is dat niet voor de eerste keer.

Al in 1907 schrijft hij erover in een artikel in het tijdschrift Lucifer-Gnosis 1907.: ‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft”. 

Oorspronkelijk heette het artikel…vom Gesichtspunkte der Theosophie,  – inmiddels was het artikel als boekje verschenen – maar Steiner veranderde ‘theosofie’ (na zijn breuk met de theosofische beweging in 1909) in ‘geesteswetenschap’.

In een Nederlandse vertaling werd dat dan weer ‘in het licht van de antroposofie’.

De laatste vertaling heet simpelweg ‘De opvoeding van het kind‘.

GA 34/309 

In dit dit deel gaat het over:..

Ontwikkelingsfase 0 – 7 jr. Invloed van buitenaf, kind een en al zintuig; rachitus, slecht gebit, ontstekingen, vertraagd denken.<1>
Kind nabootsend wezen, doet de omgeving na.<2>
Scheppende fantasiekracht ontwikkelen, lappenpop versus ‘mooie pop’.<3>
Invloed van kleuren, rood en groen. <4>
Invloed van buitenaf.<5>

  

In GA 100

                                   Theosophie und Rosenkreuzertum

                            Theosofie en de leer van de Rozenkruizers

In voordracht 5, Kassel 20 juni 1907

Blz. 60

Die Außenwelt ist der Bildner und Gestalter unseres ganzen Leibes. Das ist sehr wichtig für das praktische Leben, wie ja Theosophie immer für das praktische Leben ist. Das ist auch ungeheuer wichtig für die Erziehung, denn ganz richtig kann nur erzogen werden, wenn der Erzieher tief in die Natur des Menschen hineinzuschauen vermag. Bis zum Zahnwechsel entwickelt sich der physische Leib, bis zum vierzehnten, fünfzehnten Jahr etwa der Ätherleib, bis zum einundzwanzigsten Jahr der Astralleib. Alles das muß man wissen, wenn man praktisch und nicht phantastisch in die Erziehung eingreifen will. Wenn also bis zum siebenten Jahre ganz besonders die Veranlagung des physischen Leibes in Betracht kommt, dann müssen bei der Erziehung diese physischen Eindrücke, das heißt also alles, was das Kind mit seinen Sinnesorganen wahrnimmt, tief und gründlich berücksichtigt werden. Was bis zum siebenten Jahre in diesem Kindesleib an Formen und Veranlagung der physischen Organe versäumt wird, das ist für alle Zeiten des Lebens verloren. Die Einsicht in diesen letzten Satz gibt gerade der Medizin ungeheuer viel Richtlinien für eine sachgemäße Behandlungsweise, unter anderem zum Beispiel der Rachitis. Wie kommt es, daß diese Erkrankung gerade in dieser Lebensperiode auftritt? Eben weil da das Kind seinen Körper formt, und deshalb äußern sich diese Symptome gerade in der Form: krummer Knochenbau, schlechte Zähne, falsche Schädelform und so weiter. Deshalb ist aber auch das Kind gerade in der Zeit bis zum Zahnwechsel noch fähig, diese falschen Formen auf die Norm zurückzuführen. Wir sehen, daß bei sachgemäßer Behandlung selbst die krummsten Beine vollkommen gerade werden können, und daß selbst bei schlechtesten Milchzähnen ein vollkommen gesundes zweites Gebiß sich entwickeln kann, während krumme Beine, die bis zum siebenten Jahre nicht korrigiert sind, für das ganze Leben bleiben. Auch das Gehirn ist bis zum siebenten Lebensjahr in der Ausbildung seiner plastischen Formen begriffen, und was bis dahin an diesen feinen

<1>De buitenwereld vormt en boetseert ons gehele fysieke lichaam. Dit is van groot belang voor het praktische leven – net zoals de theosofie altijd betrekking heeft op het praktische leven. Het is ook van enorm belang voor de opvoeding, want ware opvoeding is alleen mogelijk wanneer de opvoeder in staat is diep in de menselijke natuur te kijken.
Het fysieke lichaam ontwikkelt zich tot aan de tijd van de tandenwissel; het etherlijf ontwikkelt zich tot ongeveer het veertiende of vijftiende levensjaar; en het astrale lichaam ontwikkelt zich tot het eenentwintigste jaar. Je moet dit alles weten om op een praktische manier en niet als een fantast in de opvoeding te kunnen ingrijpen.
Als de constitutie van het fysieke lichaam tot de leeftijd van zeven jaar dus het belangrijkste uitgangspunt vormt, dan moet er bij de opvoeding terdege rekening worden gehouden met fysieke indrukken – dat wil zeggen alles wat het kind via zijn zintuigen waarneemt. Wat vóór het zevende levensjaar wordt verzuimd met betrekking tot de vormen en de fysieke constitutie van het kinderlichaam, gaat voor de rest van het leven verloren.
Inzicht in dit laatste punt biedt de geneeskunde cruciale richtlijnen voor een passende behandeling – bijvoorbeeld bij rachitis. Waarom treedt deze aandoening juist in deze levensfase op? Juist omdat het kind in deze tijd zijn lichaam vormgeeft; dientengevolge manifesteren de symptomen zich in de fysieke structuur: kromme botten, een slecht gebit, een onregelmatige schedelvorm, enzovoort. Toch blijft het kind – tot aan de tandenwissel – juist hierdoor – in staat deze onregelmatigheden te corrigeren en het lichaam weer in de juiste vorm te brengen. We zien dat bij een passende behandeling zelfs de kromste benen kaarsrecht kunnen worden en dat er, zelfs bij een zeer slecht melkgebit, een volkomen gezond blijvend gebit kan ontstaan; terwijl kromme benen die tegen de leeftijd van zeven jaar niet zijn gecorrigeerd, een leven lang zo zullen blijven. Ook de hersenen zijn tot de leeftijd van zeven jaar bezig hun plastische vormen te ontwikkelen; wat zich tegen die tijd niet heeft ontwikkeld wat betreft deze subtiele 

Blz. 61

Ausbildungen, Ausgestaltungen der Form nicht ausgebildet ist, das ist für immer verloren. Und da ja das physische Gehirn das Instrument ist, durch welches sich der Geist äußert, ist es von ungeheurer Wichtigkeit, daß dieses Instrument so fein als möglich ausgearbeitet, respektive in den ersten sieben Jahren veranlagt wird. Denn mit einem mangelhaft ausgebildeten Gehirn kann selbst der größte Geist nichts anfangen, sowenig wie der größte Pianist auf einem verstimmten Klavier gut spielen kann. Gerade auch in bezug auf die Ausbildung des Gehirns werden von der Geisteswissenschaft sowohl der Erziehung als auch der Medizin sehr wichtige Richtlinien gegeben. Gerade hier stößt man sehr häufig in der modernen Medizin auf eine vollkommene Verkennung der Tatsachen. Geradeso wie sich die Rachitis in einer Mißbildung und Mißgestaltung der Knochen äußert, so äußert sie sich sehr häufig auch zugleich in einer Mißbildung im Drüsensystem und in den Schleimhäuten; das heißt, die von Rachitis befallenen Kinder zeigen sehr häufig die Erscheinungen von Drüsenschwellungen, adenoide Wucherungen und so weiter. Und als dritte Krankheitserscheinung bemerkt man bei diesen Kindern sehr häufig, daß sie auch geistig zurückbleiben, daß sie in der Schule zurückbleiben, unaufmerksam, ja direkt etwas blöde werden. Das ist aber in Wirklichkeit dieselbe mangelhafte Ausbildung des physischen Gehirns, namentlich der sogenannten Rindensubstanz, die ja gerade in diesen Jahren in ihrer feinsten Organisation ausgebildet werden muß und die wie die andern Erscheinungen auf einem Entwickelungsmangel beruht. Nun ist in einem solchen Falle der heutige moderne Mediziner infolge seiner ganzen modern-naturwissenschaftlichen Erziehung und Einstellung nur zu geneigt, es genauso zu machen wie die heutige Naturwissenschaft, und mit völliger Außerachtlassung der tieferen geistigen Ursachen einfach die zutage tretenden äußeren Erscheinungen als Ursache und Wirkung direkt aneinanderzureihen, wie die Perlen an einer Kette, was ist die Folge? Die Tatsachen sind: rachitische Knochen, adenoide Wucherungen, Nachlassen der Aufmerksamkeit und der Aufnahmefähigkeit, Sofort ist die Schlußfolgerung: Kinder, die adenoide Wucherungen haben, werden durch diese geistig schwach – also müssen diese Wucherungen entfernt werden. Die Wucherungen werden also operativ entfernt. Wenn nun diese Schlußfolgerung richtig

formaties en de vorming van de structuur, gaat voorgoed verloren. En aangezien de fysieke hersenen het instrument zijn waarmee de geest zich uitdrukt, is het van enorm belang dat dit instrument zo verfijnd mogelijk wordt gevormd – of liever gezegd: wordt aangelegd tijdens de eerste zeven jaar. Want zelfs de grootste geest kan niets beginnen met slecht ontwikkelde hersenen, net zoals de beste pianist niet goed kan spelen op een ontstemde piano. Juist op het gebied van de hersenontwikkeling biedt de geesteswetenschap essentiële richtlijnen voor zowel de opvoeding als de geneeskunde.

Toch vertoont de moderne geneeskunde op dit vlak vaak een totaal verkeerd begrip van de feiten. Zoals rachitis zich uit in een misvorming of afwijking van de botten, zo gaat dit vaak gepaard met een misvorming van het klierstelsel en de slijmvliezen; kinderen met rachitis vertonen namelijk vaak symptomen als gezwollen klieren, neusamandelgroei, enzovoort. Een derde symptoom dat bij deze kinderen vaak wordt waargenomen, is een verstandelijke achterstand: ze blijven achter op school, worden onoplettend of lijken zelfs wat traag van begrip. In werkelijkheid komt dit echter voort uit dezelfde gebrekkige ontwikkeling van de fysieke hersenen – met name de hersenschors, die juist in deze jaren haar fijnste structuur moet verkrijgen – en vindt het, net als de andere symptomen, zijn oorsprong in een ontwikkelingsachterstand. In dergelijke gevallen is de moderne arts – gevormd door een hedendaagse wetenschappelijke opleiding en denkwijze – maar al te snel geneigd de aanpak van de moderne natuurwetenschap te volgen: men negeert de diepere geestelijke oorzaken volledig en rijgt de zichtbare, uiterlijke symptomen simpelweg aaneen als oorzaak en gevolg, als parels aan een snoer. Wat is het resultaat? De feiten zijn: rachitische botten, neusamandelgroei en een afname van de aandacht en het leervermogen. De directe conclusie die men trekt, is dat kinderen met neusamandelgroei daardoor verstandelijk achteruitgaan – en dat deze gezwellen dus verwijderd moeten worden. Vervolgens worden de gezwellen operatief verwijderd. Als die conclusie nu juist zou zijn,

Blz. 62

wäre, müßte ein jedes Kind, das so behandelt wäre, mit einem Nachlassen und Verschwinden der Hemmungen von Seiten des Gehirns antworten. Was ist aber nach einer solchen Behandlungsweise in den allermeisten Fällen zu beobachten? Daß der Eingriff nur einen ganz vorübergehenden Scheinerfolg hat, und daß in ganz kurzer Zeit die Wucherungen wieder nachgewachsen sind.Wird aber die Krankheit sachgemäß an der Wurzel angefaßt – und das ist sehr wohl möglich, nur würde es uns hier zu weit vom Thema abführen -, dann schwinden sowohl die krummen Knochen, als auch die Wucherungen der Schleimhäute und Drüsen, als auch die Trägheit des Gehirns. Nach dieser Abschweifung kehren wir wieder zum Thema zurück. Also an der Außenwelt entzünden und gestalten sich die richtigen physischen Formen. Das Kind ist in Wirklichkeit bis zum siebenten Jahre eigentlich nur Sinnesorgan. Alles, was es mit seinen Sinnen aufnimmt, verarbeitet es, und so auch vor allen Dingen alles, was es in seiner allernächsten Umgebung sieht und hört. Das Kind ist daher bis zum Zahnwechsel ein nachahmendes Wesen, und das geht bis in seine physische Organisation hinein.

zou elk kind dat op deze wijze wordt behandeld, onvermijdelijk reageren met een afname en verdwijning van de cerebrale remmingen. Wat wordt er echter in de overgrote meerderheid van de gevallen na een dergelijke behandeling waargenomen? Dat de ingreep slechts een zeer vluchtig, schijnbaar succes oplevert en dat de woekeringen binnen zeer korte tijd terugkeren. Wanneer de aandoening echter bij de wortel wordt aangepakt – en dit is heel goed mogelijk, al zou een bespreking daarvan hier te ver voeren – dan verdwijnen de misvormde botten, de woekeringen van slijmvliezen en klieren, en de cerebrale traagheid.
Na deze uitweiding keren we terug naar het eigenlijke onderwerp. <1>
<2> De juiste fysieke vormen worden dus door wisselwerking met de buitenwereld geactiveerd en gevormd. In werkelijkheid is het kind tot de leeftijd van zeven jaar in wezen niets anders dan een en al zintuig. Het verwerkt alles wat het via de zintuigen waarneemt – en dit geldt vooral voor alles wat het in zijn directe omgeving ziet en hoort. Bijgevolg is het kind tot aan de tandenwisseling een nabootsend wezen, en dit strekt zich zelfs uit tot in zijn fysieke constitutie.

Das ist ja etwas ganz Natürliches. Das Kind nimmt durch die Sinnesorgane seine ganze Umgebung in sich auf. Es übt sich auch in dem Gebrauch seiner Glieder. Es sieht, wie der Vater, die Mutter und so weiter dieses oder jenes machen und macht dies ohne weiteres nach. Das geht bis in jede Bewegung der Hände und Beine hinein. Sind Mutter oder Vater zum Beispiel zappelig, so wird wohl in unzähligen Fällen auch das Kind zappelig; ist die Mutter ruhig, wird ganz selbstverständlich auch das Kind ruhig. Da muß man also versuchen, durch die richtige Umgebung die richtige Gegenwirkung hervorzurufen. Damit das Kind nun zur Ausbildung seines physischen Gehirns gerade die richtigen Richtlinien bekommt, ist es unbedingt nötig, daß, neben den sinnlichen Eindrücken, der Phantasie Anregungen gegeben werden. Deshalb ist es unbedingt erforderlich, dem kleinen Kinde möglichst einfache Spielsachen in die Hand zu geben. So wird ein natürliches Kind immer wieder, wenn es auch eine noch so «schöne» Puppe hat, zu der alten Puppe greifen, die aus einem Lappen besteht. Nur die verbildeten Kinder unseres Zeitalters werden mit «schönen» Puppen aufgezogen. Worauf beruht das?
Das Kind muß seine Phantasie

Dit is immers iets volkomen natuurlijks. Het kind neemt zijn hele omgeving in zich op via zijn zintuigen. Ook oefent het in het gebruik van zijn ledematen. Het observeert hoe vader, moeder en anderen allerlei dingen doen en imiteert hen spontaan. Dit strekt zich uit tot elke beweging van handen en benen. Als bijvoorbeeld vader of moeder onrustig is, zal het kind in talloze gevallen ook onrustig worden; is de moeder kalm, dan zal het kind heel vanzelf ook kalm worden. Men moet dus proberen de juiste reactie uit te lokken door de juiste omgeving te scheppen. <2>
<3> Om ervoor te zorgen dat het kind de juiste begeleiding krijgt bij de ontwikkeling van zijn fysieke hersenen, is het essentieel dat – naast zintuiglijke indrukken – ook de verbeeldingskracht wordt gestimuleerd. Daarom is het absoluut noodzakelijk om het jonge kind zo eenvoudig mogelijk speelgoed te geven. Een kind dat dicht bij de natuur staat, zal bijvoorbeeld telkens weer naar een oude lappenpop grijpen, ook al bezit het een pop die veel ‘mooier’ is. Alleen de verwende kinderen van onze tijd worden grootgebracht met ‘mooie’ poppen. Wat is daarvan de reden?
Het kind moet zijn verbeeldingskracht


anstrengen, um das Gebilde in seiner Phantasie so umzugestalten, daß es ähnlich einer menschlichen Figur wird, und das ist gerade eine gesunde Übung für das Gehirn. Genau wie der Arm durch Turnen gestärkt wird, so wird das Gehirn durch diese Übung ausgebildet. Wichtig sind auch die Farben in der Umgebung, die beim kleinen Kind ganz anders wirken als beim Erwachsenen. Man glaubt heute vielfach, grün wirke auf ein Kind beruhigend. Das ist durchaus falsch. Einem zappeligen Kind soll man eine rote Umgebung geben, und einem ruhigen Kinde eine grüne oder blaugrüne. Die Wirkung des Rot auf das Kind ist so: Wenn Sie auf ein helles Rot sehen und dann schnell weg auf ein weißes Papier, dann sehen Sie die komplementäre Farbe: grün. Das ist die Tendenz, die Gegenfarbe hervorzubringen. Das versucht auch das Kind*, es versucht innerlich die Tätigkeit zu entfalten, die die Gegenfarbe hervorruft. – Das war ein Beispiel dafür, wie die Umgebung wirkt. Und so wirkt die ganze Umgebung – neben vielen, vielen andern Dingen, die wir später und an anderer Stelle erörtern werden – in außerordentlich hohem Maße mit an der Bildung des kindlichen physischen Körpers von der Geburt bis zum Zahnwechsel, an der Bildung des Ätherleibes vom siebenten bis vierzehnten Jahre, des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre und so weiter.

anstrengen, um das Gebilde in seiner Phantasie so umzugestalten, daß es ähnlich einer menschlichen Figur wird, und das ist gerade eine gesunde Übung für das Gehirn. Genau wie der Arm durch Turnen gestärkt wird, so wird das Gehirn durch diese Übung ausgebildet. Wichtig sind auch die Farben in der Umgebung, die beim kleinen Kind ganz anders wirken als beim Erwachsenen. Man glaubt heute vielfach, grün wirke auf ein Kind beruhigend. Das ist durchaus falsch. Einem zappeligen Kind soll man eine rote Umgebung geben, und einem ruhigen Kinde eine grüne oder blaugrüne. Die Wirkung des Rot auf das Kind ist so: Wenn Sie auf ein helles Rot sehen und dann schnell weg auf ein weißes Papier, dann sehen Sie die komplementäre Farbe: grün. Das ist die Tendenz, die Gegenfarbe hervorzubringen. Das versucht auch das Kind*, es versucht innerlich die Tätigkeit zu entfalten, die die Gegenfarbe hervorruft. – Das war ein Beispiel dafür, wie die Umgebung wirkt. Und so wirkt die ganze Umgebung – neben vielen, vielen andern Dingen, die wir später und an anderer Stelle erörtern werden – in außerordentlich hohem Maße mit an der Bildung des kindlichen physischen Körpers von der Geburt bis zum Zahnwechsel, an der Bildung des Ätherleibes vom siebenten bis vierzehnten Jahre, des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre und so weiter.

aanwenden om de vorm in zijn geest om te vormen totdat deze op een menselijke gestalte lijkt; dit is precies een gezonde oefening voor de hersenen. Zoals de arm door gymnastiek wordt versterkt, zo worden de hersenen door deze oefening ontwikkeld. <3>
<4> Ook de kleuren in de omgeving zijn van belang; ze werken heel anders in op een jong kind dan op een volwassene. Tegenwoordig wordt vaak gedacht dat groen een kalmerende invloed heeft op een kind. Dat is volkomen onjuist. Een onrustig kind zou in een rode omgeving moeten worden geplaatst, en een rustig kind in een groene of blauwgroene omgeving. Het effect van rood op het kind is als volgt: als je naar een heldere kleur rood kijkt en de blik vervolgens snel naar een vel wit papier verlegt, zie je de complementaire kleur – groen. Dit illustreert de neiging om de tegenovergestelde kleur voort te brengen. Ook het kind doet dit; het probeert innerlijk de activiteit op te wekken die de tegenovergestelde kleur oproept. Dit was een voorbeeld van de werking van de omgeving. <4>
<5> Op deze wijze speelt de gehele omgeving – naast vele andere factoren die we later en elders zullen bespreken – een buitengewoon belangrijke rol bij de vorming van het fysieke lichaam van het kind (van de geboorte tot de tandenwisseling), het etherlijf (van het zevende tot het veertiende jaar), het astraallijf (van het veertiende tot het eenentwintigste jaar), enzovoort.

Ja, während des ganzen Lebens macht sich der Einfluß der Umwelt auf den einzelnen Menschen geltend. Das Sprichwort: Sage mir, womit du umgehst, und ich sage dir, wer du bist – beruht ja auf dieser Einsicht, denn «womit ich umgehe», heißt doch «was in meiner Umgebung vor sich geht». Diese Umgebung hat also einen starken Einfluß auf mich. Das gilt ja ganz besonders für die Zeit der Ausbildung des Astralleibes vom vierzehnten bis einundzwanzigsten Jahre, und es ist eine fast alltägliche Erfahrung, daß ein junger Mensch in diesen Jahren leicht durch seine Umgebung astral verdorben wird.

Ja, de invloed van de omgeving laat zich gedurende het hele leven van het individu gelden. Het gezegde “Zeg me met wie je omgaat, en ik zal je zeggen wie je bent” berust inderdaad op dit inzicht, want “met wie ik omga” betekent in wezen “wat er zich in mijn omgeving afspeelt”. Deze omgeving oefent dus een sterke invloed op mij uit. Dit geldt in het bijzonder voor de periode waarin het astraallijf zich ontwikkelt – tussen het veertiende en eenentwintigste levensjaar – en het is een bekend verschijnsel dat een jongere in deze jaren gemakkelijk astraal door zijn omgeving kan worden bedorven.

GA 100/60-63

Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 9

Hier vind je de verwijzingen naar ‘ontwikkelingsfasen’

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3592-3385

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 10e klas – wiskunde

.

Ernst Bindel, Erziehungskunst jrg. 23 nr. 10 1959
.

De klinkende rekenliniaal
.

Uit de wiskundeles van de tiende klas *

Beste ouders! U heeft mij gevraagd een lesvoorbeeld te geven volgens de Waldorfmethode. Ik neem het voorbeeld uit een wiskundeles voor de tiende klas, waarin de theorie van logaritmen aan bod komt.

Logaritmen vormen de hoogste trede op de ladder van de rekenkunde. Daarom is het raadzaam om een ​​overzicht van de bewerkingen te geven en de leerlingen als het ware de ladder te laten beklimmen.
Als je goed telt, zijn er in totaal negen bewerkingen, waarvan er altijd drie een samenhangende groep vormen.
De eerste groep wordt aangevoerd door optellen, de tweede door vermenigvuldigen en de derde door machtsverheffen.
Dit zijn de drie belangrijkste stappen van de rekenkunde, elk vergezeld van twee substappen, waardoor er een nieuwigheid ontstaat.
De twee substappen van elk van de drie belangrijkste stappen ontstaan ​​doordat elke hoofdstap wordt beheerst door een polariteit die een dubbele inversie van de hoofdstap mogelijk maakt.

Optelniveau: Voorbeeld 3 + 4 = 7
Hier is de polariteit van de actieve en passieve factor van belang. 3 wordt verhoogd, en 4 voert de inversie uit.
3 staat aan de passieve kant, 4 aan de actieve kant.

De twee inversies:

Ofwel: 7 verminderd met 4 levert 3 op; dit is de actieve inversie, de echte aftrekking. Dezelfde 4, die de inversie uitvoerde, voert nu de vermindering uit.

Ofwel: 7 vergeleken met 3 levert de aftrekking van 4 op; dit is de passieve inversie, de vergelijking die het verschil creëert.

Een voorbeeld uit het dagelijks leven kan deze twee mogelijke manieren van terugkijken illustreren. Iemand heeft 30 euro en geeft er 12 uit. Hij houdt 18 euro over. Men moet ofwel zeggen “30 min 12 is 18” of “30 vergeleken met 18 resulteert in het wegnemen van 12, het verschil tussen wat men had en wat men nu heeft.”

Vermenigvuldigingsniveau: Voorbeeld 3   4 keer is 12.
Hier zien we opnieuw de polariteit van het actieve en het passieve.
3 wordt vermenigvuldigd en 4 is verantwoordelijk voor de vermenigvuldiging.
3 staat aan de passieve kant, 4 aan de actieve kant.

 De twee vormen van inverse relaties:

Ofwel: 12 gedeeld door 4 is 3;
dit is de actieve inverse relatie, de feitelijke deling.

Of: 3 is 4 keer in 12 vervat;
dit is de passieve inverse relatie, het vervat zijn, het met elkaar in verband staan, de vergelijking die relaties vaststelt.
Alle metingen horen hier thuis, omdat ze het vergelijken van een te meten hoeveelheid met een gekozen meeteenheid inhouden.

Machtverheffingsniveau: Voorbeeld  34 = 81
Hier speelt de polariteit van actief en passief weer een rol. 3 wordt tot een macht verheven, verhoogd, terwijl 4 verheft, potentieert, oftewel de machtsverheffing wordt uitgevoerd.

De twee manieren om terug te kijken:

Ofwel: de vierde wortel van 81 is 3;
dit is de actieve manier van terugkijken in de vorm van een wortelberekening.

Ofwel: 81 vergeleken met het oorspronkelijke getal 3 levert het vermeerderingsgetal 4 op;
de wiskundige zegt in plaats daarvan: “de logaritme van 81 met grondgetal 3 is 4”.

Dit is de passieve manier van terugkijken in de vorm van een logaritmeberekening.
Logaritmen zijn dus niets meer dan exponenten van machten, en het nemen van de logaritme betekent het afleiden van de exponent uit de macht en het grondgetal.

Het is essentieel om het machtsniveau visueel duidelijk te maken voor leerlingen, anders kunnen er aanzienlijke problemen met het begrip ontstaan.

Hoe kunnen we de opgave 34 = 81 illustreren?
Teken op het bord een boomachtige structuur waarbij de kroon 81 uit de stam I ontspruit via vier vertakkingen. Dit is alleen mogelijk als elke tak zich herhaaldelijk in 3 twijgen splitst.

0.  vertakkingsniveau      30   = 1  = stam
1.                 ==                    31   = 3
2.                ==                    32   = 9
3.                ==                    33  = 27
4.                ==                    34 = 81

(Zo’n boomachtige figuur wordt op het bord getekend.)
Het machtsverheffen is dus een groeiproces: 3 is het grondgetal, volgens
welk de boom groeit, 81 is het kroongetal en 4 het getal van de groeikracht.
Logaritmiseren betekent het bepalen van de groeikracht, in dit geval dus de 4,
en een wortel trekken betekent het bepalen van het grondgetal volgens welk de boom is gegroeid, in dit geval de 3.
Van bijzonder belang voor de mens zijn de drie passieve omkeringen; in welk opzicht, zal na een samenvattende inleiding worden toegelicht.

De drie passieve omkeringen waren:
verschilvormende vergelijking
verhoudingsvormende vergelijking
groeivormende vergelijking
Als voorbeeld wordt 64 vergeleken met 4:

I. Verschil     64-4 = 60
2. Verhouding 64:4 = 16 (:I)
3. Groei 4log 81 = 3

Tussen 4 en 64 ligt het verschilgetal 60, het verhoudingsgetal 16 en
het groeigetal 3.
Dit drievoudige vergelijkingsproces wordt door de luisterende mens in uitzonderlijke mate toegepast:
Als we een enkele toon horen, passen we soms het onderscheidende vergelijken toe.
Als we twee verschillende tonen horen, vormen we hun verhouding.
Als we drie of meer tonen horen, onderzoeken we hoe ze uit elkaar voortkomen.

Ik wil deze drie beweringen, die op het eerste gezicht onbegrijpelijk zijn en waarvan de eerste zelfs zinloos lijkt, nader toelichten.

Het horen van een enkele toon:
Hoe kan men hier überhaupt van een vergelijking spreken! Voor een vergelijking zijn er toch minstens twee nodig. De tegenstrijdigheid verdwijnt wanneer het
gaat om twee tonen die door ons oor slechts als één enkele worden gehoord.
Dergelijke tonen ontstaan wanneer het oor twee tonen te horen krijgt die qua toonhoogte zeer dicht bij elkaar liggen, bijvoorbeeld met 435 en 440 trillingen per seconde. Dan wordt slechts één enkele toon gehoord, maar dan trillend, zwevend. Dergelijke zwevende tonen worden bij het orgel gebruikt voor bepaalde etherisch klinkende registers zoals de vox celesta, de Aeolische harp enz. Bij zo’n toon horen dan telkens twee pijpen die lichtjes ten opzichte van elkaar ontstemd zijn.

Wanneer een harmonium zulke tonen produceert, wordt elke toon geproduceerd door twee rietjes die iets uit stemming zijn. In het genoemde voorbeeld hoort men de zogenaamde concerttoon A met precies 5 slagen of trillingen per seconde. Het oor maakt dus een vergelijking die een onderscheid creëert: 440 – 435 = 5. Deze vijfvoudige toename en afname van de toon vindt al plaats in het akoestische luchtproces. De natuurkundige noemt dit een interferentie van twee trillingen. Het oor zou slecht georganiseerd moeten zijn als het dit externe luchtproces niet zou kunnen waarnemen. Dit vermogen van de horende mens is daarom niets bijzonders, omdat het extern en fysiek geconditioneerd en verklaarbaar is. Met de waarneming van het zweeffenomeen hebben we dus nog niet het domein van het lichamelijke-levende overschreden.

Twee tonen horen:

Als de twee tonen echter verder uit elkaar liggen, horen we geen zweving meer, maar twee verschillende tonen. Dit zijn de twee tonen met 435 en 870 trillingen per seconde. De hogere toon trilt dus twee keer zo snel als de lagere. Het oor bepaalt vervolgens dat de twee tonen zich verhouden als een priemgetal tot een octaaf. Het registreert een zogenaamd interval, in dit geval het octaafinterval. De trillingsfrequenties van het priemgetal en het octaaf verhouden zich als 1:2. De waarneming van zo’n interval is daarom onbewust gelijk aan de wiskundige vergelijking die de verhouding vaststelt. Een intervalervaring is niet langer een zintuiglijke waarneming, maar een mentale ervaring gebaseerd op de zintuiglijke waarneming van twee ver uit elkaar liggende tonen.

Het horen van drie of meer ‘tonen’

Stel dat er nu aan de twee tonen nog een derde wordt toegevoegd met 1740 trillingen per seconde, zodat het gaat om akoestische trillingen van 435, 870 en 1740 “Hertz”. In deze drie tonen zien we de oorspronkelijke vorm van een toonladder, een toonreeks.
Wat is er rekenkundig gezien aan de hand bij juist deze drie tonen?
Voor hun trillingsfrequenties geldt de verhouding:
435 : 870 = 870 : 1740 = 1 : 2
Hier gaat het niet langer louter om een vergelijking van twee tonen, een interval, maar om een vergelijking van twee vergelijkingen, om een vergelijking van twee
intervallen. Daarvoor zijn immers minstens drie tonen nodig. Het afzonderlijke interval is een vergelijking; de toonladder maakt het mogelijk om, verdergaand dan de afzonderlijke vergelijking, de intervallen te vergelijken, de vergelijkingen te vergelijken.
Wiskundig gezien is dit de overgang van de verhouding naar de proportie; de Grieken zouden zeggen: van de logos naar de analogie.

Belangrijk, maar vaak over het hoofd gezien, is een verbetering van de luisterervaring die verder gaat dan de loutere waarneming van intervallen. Ik hoop dat ik dit duidelijk genoeg kan uitleggen.

We horen hetzelfde toonhoogte-interval, dezelfde “toonhoogtestap”, tussen 435 en 870 als tussen 870 en 1740, namelijk in beide gevallen de octaafstap. Maar het interval tussen 435 en 870 is anders dan dat tussen 870 en 1740. Het laatstgenoemde interval is groter, zelfs twee keer zo groot, en toch hoort het menselijk oor in beide gevallen hetzelfde interval, namelijk de octaafstap. Uit deze schijnbare tegenstrijdigheid leiden we af dat men hier geen onderscheidingsvergelijking kan toepassen, en toch lijkt het oor zo’n vergelijking te eisen. Hoe verdwijnt de tegenstrijdigheid? Door de hoogste vorm van vergelijking toe te passen, de groei-creërende vergelijking, zoals die voortkomt uit de verhoudings-creërende vergelijking. Hij slaagt erin twee gelijke stappen in te voegen, namelijk de twee octaafstappen, tussen de drie getallen 1, 2 en 4, die hier centraal staan ​​bij het reduceren van de drie trillingsfrequenties 435, 870 en 1740 met 435, door de drie getallen te schrijven als machten van hetzelfde grondgetal 2:

1 =     20                 2 =  21      4 =  22

In de reeks van exponenten 0 1 2 wordt duidelijk dat de stap van 0 naar 1 dezelfde is als die van 1 naar 2.
Zo vindt de luisterervaring van een toonladder zijn passende uitdrukking in de opeenvolging van exponenten met dezelfde basis.
Wat doet het oor bij het waarnemen van de intervalreeks van meerdere tonen? Het verricht een mysterieuze mentale handeling, die voor het rekenende verstand verschijnt als een omzetting van de trillingsgetallen van deze tonen in puur machten van dezelfde basis, waarbij de machten exact de toonafstanden, de toonsprongen tussen de opeenvolgende tonen weergeven.
Rijen van machten op dezelfde basis noemt de wiskundige een logaritmisch systeem.

Een toonladder is rekenkundig gezien niets anders dan zo’n logaritmisch systeem.
Was de beleving van het interval nog een louter zielse aangelegenheid van de luisterende mens, zo groeit de beleving van de toonladder daarbovenuit uit naar een meer geestelijke sfeer.

Samenvattend kan dus worden gezegd:
Vanuit het luisteren bezien wijst de drie-eenheid van het vergelijken, die zich manifesteert in verschil, verhouding en groei, verborgen op de oerdrie-eenheid van lichaam, ziel en geest. Zo is het mogelijk om vanuit het puur wiskundige, met aandacht voor de luisterende mens, tot een begrip te komen van de oerdrie-eenheid van alle drie-eenheden, van lichaam, ziel en geest.

Laten we na deze overwegingen eens kijken naar het toetsenbord van een toetsinstrument!
Van octaaftoets tot octaaftoets is de afstand, zoals het hoort, gelijk, omdat het van 1 naar 2 naar 4 naar 8 naar 16 … telkens, logaritmisch
bekeken, dezelfde afstand is. Precies zo is het bij de rekenliniaal die is gebaseerd op de logaritmen.
Deze begint niet met 0 zoals een gewone schaal, maar met 1. Verder volgen op de gewone schaal de getallen 0, 1, 2, 3, 4, 5, … elkaar op in gelijke afstanden.
Bij de logaritmische schaal volgen daarentegen de getallen 1, 2, 4, 8, 16, … elkaar op in gelijke afstanden.
Achter deze gegraveerde getallen moet men zich nu juist de machten 0, 1, 2,
3, 4, … voorstellen.
Wat is dan het klavier van een piano, een harmonium of een orgel? Niets anders dan een klinkende logaritmische reeks.

De gebruikelijke benadering van de leer van de logaritmen laat de opmerkelijke
muzikale achtergrond ervan buiten beschouwing. Door deze mee te nemen, verliezen de logaritmen het rationele karakter dat er anders aan kleeft. Door de
juist begrepen logaritmen wordt een brug geslagen van de wiskunde naar
de muziek. En dat niet alleen! De mens kijkt erdoorheen in zijn lichamelijk-ziels- en geestelijke structuur.

In het jaar 1544 verscheen van een zekere Michael Stifel een boek met de titel
„Arithmetica integra“ (de volledige getallenleer). Daarin vindt men het volgende
reekspaar.

1   2   4   8   16   32    …..
0  1    2   3    4     5 

Hier schrijft Stifel de zin bij:

“Over de wonderbaarlijke eigenschappen van dit reekspaar zou een heel
nieuw boek geschreven kunnen worden. Maar ik onthoud me van deze taak en ga
met gesloten ogen weg.”

Ongeveer 60 jaar later werden vervolgens door twee wiskundigen, de Schot
Lord Neper en de Zwitser Jost Bürgi, onafhankelijk van elkaar de logaritmen ontdekt.

* Lezing tijdens een vergadering van de Ouderraad van de Vrije Waldorfschool, Stuttgart, Uhlandshöhe, op 8 mei 1959.

10e klas: alle artikelen

Algebra en rekenen: alle artikelen

Meetkunde: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3591-3384

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 9e klas – scheikunde (1)

.
Gerhard Ott, Erziehungskunst jrg. 20 nr.1 1956
.

De affiniteit van stoffen om met elkaar verbindingen aan te gaan

.
Uit de scheikundelessen van de negende klas
.
Cursief van de auteur

Artikelen over scheikundelessen in de zevende en achtste klas* toonden aan hoe noodzakelijk het is – op die leeftijd – om levendige, beeldende begrippen te gebruiken bij het beschrijven van de processen die zich afspelen, en om de aard van de stoffen zelf dicht bij de directe menselijke ervaring te brengen. Het is op deze leeftijd dan ook van groot belang dat processen zoals verbranding, kalkvorming, de werking van water, enzovoort, gepaard gaan met een sterke emotionele betrokkenheid. Men zou kunnen zeggen dat in deze klassen de begripsmatige samenhangen op de achtergrond blijven; de nadruk ligt op rijke, zintuiglijke waarneming – op het emotioneel doorgronden van de verschijnselen en het van binnenuit diepgaand beleven ervan.

In de negende klas echter – na het intreden van de puberteit – ontstaat als een fundamenteel nieuw element het vermogen van het kind tot zelfstandig denken. De jongere probeert nu, vanuit deze nieuwe vorm van levend denken, datgene te herkennen wat voorheen vooral via beelden werd ervaren en met emotionele betrokkenheid werd waargenomen. Voor deze leeftijdsgroep is niet zozeer nieuwe leerstof van belang, maar veeleer een nieuwe wijze van doorgronden van wat reeds bekend was – waarbij gebruik wordt gemaakt van die nieuw verworven zielskracht: het denkvermogen.

Maar zelfs in dit stadium, waarin de dingen van de materiële wereld zich verder beginnen te verwijderen van directe emotionele empathie en beleving, is het van belang begrippen te ontwikkelen waarbij de jongere toch een innerlijke verbondenheid voelt.

Dit kan worden bereikt door chemische stoffen nu sterker te beschrijven in termen van hun posities, maar ze toch te zien als entiteiten die begiftigd zijn met bijzondere eigenschappen, neigingen en vermogens, en uit wier activiteit hun “chemische lotsbestemming” voortkomt wanneer ze andere materiële wezens ontmoeten. En inderdaad: als een weerspiegeling van wat zich in deze periode ook in de psyche van de jongere afspeelt – driften en verlangens, neigingen en afkeer, verwantschap en vervreemding – werkt alles wat nu in het gedrag van chemische wezens waarneembaar is, door op een dieper niveau.
Goethe verwoordde deze merkwaardige relatie tussen de wetten van de chemische wereld en de wereld van de ziel op schitterende wijze in het vierde hoofdstuk van *De Wahlverwandtschaften* (De keuze-verwantschappen). “
In dit loslaten en grijpen, in dit vluchten en zoeken,” zo zegt hij daar, “meent men werkelijk een hoger doel te zien; men schrijft dergelijke wezens een soort wil en keuze toe en beschouwt de kunstmatige term ‘keuze-verwantschappen’ als volkomen gerechtvaardigd.”

Juist deze werkzaamheid van stoffen, die zo dicht bij de eigen psychische sfeer ligt, zorgt ervoor dat de jongere een bijzondere verwantschap voelt met de gebeurtenissen in de chemische processen.

Hierin schuilt het buitengewoon vruchtbare pedagogische potentieel van deze presentatiewijze; de ​​menselijke resonantie ervan kan het begrip bevorderen, zelfs bij het doorgronden van de meest complexe chemische processen. Door een dergelijke presentatie ervaart het kind chemische reacties als het zich voltrekken van een ‘drama’, waarin de elementaire stoffen optreden als de personages. Hun inherente eigenschappen bepalen het verloop van het drama. Als leerkracht kan men waarnemen hoe deze benadering – die nauw aansluit bij het gevoelsleven en de wil van de jongere – zelfs minder theoretisch ingestelde kinderen in staat stelt een werkelijk levendig begrip van chemische processen te ontwikkelen.
Laten we, om dit te verduidelijken, enkele specifieke chemische processen vanuit dit perspectief bekijken.

Wanneer we bijvoorbeeld waterstof vanuit een waterstofcilinder door een aangesloten slang en glazen tuit laten stromen en er een brandende lucifer bij houden, brandt het gas aanvankelijk kleurloos, maar vervolgens – door de invloed van het glas – met een gelige vlam. (1)
We gaan zien dat waterstof een vurig element is: het wil voortdurend branden. Het confronteert ons met deze specifieke eigenschap – als het fundamentele tegenbeeld van zuurstof, dat, zoals we weten, zelf niet brandt, maar juist de verbranding van andere stoffen mogelijk maakt.

Aan deze eigenschap van waterstof – de licht ontvlambare aard – wordt direct een tweede toegevoegd: het is een zo licht gas dat het altijd naar boven toe ontsnapt. Het drijft simpelweg weg uit een rechtopstaande, open cilinder waarin het wordt geleid; omgekeerd kan het van onderaf in een omgekeerde cilinder worden gebracht. In zekere zin keert de aard ervan de wetten om die voor aardse materie gelden: het vertoont lichtheid, geen zwaarte! Een vluchtigheid die van de aarde wegstreeft en een extreme ontvlambaarheid vormen de essentie ervan. Daartegenover staat de aard-affiniteit – de op de aarde gerichte aard – van zuurstof en de uitgesproken onbrandbaarheid ervan. In deze twee stoffen worden we geconfronteerd met oeroude tegenstellingen.

Maar hoe reageren ze op elkaar? Om daarachter te komen, gieten we de waterstof terug in een omgekeerde cilinder en plaatsen we vervolgens snel een brandende kaars bij de onderste rand. Er klinkt een zacht plofje en als we goed kijken, zien we dat de waterstof onder in de cilinder brandt met een vrijwel kleurloze vlam. (3) Maar als we de kaars dieper in de met waterstof gevulde cilinder brengen, dooft de vlam. (4) Als we de kaars er weer uithalen, ontbrandt hij opnieuw aan de onderkant van de cilinder. Dit kan meerdere keren worden herhaald. En omdat de brandende waterstof van een afstand nauwelijks zichtbaar is, lijkt het voor de kinderen aanvankelijk op magie, totdat ze de werkelijke oorzaak van het proces doorzien: namelijk dat waterstof – hoe graag het ook wil branden – alleen kan verbranden als er zuurstof beschikbaar is, maar dat het op zichzelf daartoe volstrekt niet in staat is. Daarom dooft de brandende kaars bij gebrek aan zuurstof, zelfs in een omgeving van uiterst brandbaar waterstofgas. Niets typeert de bijzondere eigenschappen van de twee stoffen treffender. Dergelijke tot nadenken stemmende experimenten, waarbij het zintuiglijk waarneembare proces alleen kan worden verklaard door de afzonderlijke processen met elkaar in verband te brengen, zijn van het grootste belang. Dit zijn bij uitstek ontwakingsprocessen voor de kinderlijke denkvermogens die zich moeizaam een ​​weg naar buiten banen.

Maar wat gebeurde er tijdens de verbranding van de “vuurgeest”? Wat was de “as” van het lichte waterstofgas na de verbranding? We kunnen dit waarnemen als we beter kijken: de cilinder is beslagen; er hebben zich waterdruppels gevormd.
Water is de as van waterstof!

Voor de kinderen is dit een diepgaand inzicht: water verschijnt als de as van het vuurwezen waterstof, wanneer dit door zuurstof wordt gegrepen, verbrand en vanuit zijn staat van aardse vluchtigheid naar aardse zwaarte wordt getrokken. Zuurstof trekt waterstof het aardse rijk in en transformeert het door hun verbinding tot water. Het brandbare vuurwezen zelf wordt geconfronteerd met de krachtige geest van de branddrang, en het in evenwicht brengen van deze oer-tegenstellingen leidt tot de vorming van water.

De vlam – het vuurelement zelf – is echter de kracht die de aanzet geeft tot deze meest intieme van alle verbindingen. Om dit verschijnsel duidelijker voor ogen te krijgen, kan men waterstof en zuurstof achtereenvolgens uit twee cilinders in een kleine open cilinder laten stromen en het gasmengsel met de kaars aansteken, net als voorheen. (5) Nu stormen de twee partners met plotseling geweld op elkaar af: het mengsel van waterstof en zuurstof – knalgas – explodeert!

De verbinding komt tot stand met elementaire kracht. Met een luide knal stroomt de lucht de ruimte in die door de gassen is vrijgekomen, terwijl de wand van de cilinder opnieuw beslaat door waterdamp. (Hetzelfde proces is – zij het minder heftig – waar te nemen wanneer men een kleine hoeveelheid waterstof uit een lange, rechtopstaande cilinder laat ontsnappen en er vervolgens een brandende lucifer in laat vallen: dit levert slechts een geluid op – een fluitend geluid dat wordt veroorzaakt doordat de lucht het lichte vacuüm instroomt.)
 
Nu kunnen we de kinderen echter ook laten zien dat deze vreemde, tegengestelde entiteiten – waterstof en zuurstof – pas ontstaan ​​wanneer we water zelf door middel van een elektrische stroom ontleden. De kracht van elektriciteit verbreekt de hogere eenheid van de stof water en drijft deze uiteen in de polariteiten van waterstof en zuurstof. Daardoor dragen deze elementen een voortdurend streven naar hereniging in zich; ze zoeken elkaar voortdurend op, en juist door dit inherente streven – deze keuzeaffiniteit – brengen ze een veelheid aan chemische processen teweeg.
Deze bespreking wordt afgesloten met een experiment dat deze feiten op bijzonder indrukwekkende wijze demonstreert. Tegelijkertijd vormt het een tegenhanger van het experiment dat in een eerder essay werd beschreven.**
We hebben dezelfde proefopstelling nodig als voorheen: een glazen buis met een bolvormig middendeel, maar ditmaal met daarin een “verbrande” stof – een as – in de vorm van een zwart poeder: koperas, oftewel koperoxide. En de cilinder die gas in deze buis voert, bevat nu brandbare waterstof. Er gebeurt iets opmerkelijks wanneer ik een brander onder de glazen buis houd, precies op de plek waar de as ligt: ​​de waterstofvlam aan het andere uiteinde van de buis krimpt, terwijl de zwarte koperas roodachtig begint te gloeien (en blijft gloeien, zelfs nadat ik de brander heb weggehaald), en aan het uiteinde van de schuin gehouden buis vormt zich een duidelijk zichtbare hoeveelheid water! (6)

Opnieuw krijgen de kinderen een reeks gebeurtenissen te zien die alleen als geheel te doorgronden is door een manier van denken die – dankzij eerdere experimenten – al inzicht heeft verworven in de wezenlijke kenmerken van de betrokken stoffen. Het is voor de kinderen een heerlijk gevoel om – via het pas ontwaakte geestelijke denkvermogen – de verschijnselen die ze met hun alerte zintuigen waarnemen te kunnen begrijpen en ordenen, en daarmee het noodzakelijke verloop van dit proces te kunnen doorgronden.

Want wat leert deze gedachtegang ons? Dit: met behulp van warmte kon de waterstof de zuurstof grijpen die verborgen – of ‘latent’ – aanwezig was in de koperas (zoals in alle asachtige stoffen); de waterstof kon deze zuurstof bevrijden uit haar gebonden staat in dat asmateriaal en zich ermee verbinden. De sterke affiniteit tussen waterstof en zuurstof maakte dit proces mogelijk; zo vond er in de verhitte buis een stille verbranding plaats – een verbinding van de twee tot water. Daardoor nam de vlam aan het uiteinde van de buis onvermijdelijk af, aangezien een aanzienlijk deel van de waterstof al was verbruikt. Maar wat gebeurde er met de zwarte koperas waaruit de zuurstof was onttrokken? Deze veranderde in rood koper – of werd ‘gereduceerd‘, zoals de term luidt. De stof kon terugkeren naar de staat waarin ze verkeerde voordat de zuurstof zich met het koper had verbonden en het tot zwarte as had verbrand.
Hier zien we opnieuw een opgang en neergang van elementaire stoffen: het waterstofgas ‘daalt af’ en verbrandt tot water door de zuurstof die uit de koperas vrijkomt, terwijl de koperas ‘opstijgt’ tot de stralende staat van koper naarmate ze van de zuurstof wordt bevrijd. Waterstof wordt geoxideerd; koperas wordt gereduceerd. Waterstof moet tot as worden, opdat koperas stralend koper kan worden. De ene stof moet zich ‘opofferen’ opdat de andere verheven kan worden! En ook hierin ligt een diepgaand principe besloten dat zijn weerga vindt in de sfeer van de ziel.
Zo worden materiële processen tot beelden die een nauwe en vruchtbare relatie aangaan met de ziel van het kind. Door deze gedachten te denken, vormt zij zichzelf. Tegelijkertijd voelt zij zich – vooral in deze moeilijke leeftijd van aardse rijping – geestelijk geborgen in de wetenschap dat ook het rijk van de materie door wetten wordt beheerst; wetten die in een hogere staat van volmaaktheid en vorm terug te vinden zijn in het rijk van haar eigen ziel.

*Zie scheikunde 7e klas onder nr. 3

**Niet op deze blog

9e klas: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3590-3383

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 8e klas – geschiedenis (4)

.
Steiner geeft slechts enkele aanwijzingen voor het vak geschiedenis in klas 8.
En dat is ook al een eeuw geleden.
Wat is nu belangrijk voor de mensvorming van de 8e-klasser waaraan ‘geschiedenis’ een bijdrage kan leveren.
Het is logisch dat daar in het verleden een antwoord voor werd gezocht en het is m.i. belangrijk steeds te blijven zoeken.
Een van de meest uitgewerkte achtergrondideeën zijn te vinden in ‘Geschichte lehren’ van Lindenberg.
Een deel daarvan staat vertaald op deze blog, nog niet echter de klassen vanaf 7.
In onderstaande artikel worden ook gezichtspunten aangedragen.
Het is m.i. zeker belangrijk de historische slogan goed te laten beleven, vooral met het oog op Steiner sociale driegeleding die daar in zekere zin een
metamorfose van is en waarmee m.i. in deze tijd de leerlingen van de hoogste klassen (11 en/of 12) ook gedegen kennis van zouden moeten krijgen om te zien of deze ideeën nu en of in de toekomst een oplossing kunnen bieden voor talloze maatschappelijke problemen. 
.

Jozef Zimmermann, Erziehungskunst jrg. 19 nr. 9 1955
.

Vrijheid, gelijkheid, broederschap

Geschiedenisles bij het aanbreken van de puberteit

Met het bereiken van lichamelijke volwassenheid begint de jongere – vanuit zijn innerlijke beleving – een tijdgenoot van zijn eigen tijd te worden. Er ontstaat dan een innerlijke behoefte aan geschiedenislessen die tot in het heden doorlopen.
De beelden van de moderne geschiedenis hebben een ander karakter dan die van de middeleeuwen. Gebeurtenissen van vóór de vijftiende eeuw worden grotendeels overschaduwd door bovennatuurlijke verschijnselen; ze dragen vaak legendarische of mythische trekken en laten zich zelden herleiden tot louter historische feiten. Wie zou bijvoorbeeld de bijdrage van middeleeuwse kloosters aan het aanzien van handenarbeid kunnen beschrijven zonder te wijzen op de aureool van Benedictus van Nursia – een glans die eeuwenlang de kloosterwereld en het bewustzijn van de monniken verlichtte? Wie zou de volle waarheid over de kruistochten kunnen overbrengen zonder te vertellen hoe Karel de Grote als heldenfiguur vooropging in de stoet van kruisvaarders?
Hoe verder we terugkijken in de geschiedenis, des te meer zien we bovennatuurlijke krachten werkzaam op het toneel van de gebeurtenissen.

Daarentegen is het historische beeld van de moderne tijd niet langer doordrongen van het handelen van goden, helden en heiligen. Hier staat het menselijke – en vaak het maar al te menselijke – onverhuld voor ons. Het is begrijpelijk dat een jongere, in deze levensfase waarin hij dichter bij zijn eigen lichamelijke natuur komt te staan, de betekenis van een dergelijk louter menselijk historisch drama kan gaan doorgronden. Het is echter lastig om te bepalen vanuit welke invalshoeken de historische verhalen van de moderne tijd – wat betreft hun wezenlijke waarheid – van pedagogische betekenis kunnen zijn voor jongeren.

De strijdkreet van de Franse Revolutie – “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” – biedt ons een sleutel tot het ideale element dat als een rode draad door de gebeurtenissen van de moderne tijd loopt. Dit drietal idealen kwam ruim 200 jaar geleden naar voren als een eis van de moderne mensheid en weerspiegelde precies de krachten die sinds de 15e eeuw onder de oppervlakte van de gebeurtenissen gistten.

Vrijheid: Het streven naar vrijheid markeert het aanbreken van de moderne tijd. We komen het in de Reformatie tegen als een eis tot gewetensvrijheid. Het treedt ons tegemoet in de opbloeiende wetenschap door het gedurfde streven naar onderzoeksdoelen die nooit eerder waren nagestreefd. Als vitaal element van een nieuwe artistieke geest verbrijzelt het oude ketenen. Jonge mensen herkennen zichzelf in de beeldtaal van dit tijdperk; voor velen wakkerden de beelden van vrijheid uit de vroegmoderne tijd de impuls aan tot een individueel, onafhankelijk geestelijk leven.
Men kan in detail beschrijven hoe deze ontluikende geestelijke vrijheid geleidelijk werd onderdrukt door de macht van de heersende klasse.
Slechts negen jaar na de dood van Luther maakte de Vrede van Augsburg een einde aan de gewetensvrijheid (*cuius regio, eius religio*). Onderzoekers liepen het risico op gevangenschap en gedwongen herroeping van hun opvattingen. De Dertigjarige Oorlog speelde de krachten van onderdrukking in de kaart, en het daaropvolgende tijdperk van het absolutisme bleek de tegenpool te zijn van wat oorspronkelijk tot ontwikkeling had willen komen.

Gelijkheid: Het inzicht van Rousseau – dat vrijheid niet kan bestaan ​​zonder rechtsgelijkheid – vormt de afsluiting van de eerste akte van de moderne geschiedenis. Alleen Engeland verankerde de vrijheid stap voor stap door wijzigingen in de rechtsorde, waardoor deze tot bloei kon komen. Elders in Europa – en eerder al bij de stichting van de Verenigde Staten van Amerika – vonden gewelddadige omwentelingen plaats waarbij men streefde naar rechtssystemen die op gelijkheid waren gebaseerd, “omdat vrijheid zonder die systemen niet kan bestaan.”
De burgerij van de 19e eeuw zette voort wat de Franse Revolutie was begonnen, door te streven naar een constitutioneel bestuur. Reactionaire krachten konden deze tweede beweging in de moderne geschiedenis slechts korte tijd stuiten; het jaar 1848 maakte de weg opnieuw vrij.
Het onderwijs zal op levendige wijze de ontwikkelingen schetsen die leidden tot de afschaffing van standen-kiesstelsels, de emancipatie van slaven in de VS en het einde van de lijfeigenschap in Rusland.

Broederschap: Het pleit voor de bourgeoisie dat zij de maatschappelijke verhoudingen zo krachtig heeft ontwikkeld. Toch schiet de burgerlijke orde tekort wanneer zij wordt geconfronteerd met de derde en moeilijkste vraag van het maatschappelijk leven.
Engeland, dat aanvankelijk vooropliep in de vooruitgang, was het eerste land dat de problemen blootlegde die voortvloeiden uit de industriële expansie. Het merendeel van de bevolking raakte geproletariseerd en werd overgeleverd aan de grillen van economische cycli en moordende concurrentie. Wat betekenen ‘gelijkheid voor de wet’ en ‘geestelijke vrijheid’ voor mensen zonder bezit, wanneer economische schommelingen hen van de ene op de andere dag tot bedelaars kunnen maken? Hoewel de erbarmelijke omstandigheden sindsdien zijn verzacht, blijft er een fundamenteel probleem bestaan. Want zelfs onder de gunstigste omstandigheden – zoals bij grote, moderne Amerikaanse ondernemingen die profiteren van economische bloei – blijft de observatie van L. Vaubel van kracht: “Het principe dat de bedrijfsleiding altijd de belangen van de werknemers voorop moet stellen, geldt alleen bij ‘mooi weer’. Zodra er moeilijke tijden aanbreken, wordt de leiding gedwongen haar beleid te wijzigen. Hoe oprecht de leiding ook gelooft in haar eigen paternalistische welwillendheid, voor de werknemer komt deze houding onvermijdelijk over als hypocrisie.”

De Franse Revolutie stelde ‘broederschap’ voorop als het ideaal dat op het gebied van economische arbeid verwezenlijkt had moeten worden. Dit doel bleef echter vaag, en juist op dit punt faalde de Franse Revolutie. Ze schond het beginsel van broederschap op twee manieren: tijdens de Terreur stortte inflatie het land in een periode van torenhoge prijzen, terwijl enkele honderden speculanten een fabelachtig vermogen vergaarden – pogingen om de geldeconomie aan banden te leggen, bleven zonder succes. Ondertussen leidde de opkomst van het nationalisme de aandacht af van het werkelijke sociale vraagstuk en dreef het volk in de armen van de veroveraar. Gedurende de hele negentiende eeuw en tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de historische vooruitgang belemmerd, met name door de nationalistische ambities die door het Franse voorbeeld waren aangewakkerd.
Het jaar 1848, dat de juridische hervorming had bevorderd, bracht tegelijkertijd het manifest van de klassenstrijd voort. Deze strijd ondermijnde echter de fundamenten van de rechtsorde; het beginsel van een partijstelsel gebaseerd op klassenconflict tastte het juridische klimaat aan. Economische belangen – gedreven door maatschappelijke standen waarvan de onderlinge verhoudingen nieuw en ongereguleerd waren – begonnen door te dringen tot het rechtsdomein.
De meest schrijnende vormen van proletarische nood werden geleidelijk verlicht. Bismarcks sociale wetgeving – en de latere uitbreidingen daarvan – introduceerde ouderdomspensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziektegeld en werkloosheidsverzekeringen. In onze tijd zijn het concept van medezeggenschap en, in sommige kringen, winstdeling opgekomen.

Toch blijven er cruciale vragen openstaan:
De waarde van arbeid is gestegen, maar blijft overgeleverd aan chaotische omstandigheden; ze bestaat nog niet binnen een geordende economische wereld waarin zij als vanzelfsprekend een inherente, volle waarde zou kunnen bezitten.
Alles wat jongeren aanschouwelijk wordt gemaakt over stukloon en uurloon, vakbonden en economische opbrengsten, roept vragen en overpeinzingen bij hen op. Ze gaan begrijpen hoe de opkomst van het nationaalsocialisme voortkwam uit werkloosheid en hoe het Oost-Westconflict voortvloeit uit uiteenlopende maatschappelijke structuren. Te midden van deze grote historische confrontatie kan de jongere zijn eigen plaats bepalen.
Men kan hun geen kant-en-klare formule aanbieden om de vraagstukken van de toekomst op te lossen. Wel moeten ze inzicht krijgen in de ontwikkelingen uit het verleden en de diverse facetten van de “sociale kwestie”, zodat ze leren hun weg te vinden in de stroom van de hedendaagse geschiedenis.
Hiermee is de reikwijdte van het geschiedenisonderwijs in de achtste klas nog niet uitgeput. Er moeten hier perspectieven worden geboden die het mogelijk maken om de verschillende samenhangen te ordenen en in onderling verband te plaatsen. 

8e klas geschiedenis: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Sociale driegelding: alle artikelen
veel onderwerpen die in de geschiedenislesstof van 8 t/m 12 besproken kunnen worden!

Driegonaal

.

3589-3382

.

.

.