WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (121)

.
Toegevoegd aan de lijst

HANDHAVEN

Dit werkwoord komen we tegen in de betekenis ‘zorgen voor de naleving van (de orde of regels en wetten)’, maar ook – denk aan de spreuk op ons wapen ‘ik zal handhaven’ – ik houd vol.
Je kan je mening handhaven – die neem je dan niet terug.

Het komt ook wederkerig voor – ‘zich handhaven’, d.i. je staande houden, bv. in moeilijke tijden; ‘over iets waken’ of ‘beschermen’.

Handhaven komt uit het Frans ‘maintenir’ -‘je maintiendrai’ op het Rijkswapen.

In het Volkslatijn bestaat manutenere, met de betekenis ‘bewaren, beschermen’. Dat zie je in het Engels terug: to mantain en het Duits heeft handhaben (hanteren, bedienen, toepassen).

Manus = hand en tenere = houden.

Maar het is ook verwant met havenen, dat nu beschadigen (denk aan ‘gehavend’) en mishandelen betekent, maar dat in het Middelnederlands een veel minder ongunstige betekenis had (‘met zorg behandelen’ of ‘van het nodige voorzien’). Net als havenen gaat het tweede deel van handhaven terug op dezelfde voor-Germaanse woordvorm waarop ons werkwoord hebben (bezitten, beschikken over, in handen houden/hebben) terug te voeren is. O.a. ‘de levende have’, ‘have en goed’ en het Engelse to have.

.

Zie ook spelling

Nederlandse taalalle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – Vergadering 22 november 1920

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven. Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan. De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Kinderen met problemen: lethargisch, apathisch, lichaamsoriëntatie; geen slapheden tolereren: krijtje goed vasthouden, niet sjokken; gedachtevlucht, onsamenhangend schrijven; soms niet meteen ingaan op een gedraging, maar pas de volgende dag. <1>
Spreken in koor goed, maar individueel controleren! <2>
Kletsen, lawaai, niet opletten; spanning, nieuwsgierigheid wekken <3>
Snel gekwetst, invloed moeder <4>
Geen interesse in euritmie: vormen tekenen en uitvoeren <5>
Prentenboek met beweegbare platen <6>
Hulpje om GGD vast te stellen <7>

 

RUDOLF STEINER

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919 bis 1924

Erster Band Das erste und zweite Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 1 Het eerste en tweede schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

GA 300A

Blz. 244

Vergadering van maandag 22 november 1920, 16—18.30u

Blz. 244 en 245 zijn hier vertaald met het oog op de muurversieringen in de school.

Blz. 245/246

Dann ist da eine Sache, die ich zur Sprache bringen muß. Es sind allerlei Dinge im Bau begriffen. Nun, nicht wahr, ist es so, daß der musikalische Unterricht unter dem Nichtvorhandensein von geeigneten Räumen an allen Möglichkeiten des fruchtbaren Unterrichtes leidet. Das ist doch eine Kalamität. Nicht wahr, wenn halt der Musiklehrer taub wird dadurch, daß er in einem ganz ungeeigneten Raum unterrichten muß, so ist das eine Kalamität. Das ist etwas, dem abgeholfen werden müßte. Man hat eine solche Befriedigung für die
Waldorfschule, wenn so ein Quartett auftritt. Das zeigt, was geleistet werden könnte, wenn alle Grundlagen da wären. Es wäre gut, wenn eine gewisse Sicherheit dafür vorhanden ist, daß darauf Rücksicht genommen wird, daß die Musik tatsächlich einmal für drei, vier Jahre ordentlich untergebracht ist.

Dan is er nog één ding dat ik moet aankaarten.
Er wordt van alles gebouwd. Is het niet zo dat muziekonderwijs lijdt onder het gebrek aan geschikte ruimtes, waardoor vruchtbaar onderwijs onmogelijk wordt? Dat is een ramp. Is het niet zo dat als de muziekdocent doof wordt doordat hij les moet geven in een volstrekt ongeschikte ruimte, dat ook een ramp is? Dat moet verholpen worden. Je krijgt zoveel voldoening van de Waldorfschool als zo’n kwartet optreedt. Dat laat zien wat er bereikt kan worden als alle fundamenten op hun plaats liggen. Het zou goed zijn als er enige garantie was dat er rekening wordt gehouden met de huisvesting van muziek gedurende drie of vier jaar.

X.: Ein Musiksaal ist vorgesehen.

X.: Er is een muziekzaal gepland.

Dr. Steiner: Ist der Musiklehrer als Sachverständiger zugezogen worden? Das wäre notwendig, daß Sie das selbst anordnen, was Sie
wollen. Es müßte schon dafür gesorgt werden, daß die Turnhalle zu
gleicher Zeit für den musikalischen Teil der Schule etwas hat.

Is de muziekdocent als expert geraadpleegd? Dat zou nodig zijn, zodat u zelf kunt regelen wat u wilt. Er moet voor gezorgd worden dat de gymzaal tegelijkertijd ook beschikbaar is voor het muziekonderwijs van de school.

Der Musiklehrer: Ich brauche auch für die Vorbereitung des Unterrichts einen
geeigneten Raum. Ich müßte etwas klanglich ausprobieren.

De muziekleraar: Ik heb ook een geschikte ruimte nodig voor de lesvoorbereiding. Ik moet wat experimenteren met geluiden.

Dr. Steiner: Es wäre notwendig, daß diese Sachen so eingerichtet werden, wie Sie es selbst angeben.
Werden genügend große Räume da sein für den Handfertigkeitsunterricht? Wie kommen Sie durch mit allen Kindern? Wenn Sie immer solch einen Trupp haben, dann können Sie kaum durchkommen.

Het is noodzakelijk dat deze ruimtes worden ingericht zoals u zelf aangeeft.
Zijn er voldoende grote ruimtes voor de handvaardigheidslessen? Hoe gaat om al die kinderen in toom houden? Als u altijd zo’n grote groep hebt, zult u het nauwelijks redden.

X.: Es fängt mit der 6. erst an.

X.: Het begint pas in de 6e.

Dr. Steiner: Trotzdem weiß ich nicht, ob Sie durchkommen können.
Viel mehr hat man nicht Platz in den Räumen, die ein Winkelwerk
sind. Die Kinder werden krank werden. Das wären Fingerzeige, die
notwendig gewesen wären zu beachten.
Jetzt möchte ich, daß sich die Freunde aussprechen über die Dinge,
die sie gerne besprochen hätten.

Zelfs dan weet ik niet of u het wel aankunt.

Er is niet veel ruimte meer in de lokalen, die een doolhof van hoekjes zijn. De kinderen zullen ziek worden. Dit zijn waarschuwingssignalen waar men rekening mee had moeten houden.
Nu wil ik graag dat de vrienden vertellen wat ze graag hadden willen bespreken.

X.: Ich wollte fragen, wie man Kinder behandeln soll, die lethargisch sind.

<1> X.: Ik wil graag vragen hoe je omgaat met kinderen die lusteloos zijn.

Dr. Steiner: Wie ist der Sch. im Handfertigkeitsunterricht? Er geht
so komisch. Ich habe im vorigen Jahre bei einigen schwach begreifenden Kindern so etwas als Grundübungen angegeben, daß sie am
eigenen Körper denken mußten. ,,Greife mit dem rechten dritten
Finger deine linke Schulter an.” Solche Dinge werden sie am eigenen

Hoe gaat het met Sch. in de handvaardigheidsles? Hij loopt zo vreemd. Vorig jaar gaf ik een aantal kinderen met leerproblemen eenvoudige oefeningen waarbij ze in termen van hun eigen lichaam moesten denken. “Pak je linkerschouder vast met je rechter middelvinger.” Ze moeten over zulke dingen nadenken in termen van hun eigen lichaam.

Körper denken müssen. Ich habe auch gezeigt, man zeichnet ihnen etwas auf, was man stilisiert; sie müssen daraufkommen, was das ist.
Oder man läßt sie das Symmetrische dazu machen. Man bildet Anschauungen, die mit dem Körperbau zusammenhängen. Diese Übungen in den Unterricht eingefügt, sind außerordentlich weckend für schläfrige Kinder. Bei diesem Jungen ist das Schlaf.
Ich würde Sie darum bitten, bei den Kindern keine Lässigkeit im Kleinen zu dulden. Nicht dulden, daß die Kinder die Kreide halten wie die Feder, daß die Kinder keine Ungeschicklichkeit begehen.
Auf solche Sachen würde ich ganz stark achten. Fast die Hälfte der Kinder hält die Kreide schlecht. Das muß man ihnen nicht durchlassen. Auf diese Dinge muß man doch furchtbar stark sehen.
Ich würde den Kindern nicht gestatten, so herauszutröpfeln, wie heute das kleine Mädchen. Da würde ich trachten, daß die sich den Gang bessern kann. Das hat ungeheuer viel Weckendes.
Der N. in der 6. ist auch so sehr apathisch. Bei dem würden solche Übungen sehr rasch helfen.
Ich würde auch eine Zeitlang sehr sehen auf das kleine Mädchen in der 4. Klasse, rückwärts auf der rechten Seite. Die neigt dazu, sich furchtbar viel auszudenken. Sie hat sich ausgedacht, daß die ganze Szene von dem ,,Lied vom braven Mann” am Mittelländischen Meer spielt. 

Ik heb ook laten zien dat je iets gestileerds tekent; ze moeten dan bedenken wat het voorstelt.

Of je laat ze de symmetrie daarbij vinden. Je vormt concepten die te maken hebben met de structuur van het lichaam. Deze oefeningen, die in de lessen zijn verwerkt, zijn buitengewoon stimulerend voor slaperige kinderen. In het geval van deze jongen is dat slaap.

Ik wil u daarom vragen om geen enkele onzorgvuldigheid bij de kinderen te tolereren, zelfs niet in kleine dingen. Tolereer niet dat de kinderen het krijtje als een pen vasthouden, tolereer niet dat de kinderen onhandig zijn. Ik zou daar heel goed op letten. Bijna de helft van de kinderen houdt het krijtje slecht vast. Dat mag u niet laten gebeuren. U moet hier heel goed op letten.

Ik zou de kinderen niet laten sjokken met hun gangetje, zoals het meisje vandaag deed. Ik zou proberen ervoor te zorgen dat ze haar gangetje kan verbeteren. Dat heeft een enorm stimulerend effect.

N. in groep 6 is ook erg apathisch. Zulke oefeningen zouden hem snel helpen.

Ik zou ook het meisje in groep 4, rechtsachter, een tijdje goed in de gaten houden. Ze verzint namelijk van alles. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld voorgesteld dat de hele scène uit “Het lied van de goede man” zich afspeelt aan de Middellandse Zee.

Das alles schreibt sie in Anlehnung an das Lied vom braven Mann. „Der Tauwind kam vom Mittagsmeer.” Von da aus macht sie eine phantastische Geographie. Mit diesem kleinen Mädchen muß man oft sprechen, die ist der Gefahr ausgesetzt, an Gedankenflucht zu leiden. „Das Ägäische Meer fließt ins Mittelländische Meer.”
Der Junge, der Kleine — es sind einzelne darunter, die haben eine reizende Schrift, einzelne sind sehr weit —, der kleine Junge schreibt so, wie mancher kommunistische Redner redet. Er paßt dann nicht auf. Er schreibt ohne Zusammenhang, wie ein Redner vom Kommunismus redet. Für den wären auch solche Übungen weckend.

Ze schrijft dit alles met verwijzing naar het lied over de dappere man. “De dooi kwam van de middagzee.” Van daaruit creëert ze een fantastische geografie. Je moet vaak met dit meisje praten; ze loopt het risico op gedachtevlucht. “De Egeïsche Zee stroomt in de Middellandse Zee.”

De jongen, de kleine – sommigen hebben een charmant handschrift, anderen zijn heel begaafd – de kleine jongen schrijft zoals sommige communistische redenaars praten. Hij let dan niet op. Hij schrijft onsamenhangend, zoals een spreker over het communisme praat. Zulke oefeningen zouden hem ook stimuleren.

-X. fragt wegen F. L.

-X. vraagt ​​naar F.L.

Dr. Steiner: Der Junge, der F. L., müßte vielleicht doch oft aufgerufen werden. Es ist nicht so schlimm. Er ist nur verträumt. Er kommt mit sich selbst schwer zurecht. Er müßte das Gefühl haben, man interessiert sich für ihn. Dann wird es sofort gehen. Es geht doch jetzt besser.

De jongen, F.L., zou misschien vaker aan het woord moeten komen. Het is niet zo erg. Hij is gewoon een beetje dromerig. Hij heeft moeite om met zichzelf om te gaan. Hij moet voelen dat iemand in hem geïnteresseerd is. Dan zal het meteen lukken. Het gaat nu beter.

X.: Er spricht in der Stunde nicht mit.

X.: Hij spreekt niet mee in de les.

Dr. Steiner: Ob er sich nicht aufraffen könnte? Er hat eine

Blz. 248

fortwährende Angst, daß man ihn nicht lieb hat. Das ist sein Grundphänomen. Man soll nicht hinter ihm etwas suchen.

Zou hij zich niet kunnen herpakken? Hij heeft een aanhoudende angst dat hij niet geliefd is. Dat is zijn fundamentele karaktertrek. Je moet niet achter zijn gedrag een diepere betekenis zoeken.

X.: Was würden Sie raten für Ch. D. in der 2. Klasse?

X.: Wat zou u  aanraden voor Ch. D. in de tweede klas?

Dr. Steiner: Hat sie etwas angenommen vom Unterrichtsinhalt? Was
haben Sie gegen sie?

Heeft ze iets van de lesstof begrepen? Wat heeft u tegen haar?

X.; Ich werde charakterlich nicht fertig.

X.: Ik kan haar karakter niet aan.

Dr. Steiner: Setzen Sie sich ganz in die Nähe und bemerken Sie nicht, wenn sie mit Ihnen kokettiert. Bemerken Sie es zunächst nicht, und immer erst am nächsten Tag sprechen Sie mit ein paar Worten über das, was sie ausgefressen hat am ersten Tag. Nicht wenn es gerade ausgefressen wird, sondern vierundzwanzig Stunden danach.

Ga heel dicht bij haar zitten en doe alsof u niet merkt dat ze met u koketteert. Merk het in eerste instantie niet op, en spreek pas de volgende dag met een paar woorden over wat ze de eerste dag heeft uitgehaald. Niet wanneer het net gebeurt, maar vierentwintig uur later.

X.: Bei mir in der 4. ist der W. R. K. Der folgt nicht; er lernt nicht und stört
dauernd die anderen Kinder. Er ist schläfrig und apathisch.

X.: Bij mij in de vierde klas zit W. R. K. Hij volgt de les niet; hij leert niet en stoort voortdurend de andere kinderen. Hij is slaperig en apathisch.

Dr. Steiner: Da würde ich es auch versuchen mit diesen Übungen.
Alles von Grund auf mit den Kindern machen, daß sie keine Schablonen in die Hand bekommen, noch ausgesprochene Formen, die übersichtlich sind.

Dan zou ik het ook met deze oefeningen proberen.
Alles vanaf de basis met de kinderen doen, zodat ze geen sjablonen in handen krijgen, noch uitgesproken vormen die overzichtelijk zijn. <1>

X. (der die 5. Klasse übernommen hat, weil Frau K. krank wurde): Es ist vor
allem eins, daß dadurch, daß die Klassen viel an Lehrern gewechselt haben, im
Rechnen die Kenntnisse ungleichmäßig sind. Soll ich das Rechnen abbrechen
und lieber einen anderen Gegenstand nehmen?

X. (die de 5e klas heeft overgenomen omdat mevrouw K. ziek werd): Het is vooral zo dat, doordat de klassen vaak van leraar zijn gewisseld, de kennis van rekenen ongelijkmatig is. Moet ik met rekenen stoppen en liever een ander vak nemen?

Dr. Steiner: Wie lange glauben Sie zu brauchen, daß jedes Kind so
weit ist, daß es geht?

Hoe lang denkt u nodig te hebben voordat elk kind zo
ver is dat het kan?

X..-Die Majorität in der Klasse ist nicht schlecht im Rechnen.

X..De meerderheid van de klas is niet slecht in rekenen.

Dr. Steiner: Nun meine ich das: der Unterricht im Chor ist gut; er ist gut mit Maß gemacht. Wenn allzuviel im Chor gesprochen wird, dann bitte ich nicht zu vergessen, daß die Gruppenseele eine Realität ist, daß Sie nie darauf rechnen können, daß die Kinder als einzelne das können, was sie im Chor richtig machen. Man hat so das Gefühl, wenn die Kinder im Chor sprechen, daß man sie leichter ruhig erhält.
Ein so gutes Mittel es ist, mäßig betrieben, damit die Gruppenseelenhaftigkeit in Regsamkeit kommt, so wenig ist es doch gut, die Kinder allzusehr der Gruppenseele zu überlassen. Sie können als einzelne nicht das, was sie im Chor können. Da müßte noch weiser geschaltet werden. Sie müssen die Kinder einzeln recht viel fragen. Man muß es tun. Es hat seinen großen erzieherischen Wert. Ja nicht glauben,

<2> Wat ik bedoel is dit: het lesgeven in koor is goed; het is goed gedoseerd. Als er te veel in koor wordt gesproken, dan vraag ik u niet te vergeten dat de groepsziel een realiteit is, dat u er nooit op kunt rekenen dat de kinderen als individuen
kunnen wat ze in koor goed doen. Men heeft zo het gevoel dat wanneer de kinderen in koor spreken, men ze gemakkelijker rustig houdt.
Hoe goed dit middel ook is, mits met mate toegepast, om de groepsgeest tot leven te brengen, het is toch niet goed om de kinderen te veel aan de groepsgeest over te laten. Ze kunnen als individuen niet wat ze in koor kunnen. Daar zou nog verstandiger mee omgegaan moeten worden.
Je moet de kinderen afzonderlijk heel vaak vragen stellen. Dat moet je doen. Het heeft een grote pedagogische waarde. Geloof vooral niet,

Blz. 249

wenn die Kinder unruhig werden, daß man sie dann im Chor sprechen lassen muß.

dat als de kinderen onrustig worden,  je ze dan in koor moet laten spreken. <2>

X.: Was soll man gegen die Unruhe tun?

X.: Wat moet je tegen die onrust doen?

Dr. Steiner: Was machen die Kinder dann?

Wat doen de kinderen dan?

X.: Sie sprechen, schwätzen, lärmen.

<3> X.: Ze praten, kletsen, maken lawaai.

Dr. Steiner: Es scheint beim Rechenunterricht zu sein. Neulich, wie ich da war, waren die Kinder wunderbar ruhig.

Het lijkt tijdens de rekenles te zijn. Onlangs, toen ik daar was, waren de kinderen heerlijk rustig.

X.: Die haben Angst gehabt vor Dr. Steiner, das haben die anderen nachher
gesagt.

X.: Ze waren bang voor Dr. Steiner, dat hebben de anderen achteraf
gezegd

Dr. Steiner: Sie müssen es eine Zeitlang so machen, daß Sie versuchen, die Neugierde der Kinder zu erregen, daß sie unter einer gewissen Spannung dem Unterricht folgen; durch die Sache selbst, nicht durch außerunterrichtliche Mittel.

U moet het een tijdje zo aanpakken dat u probeert de nieuwsgierigheid van de kinderen te prikkelen, zodat ze onder een zekere spanning de les volgen; door de les zelf, niet door middelen buiten de les om. <3>

(Zu Fräulein Hauck): Nicht wahr, die Kinder im Handarbeitsunterricht, ich habe sie noch nie unartig gefunden. Ich glaube, es wird sich auch geben. Die Kinder werden sich an Sie gewöhnen. Die 4. ist eigentlich artig und regsam. Sie gingen auf eine schwierige Auseinandersetzung ein und dachten gründlich nach. Ich habe etwas darüber gesprochen. Sie müssen nur nicht gleich — Sie sind ganz noch jung und morgenschön als Lehrerin der Waldorfschule; Sie müssen noch warten, bis die Kinder kommen, Sie nahe zu sehen.

(Tegen juffrouw Hauck): Nietwaar, de kinderen tijdens de handwerkles, ik heb ze nog nooit onhandelbaar gevonden. Ik geloof dat het wel goed komt. De kinderen zullen aan u wennen. De 4e klas is eigenlijk braaf en levendig. Ze gingen in op een moeilijke discussie en dachten grondig na. Ik heb er iets over gezegd. U moet alleen niet meteen — u bent nog heel jong en veelbelovend als lerares op de Waldorfschool; u moet nog even wachten tot de kinderen u van dichtbij leren kennen.

X.: Der G. Z. leidet an Heimweh. Er hat einen großen Fragetrieb.

X.: G. Z. heeft heimwee. Hij stelt heel veel vragen.

Dr. Steiner: Er ist auch im Physikunterricht ganz aufmerksam. Ich war verwundert darüber, daß er so artig ist. Die Frau, bei der er wohnt, sagt, er kritisiert sehr stark und schimpft furchtbar über die Lehrer und über die Schule und sagt, auf anderen Schulen hat er viel mehr gelernt. Man müßte wissen, ob es stimmt.

Ook tijdens de natuurkundeles is hij heel aandachtig. Ik was verbaasd dat hij zo braaf is. De vrouw bij wie hij woont, zegt dat hij erg kritisch is en vreselijk scheldt op de leraren en de school, en dat hij op andere scholen veel meer heeft geleerd. Men zou moeten weten of dat klopt.

X.: Das Kind G. D. fühlt sich leicht gekränkt und ungerecht behandelt.

<4> X.: Het kind G. D. voelt zich snel gekwetst en onrechtvaardig behandeld.

Dr. Steiner: Die Mutter hält sich für eine geistvolle Dame und da scheint sie manchen Kohl zu reden. Sie hat fürchterliches Zeug im Laufe der Jahre geredet. Was ist für eine Kalamität vorhanden?

De moeder beschouwt zichzelf als een geestrijke dame en daarbij lijkt ze nogal wat onzin uit te kramen. Ze heeft in de loop der jaren vreselijke dingen gezegd. Wat voor vreselijks is er aan de hand?

X.: Die Mutter beklagt sich, ich würde das Kind überanstrengen.

X.: De moeder klaagt dat ik het kind te veel zou belasten.

Dr. Steiner: Ich glaube nicht, daß man mit der Mutter so leicht fertig
wird. Sie ist so eine Salonspinne.
Man bemerkt oftmals bei den Kindern, die noch lenkbar sind und
mit denen man im Grunde alles machen könnte, daß bei denen die

Ik geloof niet dat je het zo gemakkelijk met de moeder voor elkaar krijgt. Ze is zo’n salon-spinnetje.
Je merkt vaak bij kinderen die nog beïnvloedbaar zijn en met wie je in principe alles zou kunnen doen, dat er bij hen 

Blz. 250

schrecklichsten Familienverhältnisse zugrunde liegen. Dieser kleinere Bruder, der bei einer vorsichtigen Behandlung ein ausgezeichneter Junge wäre, der kann nicht hochkommen in diesem Milieu. Er ist begabt, er hat alle die Krankheiten, die seine Mutter hat, in erhöhtem Maße, nur in anderer Form. Auf diese Dinge braucht man nicht zu achten, dann tut man sofort das Richtige.

vreselijke gezinsomstandigheden aan ten grondslag. Deze jongere broer, die bij een zorgvuldige begeleiding een uitstekende jongen zou zijn, kan in deze omgeving niet tot zijn recht komen. Hij is begaafd, hij heeft alle kwalen die zijn moeder heeft, in verhoogde mate, alleen in een andere vorm. Aan deze dingen hoef je geen aandacht te besteden, dan doe je meteen het juiste. <4>

Eine Eurythmielehrerin: Bei R. F. gelingt es mir nicht, daß er Interesse an der
Eurythmie gewinnt.

<5> Een euritmielerares: Bij R. F. lukt het me niet om hem interesse te laten krijgen in de euritmie.

Dr. Steiner: Ironisieren Sie ihn doch einmal! Er war in einer Klosterschule. Die Hauptsache ist, daß er in der Eurythmie nicht mittut. Ich würde doch versuchen, ihn Eurythmieformen zunächst zeichnen zu lassen. Er soll Ihnen Formen zeichnen. Wenn er gezeichnet hat, dann lassen Sie ihn sie machen.

Probeer hem toch eens op een ironische manier te benaderen! Hij zat op een kloosterschool. Het belangrijkste is dat hij niet meedoet aan de euritmie. Ik
zou toch proberen hem eerst euritmievormen te laten tekenen. Hij moet vormen voor u tekenen. Als hij ze heeft getekend, laat hem ze dan uitvoeren. <5>

Dr. Steiner: Nun haben wir Ihre Fibel. Die Sache ist ausgezeichnet und würde für den, der sie benützt, außerordentlich anregend sein. Es könnte sich das Allerverschiedenartigste daran knüpfen. Die Sache jetzt als eine Probe des Geistes, der in der Waldorfschule waltet, zu geben, das wäre sehr gut. Wie ich überhaupt meine, daß es gut wäre, wenn man von dieser Art das, was auf den Unterricht Bezug hat, herausgeben würde. Nicht bloß die Aufsätze, sondern das, was im Unterricht sich betätigt. Es kostet aber ein Kapital. Es handelt sich
darum, wie wir zurechtkommen. So wie Sie es zusammengestellt haben, wenn diese Zeichnungen darin sind, muß das auch entsprechend gedruckt sein.

Nu hebben we uw leerboek. Het is uitstekend en zou voor degene die het gebruikt buitengewoon stimulerend zijn. Er zouden de meest uiteenlopende dingen aan gekoppeld kunnen worden. Het zou heel goed zijn om dit nu te presenteren als een voorbeeld van de geest die in de Waldorfschool heerst. Ik vind het overigens in het algemeen een goed idee om dit soort materiaal dat betrekking heeft op de lessen, uit te geven. Niet alleen de opstellen, maar ook wat er tijdens de lessen gebeurt. Het kost echter veel geld. Het gaat erom
hoe we dit kunnen financieren. Zoals u het hebt samengesteld, als deze tekeningen erin staan, moet het ook op de juiste manier worden gedrukt.

Die Schrift herbekommen, das kann man schon. Man kann sie machen. Wir machen auch das Titelblatt. Die Schriften, die jetzt zu haben sind, sind fürchterlich. Es handelt sich darum, das durch das ganze Buch durchzuführen. Das Ganze würde 20 000 Mark kosten; wenn wir zunächst darauf rechnen, daß wir 1000 absetzen, so müssen wir solch eine Fibel für 40 Mark verkaufen. Wie kommen wir da finanziell zurecht! Es wäre interessant, sich darüber zu unterhalten, wie man es machen kann. Man müßte es überlegen. Bücher sind furchtbar teuer. Sie können diese Dinge nicht mit einer gewöhnlichen Schrift machen. Es ist etwas so eigenartiges und als Fibel so charakteristisch, daß es gefördert werden sollte. Nun würde ich ein Nachwort dazu schreiben. Wenn es so hinauskommt, versteht es kein Mensch. Es würde darüber gesprochen werden.
Jetzt haben sie ein System, das ich ganz brauchbar finde, für ein Bilderbuch mit verschiebbaren Bildern, wo man unten an Schnüren

Het lettertype regelen, dat kan wel. Dat kunnen we zelf doen. We maken ook de titelpagina. De lettertypes die nu verkrijgbaar zijn, zijn vreselijk. Het gaat erom
dat we dit door het hele boek heen doorvoeren. Het geheel zou 20 000 mark kosten; als we er in eerste instantie vanuit gaan dat we er 1000 verkopen, dan moeten we zo’n leesboekje voor 40 mark verkopen. Hoe krijgen we dat financieel voor elkaar! Het zou interessant zijn om te bespreken hoe we dit kunnen aanpakken. We zouden er over moeten nadenken. Boeken zijn vreselijk duur. Je kunt dit soort dingen niet met een gewoon lettertype maken. Het is iets zo bijzonders en als leesboek zo karakteristiek, dat het ondersteund zou moeten worden. Nu zou ik er een nawoord bij willen schrijven. Als het zo uitpakt,
begrijpt niemand er iets van. Er zou over gesproken worden.
<6> Nu hebben ze een systeem dat ik heel bruikbaar vind, voor een prentenboek met verschuifbare plaatjes, waarbij je onderaan aan touwtjes

Blz. 251

zieht, wo man einen kurzen Text hat und oben verschiebbare Bilder. Ein solches Bilderbuch würde außerordentlich notwendig sein beim Kindergarten. Wenn Sie sich damit beschäftigen würden! Fürchterlich philiströs sind die heutigen Bücher.

trekt, waarbij je een korte tekst hebt en daarboven verschuifbare afbeeldingen.
Zo’n prentenboek zou buitengewoon noodzakelijk zijn op de kleuterschool. Als u zich daar eens mee bezig zou houden! De boeken van tegenwoordig zijn vreselijk bekrompen. <6>

X.: Ich wollte fragen, ob man im Religionsunterricht auch alte Dokumente heranziehen kann.

X.: Ik wilde vragen of men in de godsdienstles ook oude documenten kan gebruiken.

Dr. Steiner: Natürlich. Auch Selbsterfundenes. — Ich meine, daß man Herrn A. schon den Vorschlag machen sollte, daß er die Hälfte der Religionsklasse übernimmt. Geben Sie ihm nur die Hälfte. Wählen Sie selbst aus die, die Sie loshaben wollen. Er wird trotz seines Alters ebenso jung und morgenschön sein.

Natuurlijk. Ook zelf bedachte dingen. — Ik vind dat men de heer A. al het voorstel zou moeten doen dat hij de helft van de godsdienstklas op zich neemt. Geef hem maar de helft. Kies zelf de kinderen die u dan af wil staan. Hij zal ondanks zijn leeftijd net zo goed jong en stralend zijn.

X.: Würde Herr A. auch teilnehmen an den Handlungen?

X.: Gaat de heer A. ook deelnemen aan de Handelingen?

Dr. Steiner: Das wird sehr bald nötig sein.

Dat zal zeer binnenkort nodig zijn.

(Zu Fräulein H.): Jetzt möchte ich, daß Fräulein S. zu Ihnen kommt. Ich meine, daß es gut wäre, wenn Fräulein S. bei Ihnen darin wäre, daß Sie ihr die Fortsetzung des Unterrichts überlassen. Sie unterrichten eine Stunde, Sie sind darin, bleiben im Kontakt. Dazwischen jemand anderes. Mir kommt vor, daß Sie das wollen sollten.
Natürlich braucht das nicht pedantisch durchgeführt zu werden. Nur meine ich, daß angefangen werden sollte, denn in diesem Raum ist diese Klasse von Ihnen allein nicht zu bewältigen.

(Tegen juffrouw H.): Nu zou ik graag willen dat juffrouw S. bij u komt. Ik denk dat het goed zou zijn als juffrouw S. erbij zou zijn, zodat u haar de voortzetting van de les kunt overlaten. U geeft een uur les, u bent erbij, u houdt contact. Tussendoor iemand anders. Het lijkt mij dat u dat zou moeten willen. Dat hoeft natuurlijk niet pedant te worden uitgevoerd. Maar ik vind dat er een begin mee moet worden gemaakt, want in deze ruimte is deze klas voor u alleen niet te bolwerken.

Ich habe sicher gedacht, daß ich Ihnen diesen Bericht geben kann. Ich habe so viel zu tun, daß ich ihn erst von Dornach aus schicken kann. Das war mir eine Beruhigung, daß Sie auch nicht fertig sind.
Für das Goetheanum habe ich schon geschrieben. Da haben Sie noch
nicht geschrieben.

Ik dacht er zeker van te zijn dat ik u dit verslag kon geven. Ik heb het zo druk dat ik het pas vanuit Dornach kan versturen. Het stelde me gerust dat u ook nog niet klaar bent. Voor het Goetheanum heb ik al geschreven. Dat heeft u nog niet geschreven.

X.: Ich möchte den Jahresbericht jetzt doch setzen lassen.

X.: Ik wil het jaarverslag nu toch laten opstellen.

Dr. Steiner: Ich schreibe ihn wirklich, wenn ich in Dornach ankomme. Ich gebe ihn Herrn M. mit. Man müßte diese Beiträge durchredigieren. Wenn ich nur Zeit hätte! Ich müßte ihn mitnehmen und ihn machen in Dornach.

 Ik ga het echt schrijven zodra ik in Dornach aankom. Ik geef het mee aan de heer M. Deze bijdragen zouden grondig moeten worden geredigeerd. Had ik maar tijd! Ik zou het mee moeten nemen en het in Dornach moeten afmaken.

Dr. W. ist auch unglücklich und macht schon so verdrossene Gesichter den ganzen Tag. Sie sollen die Vorträge von H. machen? Mein Vater hat zwar, wie ich immer mit einer gewissen psychologischen Sensation erzähle, die Liebesbriefe für die Burschen des ganzen Ortes geschrieben. Die sind immer gekommen und haben sich die Liebesbriefe schreiben lassen. Die Mädchen waren furchtbar entzückt. Aber daß Sie die H.’sehen Vorträge machen sollen! Ich werde in

Dr. W. is ook ongelukkig en trekt al de hele dag zo’n chagrijnig gezichten. Moet u de lezingen van H. verzorgen? Mijn vader heeft, zoals ik altijd met een zekere psychologische sensatie vertel, de liefdesbrieven voor de jongens van het hele dorp geschreven. Die kwamen altijd langs en lieten zich de liefdesbrieven schrijven. De meisjes waren er ontzettend blij mee. Maar dat u de lezingen van H. moet houden! Ik zal in

Blz. 252

Zürich Vorträge zu halten haben, ich werde dem H. sagen, daß er seine Vorträge selbst machen muß.
Dann habe ich daran zu denken, Sie möchten eine Art Ritual für die
Weihnachtshandlung haben. Ist sonst eine Frage noch zu besprechen ?
Anschaulichkeit hat man nicht bloß, um das, was zu erklären ist, anschaulich zu machen, sondern auch, um den Geist beweglicher zu machen. So würde ich es gar nicht unberechtigt finden, wenn man das größte gemeinschaftliche Maß durch Zeichnungen so veranschaulichen würde, daß man die in beiden Zahlen enthaltenen Primzahlen in ein Gefäß hineinwirft; dann sind nur die Primzahlen, die in beiden sind, darin. Man hat die Möglichkeit, das ins Anschauliche zu versetzen. Ein großes Gefäß, man nimmt den Primfaktor 2, den schmeißt man hinein. Das ist ein Maß, mit dem kann man beides messen.
Es handelt sich darum, nicht bloß das zu unterstützen, was man begreiflich machen will, sondern das Gedächtnis wird dadurch unterstützt, daß man Raumesvorstellungen einführt, die anschaulich sind; daß die Kinder genötigt sind, da Raumesvorstellungen zu haben. Es ist das kein Tadel.

Zürich lezingen moeten houden; ik zal de heer H. zeggen dat hij zijn lezingen zelf moet geven.
Dan moet ik er nog aan denken dat u een soort ritueel wilt voor de kersthandeling.
Is er verder nog een vraag die besproken moet worden?
Concretisering dient niet alleen om datgene wat uitgelegd moet worden concreet te maken, maar ook om de geest flexibeler te maken.
<7> Ik zou het dan ook helemaal niet ongegrond vinden als je de grootste gemeenschappelijke deler door middel van tekeningen zo zou illustreren dat je de priemgetallen die in beide getallen voorkomen in een vat gooit; dan zitten er alleen de priemgetallen in die in beide voorkomen. Je hebt de mogelijkheid om dit concreet te maken. Een grote schaal, je neemt de priemfactor 2, die
gooit je erin. Dat is een maat waarmee je beide kan meten.
Het gaat erom niet alleen datgene te ondersteunen wat je begrijpelijk wil maken, maar het geheugen wordt ook ondersteund doordat je ruimtelijke voorstellingen introduceert die aanschouwelijk zijn; zodat de kinderen gedwongen worden om daar ruimtelijke voorstellingen van te hebben. Dat is geen kritiek. <7>

Diese Stunde war schon eine ausgezeichnete. Es könnte sich daran etwas anschließen, um die Kinder zum räumlichen Vorstellen zu bringen.
Wenn niemand mehr etwas zu fragen hat, werden wir abschließen. Ich
kann nur sagen, dies, was zum Teil herumgesprochen wird, daß die ganze Schule durch die Zunahme der Kinderzahl an Intimität verloren hat, kann ich nicht als Mangel empfinden. Ich kann nicht sagen, daß es etwas ist, was man besonders unangenehm empfinden muß.
Das muß man nehmen, wie es ist. Im übrigen, eigentlich kann ich sagen, ich finde, daß die Schule doch recht gute Fortschritte gemacht hat nach jeder Richtung hin. Hat jemand eine andere Meinung?
Nun möchte ich noch erwähnen; unsere Stuttgarter Unternehmungen müssen in einer gewissen Beziehung ein harmonisches Ganzes sein und müssen als solches empfunden werden. Es muß ein harmonisches Zusammenwirken sich immer mehr herausbilden. Wenn die Dinge überall so gegangen wären, wie sie im vorigen Jahr in der Waldorfschule gegangen sind, in bezug auf das Pädagogisch-Didaktische, so würde es gut sein. Die Waldorflehrer wirken wacker mit, damit das andere auch unterstützt werden kann. Es muß das, was hier in Stuttgart ist, als Ganzes betrachtet werden. Die Anthroposophische Gesellschaft mit der Waldorfschule zusammen ist der geistige Teil des dreigliedrigen Organismus. Der Bund für Dreigliederung muß ein politischer Teil sein; dazu müssen die Waldorflehrer

Dit was echt een uitstekende les. Er zou hierop iets kunnen volgen om de kinderen ruimtelijk denken bij te brengen.
Als niemand meer vragen heeft, ronden we af. Ik kan alleen maar zeggen dat wat er deels wordt beweerd, namelijk dat de hele school door de toename van het aantal leerlingen aan intimiteit heeft ingeboet, ik dat niet als een tekortkoming beschouw. Ik kan niet zeggen dat het iets is wat men als bijzonder onaangenaam hoeft te ervaren.
Dat moet men nemen zoals het is. Overigens kan ik eigenlijk zeggen dat ik vind dat de school toch behoorlijk goede vooruitgang heeft geboekt op alle vlakken. Heeft iemand een andere mening?
Nu wil ik nog het volgende vermelden: onze activiteiten in Stuttgart moeten in zekere zin een harmonieus geheel vormen en als zodanig worden ervaren. Er moet zich steeds meer een harmonieuze samenwerking ontwikkelen. Als de zaken overal zo zouden zijn verlopen als vorig jaar in de Waldorfschool, wat betreft het pedagogisch-didactische aspect, dan zou dat goed zijn. De Waldorfleraren werken dapper mee, zodat ook het andere kan worden ondersteund. Wat hier in Stuttgart is, moet als een geheel worden beschouwd. De Antroposofische Vereniging vormt samen met de Waldorfschool het geestelijke deel van het drieledige organisme. De Bond voor Driegeleding moet een politiek deel zijn; daarvoor moeten de Waldorfleraren

Blz. 253

durch ihren Rat beitragen. Der Kommende Tag wäre der wirtschaftliche Teil im Ganzen. Die Waldorfschule ginge ja fort. Jeder muß das Nötige dazu tun, daß die anderen Dinge nicht einschlafen. Namentlich der Bund für Dreigliederung, von dessen Regsamkeit hängt alles ab. Wir müssen darauf bedacht sein, daß uns mit jedem neuen Schritt neue Aufgaben erwachsen. Dadurch, daß die Del Montesche Fabrik hinzugekommen ist, haben wir eine Schar von Arbeitern. Eine solche Betriebsversammlung, wie wir sie gehalten haben, ist ja vom heutigen sozialen Leben aus gesehen wirklich ganz deutlich. Es ist jede Brücke abgebrochen zwischen Arbeiterschaft und führenden Klassen. Wenn wir nicht in der Lage sind, durch die Dreigliederungsbewegung gemeinsame Interessen hervorzurufen, wie sie in den siebziger Jahren vorhanden waren in der europäischen Bevölkerung, wo die Proletarier sich interessiert haben für die demokratische Idee, so daß gemeinsame Interessen vorhanden sind, daß man auf etwas anderes denkt als bloß das Brot, wenn das nicht der Fall sein kann, kommen wir auf keinem Gebiete weiter. Wir müssen eine geistige Atmosphäre schaffen. In bezug darauf schläft das Stuttgarter geistige Leben in den letzten fünf Monaten einen tiefen Schlaf, und es muß wiederum auferweckt werden.

door hun advies een bijdrage te leveren. ‘De komende dag’ zou in het teken moeten staan van het economische aspect in zijn geheel. De Waldorfschool zou immers doorgaan. Iedereen moet het nodige doen om te voorkomen dat de andere zaken in de vergetelheid raken. Met name de Bond voor Driegeleding, waarvan de activiteit alles bepaalt. We moeten er rekening mee houden dat elke nieuwe stap nieuwe taken met zich meebrengt.
Doordat de fabriek van Del Monte erbij is gekomen, hebben we een hele groep arbeiders. Zo’n bedrijfsvergadering, zoals we die hebben gehouden, is vanuit het huidige sociale leven gezien echt heel duidelijk. Elke brug tussen de arbeidersklasse en de leidende klassen is verbroken. Als we niet in staat zijn om via de driegeledingsbeweging gemeenschappelijke belangen te creëren, zoals die in de jaren zeventig bestonden onder de Europese bevolking, waar de proletariërs zich interesseerden voor het democratische idee, zodat er gemeenschappelijke belangen zijn en men aan iets anders denkt dan alleen maar aan brood, als dat niet het geval kan zijn, komen we op geen enkel gebied verder. We moeten een geestelijke sfeer scheppen. Wat dat betreft slaapt het geestelijke leven in Stuttgart al vijf maanden een diepe slaap, en het moet weer tot leven worden gewekt.

Das tritt dadurch hervor, daß die Dreigliederungszeitung, die so gut ist, als sie sein kann, in den letzten fünf Monaten gar nicht an Leserzahl zugenommen hat. Sie hat auch nicht zugenommen an Mitarbeiterzahl. Wir brauchen Mitarbeiter für die Dreigliederungszeitung.
Das Ziel muß uns vor Augen schweben, die Dreigliederungszeitung möglichst schnell in eine Tageszeitung zu verwandeln. Wenn gewisse Konsequenzen gezogen werden, wenn wir also solche Betriebe angliedern, ohne daß wir etwas Positives leisten für die politische Bewegung Mitteleuropas, dann überleben wir das nicht. Wir können nicht Betriebe nach und nach aufnehmen und nicht zu gleicher Zeit etwas mit Stoßkraft leisten, was etwas ist.
Im politischen Leben und im sozialen Leben sind nicht Dinge einfach wahr, sondern sie sind, wenn man heute zu einer solchen Versammlung geht, etwas sagt, das ist heute wahr, aber wenn man sich nicht entsprechend verhält in den nächsten Monaten, so ist es nicht mehr wahr, so wird es unwahr. Wenn der Kommende Tag so etwas bleibt wie eine gewöhnliche Unternehmung, so wird das unwahr. Es ist wahr, wenn es uns gelingt, wirklich mit Stoßkraft vorwärtszukommen. Da handelt es sich darum, wie weit wir in der nächsten Zeit gegen alle Vorurteile im Aktuellen zugreifen.
Solch ein Mensch wie der Stinnes hat eine große Bedeutung für die nächste Zukunft.

Dat blijkt uit het feit dat de Driegeledingskrant, die zo goed is als ze maar kan zijn, de afgelopen vijf maanden helemaal geen groei in het lezersaantal heeft gekend. Ook het aantal medewerkers is niet toegenomen. We hebben medewerkers nodig voor de Driegeledingskrant. We moeten ons ten doel stellen om de Driegeledingskrant zo snel mogelijk om te vormen tot een dagblad. Als bepaalde consequenties worden getrokken, dat wil zeggen als we dergelijke ondernemingen onder onze vleugels nemen zonder dat we iets positiefs bijdragen aan de politieke beweging in Midden-Europa, dan zullen we dat niet overleven. We kunnen niet stukje bij beetje ondernemingen opnemen en tegelijkertijd met daadkracht iets van betekenis tot stand brengen.
In het politieke en sociale leven zijn dingen niet zomaar waar, maar als je vandaag naar zo’n bijeenkomst gaat en iets zegt, dan is dat vandaag waar, maar als je je de komende maanden niet dienovereenkomstig gedraagt, dan is het niet meer waar, dan wordt het onwaar. Als de „Kommende Tag” zoiets blijft als een gewone onderneming, dan wordt dat onwaar. Het is waar als het ons lukt om echt met daadkracht vooruit te komen. Het gaat erom in hoeverre we de komende tijd tegen alle vooroordelen in ingrijpen in de actualiteit.
Zo iemand als Stinnes is van groot belang voor de

Blz. 254

nächste Zukunft. Seine Ideen gewinnen an Anhang. Insbesondere in seiner Partei, der Deutsch-Idiotischen Partei, das heißt der deutschen Industrie-Partei, da gewinnen diese Ideen eine agitatorische Kraft.
Man muß sich klar sein, daß da geniale Hintermänner sind. Er strebt an, es dahin zu bringen durch eine Riesenvertrustung des geistigen Lebens und der wirtschaftlichen Unternehmungen, daß das Proletariat knierutschend vor den Toren seiner Unternehmungen erscheint, um Einlaß zu bitten. Dazu ist er auf dem besten Wege. Und es ist systematisch, was er tut. Und mit solchen Leuten steht schon wiederum die geistige Bewegung in Deutschland in einem gewissen
Zusammenhang. Bei uns versteht man die Mache viel zu wenig. Graf Keyserling (in Darmstadt) hat die Mache sehr gut verstanden. Er hat starke Finanzkräfte hinter sich. Dasjenige, was mit Stinnes heraufzieht — Sie können das verfolgen in den Badenschen Zeitungen —, wird als eine Heilslehre hingestellt. Das bringt eine Art von Dreigliederung herauf, aber in ahrimanischer Ausgabe. Sie kommt als Teufelswerk, wenn sie nicht so gemacht wird, wie wir sie machen können.
Nun handelt es sich darum, daß man die Augen sehend, die Ohren hörend, die Nasen riechend macht für alles das, was heraufzieht. Es ist schön, absolute Theorien hinzustellen. Es ist notwendig, daß man das Größte an die Einzelheiten anknüpft. Unser Wirken muß aktuell werden. Ich habe in meinem Vortrag in der Liederhalle am Bergarbeiterstreik angeknüpft. Wir sollen vom Alltäglichen die Leute heraufheben zu großen Gesichtspunkten.

nabije toekomst. Zijn ideeën winnen aan aanhang. Met name in zijn partij, de Deutsch-Idiotische Partei, dat wil zeggen de Duitse Industriepartij, krijgen deze ideeën een opruiende kracht.
Men moet zich goed realiseren dat er geniale krachten achter zitten. Hij streeft
ernaar dit te bereiken door een enorme concentratie van het intellectuele
leven en de economische ondernemingen te bewerkstelligen dat het proletariaat op zijn knieën voor de poorten van zijn ondernemingen verschijnt om toegang te vragen. Daar is hij goed op weg. En wat hij doet, is systematisch. En met zulke mensen staat op haar beurt de intellectuele beweging in Duitsland weer in een zekere samenhang. Bij ons begrijpt men het gekunstelde veel te weinig. Graaf
Keyserling (in Darmstadt) heeft het onechte heel goed begrepen. Hij heeft
sterke financiële krachten achter zich. Wat er met Stinnes opkomt — u kunt dat volgen in de Badense kranten —, wordt voorgesteld als een heilsleer. Dat brengt een soort driegeleding teweeg, maar dan in een ahrimanische versie. Het komt over als duivels werk, als het niet zo wordt gedaan zoals wij het kunnen doen.
Het gaat er nu om dat men de ogen laat zien, de oren laten horen en de neuzen laten ruiken voor alles wat er opkomt. Het is mooi om absolute theorieën te formuleren. Het is noodzakelijk dat men het grote geheel aan de details koppelt. Ons werk moet actueel worden. In mijn voordracht in de Liederhalle heb ik aangeknoopt bij de mijnwerkersstaking. We moeten de mensen vanuit het alledaagse naar grotere perspectieven tillen.

Da muß schon hier alles zusammenwirken. Der Kommende Tag wird dadurch wahrscheinlich funktionieren. Dem Bund für Dreigliederung schadet es nicht, wenn ihm manchmal ein bißchen Feuer unter den Sitz gemacht wird.
Unmittelbar aktuell ist die Frage, was wird mit der Kinderschar der neu übernommenen Fabriken? Das ist die Frage, die ein Vorwurf wird, wenn wir nicht zugreifen. Nun, nicht wahr, Dr. Ungers Betrieb hat eine Kinderschar, Del Montes Betrieb hat eine Kinderschar; dadurch, daß wir sie übernommen haben, wächst uns die Aufgabe, wie gründen wir dafür eine Waldorfschule. Wir müßten dafür sorgen.
Ebensogut möchte ich erinnern an das, was ich gestern an einem anderen Ort gesagt habe; die Studenten, die sich engagiert haben dafür, diesen Aufruf zu verbreiten, gegen die haben wir die heilige Pflicht, sie nicht sitzen zu lassen. Da müssen wir fest dahinter sein.
Der Aufruf ist eine furchtbar wackere Tat. Er schlägt ein. Die landwirtschaftlichen Schüler von Hohenheim haben reagiert darauf. Wir
müssen unsere Bewegung als eine solche auffassen, die nicht stehenbleiben kann, die mit jedem Tag fortschreiten muß, sonst hat sie gar keinen Sinn. Ins Austragsstübel können wir uns noch nicht setzen.

Alles moet hier dus samenwerken. ‘De komende dag’ zal daardoor waarschijnlijk
goed verlopen. Het kan voor de Bond voor Driegeleding geen kwaad als er af en toe een beetje vuur onder de stoel wordt aangestoken.
De vraag die nu op de voorgrond staat, is: wat gebeurt er met de kinderen van de
nieuw overgenomen fabrieken? Dat is de vraag die een verwijt zal worden als we geen actie ondernemen. Welnu, nietwaar, de fabriek van Dr. Unger heeft een groep kinderen, de fabriek van Del Monte heeft een groep kinderen; doordat we ze hebben overgenomen, groeit onze taak: hoe richten we daarvoor een Waldorfschool op? Daar moeten we voor zorgen.
Ik wil ook graag herinneren aan wat ik gisteren op een andere plek heb gezegd; de studenten die zich hebben ingezet om deze oproep te verspreiden, tegenover hen hebben we de heilige plicht om hen niet in de steek te laten. Daar moeten we volledig achter staan.
De oproep is een ontzettend moedige daad. Hij slaat aan. De landbouwstudenten van Hohenheim hebben erop gereageerd. We moeten onze beweging zien als een beweging die niet stil kan blijven staan, die elke dag vooruit moet gaan, anders heeft ze helemaal geen zin. We kunnen nog niet achter de geraniums gaan zitten.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3560-3344

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – Menskunde

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

.

Zie ‘voorwoord‘.

.

Christine Britsche, Wanne-Eickel

Menskunde in de middenbouw*
.

*Zie voor de begrippen hier.
.

Rond het twaalfde levensjaar vindt er een ingrijpende verandering plaats in de ontwikkeling van het kind. Dit is het proces van de beginnende aardse rijpheid. Alles wat voorheen nog in beeldende vorm via de dier- en plantkunde aan het kind werd aangeboden, kan vanaf nu meer op intellectuele wijze worden opgenomen en verwerkt.
De vraag die nu bij het kind opdringt: ‘Wat ben ik zelf als mens?’, vindt haar antwoord in de leerstof van de vier menskundeperioden.

In de zevende klas beginnen we met de ademhaling. Om de mysterieuze processen te doorgronden die zich daarbij in ons afspelen, kijken we eerst naar de plant en ontdekken we in de assimilatie een weerspiegeling van de menselijke ademhaling. Wat zich in het bloed en in het groene sap van de plant met behulp van lucht en zonlicht aan stofomzettingen voltrekt, komt overeen met wat zich op mysterieuze wijze in de menselijke ademhaling tussen de zuurstof en het rode bloed afspeelt. Dat dit proces plaatsvindt in een eeuwige afwisseling, die we dan, met achttien ademhalingen per minuut, het ademhalingsritme noemen, kunnen we zelfs aan onszelf aflezen. Daarbij ontdekken we de nauwe verbondenheid van de mens met de omgeving, met name met de plantenwereld, en vinden we al snel voorbeelden, zoals dag en nacht, inademing en uitademing, geboorte en dood.

De verbanden met de buitenwereld komen nog duidelijker tot uiting in de voeding. Wat bij onze ademhaling nog onbewust, bijna als in een droom, gebeurt, verloopt bij de voeding bewust. Terwijl we bij het ademen alle lucht moeten aannemen die onze omgeving ons biedt, kunnen we bij de voeding vrij en bewust beslissen wat en wanneer we eten. Hoe geweldig deze voorziening voor ons mensen is, maar ook welke gevaren ze in zich draagt, kunnen de leerlingen zelf ontdekken als je ze op zoek laat gaan naar oude volkswijsheden over goede en slechte eetgewoonten, zoals bijvoorbeeld:

Droog brood maakt de wangen rood
Goed gekauwd is half verteerd
Het oog eet mee
Honger is de beste kok
Eet matig, maar regelmatig
Zout moet je spaarzaam gebruiken
Te veel koks bederven de brij
Eet ’s ochtends als een vorst, ’s middags als een burger en ’s avonds als een bedelaar.

Aan de hand van deze uitspraken kun je de leerlingen laten zien hoe essentieel een natuurlijke voeding voor onze gezondheid is. De gezondheid is altijd onderhevig aan twee afwijkingen. De ene neigt naar verharding, de andere naar afbraak. Voor beide kunnen de leerlingen zelf weer voorbeelden zoeken en zullen ze enerzijds alle soorten steenvorming in het lichaam opsommen, anderzijds de vele mogelijkheden van zweer- en gezwelvorming noemen. Koorts, als genezende zelfhulp van ons lichaam, blijft bij deze behandeling nooit onvermeld. Het is het genezende middel van het lichaam bij het zoeken naar en herstellen van zijn evenwicht.

Aan het einde van deze periode moeten de leerlingen het belang van het innerlijke evenwicht hebben ingezien, zoals ze dat symbolisch hebben leren kennen in het ritme van de ademhaling, maar ook in alle voedings- en gezondheidskwesties.

Het jaar daarop, in de achtste klas, ervaart de leerling het wonder van de menselijke botstructuur. Op deze leeftijd heeft hij een bijzondere band met de kracht en de sterkte van zijn eigen botten. Dat zien we aan de onbeholpenheid waarmee hij zijn ledematen beweegt. Bij nadere beschouwing van het skelet kan het de leerling duidelijk worden hoe de afzonderlijke botten van boven (vanaf het hoofd) naar beneden (naar de ledematen) steeds meer worden onderverdeeld en verfijnd.
Wat aan het hoofd nog stevig samengevoegd en compact lijkt, zoals een bol = de schedelkapsel, lost zich naar beneden toe steeds meer op en straalt uit in de afzonderlijke kleine, losjes samengevoegde botjes van de tenen en vingers. Als je deze transformatie vervolgens in elk deel van het menselijk skelet met hen opzoekt, vinden ze uiteindelijk zelf de grootse wetmatigheid en ontdekken ze het samentrekken van de vormen naar boven toe en het oplossen van de vormen naar beneden toe; bij het hoofd bijvoorbeeld is het voorhoofd hoofdachtig gevormd, de onderkaak daarentegen ledemaatachtig.
Bij een vergelijking met het dier ontdekken we al in de uiterlijke bouw het verschil met de mens. Het dier vertoont een voor- en achterkant in zijn kop en staart, en leeft dus in het horizontale vlak, altijd naar de aarde geneigd. De mens daarentegen kan zich oprichten. Hij draagt zijn hoofd vrij naar boven, staat met zijn voeten stevig op de aarde en kan zijn handen vrij inzetten om voor zichzelf en anderen te werken. Welk inzicht moet de leerling uit deze vergelijking putten?

De mens die het dierlijke in zijn eigen lichaamsvorm overwint, die niet alleen levend en bezield is, zoals het dier met zijn onbewuste, aangeboren instinctieve krachten — hij toont zich daarentegen volledig getransformeerd en vergeestelijkt. Hij kan zijn krachten, die uit het onbewuste opstijgen, beheersen, ermee omgaan en ze omzetten in gedachten en ideeën. Over dit thema kunnen de leerlingen veel voorbeelden uit de dierenwereld zoeken die instinctieve handelingen weergeven, bijvoorbeeld de trek van vogels naar het zuiden, winterslaap, het zoeken naar voedsel vóór het intreden van de kou en nog veel meer.

Ook worden voorbeelden gegeven die de transformatiemogelijkheden van de mens illustreren: het dier moet eten als het honger voelt, moet vluchten uit angst; de mens heeft dat allemaal niet nodig, hij kan erover nadenken, zijn eigen wil inzetten, zichzelf beheersen en zelf beslissen. 

In de negende klas worden vervolgens de organen van de stofwisseling en hun functies uitvoerig besproken; alles wat onbewust in ons plaatsvindt, in voortdurende wisselwerking met het minerale aspect van de stoffelijke wereld. Het zijn processen die vooral onder het middenrif plaatsvinden, bijvoorbeeld bij de spijsvertering, maar al snel ontdekken we dat niet alleen afzonderlijke organen verantwoordelijk zijn voor de spijsvertering of de stofwisseling, maar dat deze stofwisseling overal in ons lichaam plaatsvindt, in elke kleinste cel, bijvoorbeeld bij de zweetafscheiding via de poriën in de huid.
In tegenstelling tot de lagere stofwisselingspool beschouwen we vervolgens de zenuwpool als centrum met zijn lichamelijke basis, de hersenen, waarvan de werking zich eveneens over het hele lichaam uitstrekt; want we vinden fijne en uiterst fijne zenuwen verspreid tot in onze vingertoppen en spreken dan van ‘vingertopgevoel’.

In verband met deze twee polen kunnen vervolgens op een hoger niveau de bewustzijnsprocessen met hun afbrekende werking in de bovenste pool, de hersenen, worden beschreven, en daarnaast de tegenpool in de stofwisseling met zijn meer opbouwende levens- en regeneratiekracht. Het moet de leerlingen daarbij duidelijk worden dat, waar in een levend wezen een hogere mate van bewustzijn optreedt, de regeneratiekracht afneemt, en dat waar een sterke regeneratiekracht aanwezig is, zoals bijvoorbeeld bij lagere dieren (wormen, insecten), nauwelijks bewustzijn waarneembaar is. Maar als, zoals bij de mens, de onbewust werkende levenskracht is toegenomen en is omgezet in bewuste gedachten, dan kan je de uitspraak begrijpen: „Hij heeft een grote gedachte voortgebracht.”

In de tiende klas kijken we dan terug op drie ‘zelfstandige’ mensen en benaderen we hen nu minder vanuit het fysieke en psychische aspect, maar meer vanuit het geestelijke standpunt. Aan de hand van het voorbeeld van het oog en het oor wordt de zenuw-zintuigmens behandeld, de stofwisselingsmens in zijn onbewuste werking en de ademhalingsmens, die alles doordringt en verbindt. Daarbij moet de leerling ontdekken dat al deze drie functiesystemen zijn opgebouwd als instrumenten waarop hij als mens moet leren spelen, harmonieus en fijn afgestemd zoals in een orkest.

Dat alles in de afzonderlijke levensfuncties op harmonie is gericht, weten de leerlingen nu uit de voorgaande periodes. Nu moeten ze leren begrijpen wat het betekent om zijn temperament te beteugelen of in evenwicht te brengen, welke betekenis een ware zielsverzorging heeft en wat je kan doen voor de eigen karaktervorming. Het besef dat het lichaam van de mens het instrument van de ziel is, moeten ze aan het einde van deze periode meenemen.

Wanneer bepaalde aspecten van de menskunde worden behandeld, verschilt soms per leerplan. Oog en oor komen vaak in de 8e klas ter sprake bv. 

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

9e klas:

10e klas: alle artikelen

.

3559-3343

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

 

De wereld tevoorschijn spreken:
Onze morele verantwoordelijkheid als realiteitsscheppers

In een tijd van mondiale verwarring staan we voor een wezenlijke vraag: wat maakt ons tot mens?

Wat in jou leeft, wordt tot waarheid; jouw denken bepaalt wat je waarneemt. Deze enorme morele verantwoordelijkheid vraagt erom dat we onszelf eerlijk, diep en kwetsbaar durven uitspreken. Het is hét hedendaagse gebaar dat ons de weg wijst door de chaos.
Voordracht Aristoteles

Voordracht “Met welk recht verklaart gij de wereld zonder het denken voor voltooid?”
do. 28 mei – Den Bosch  »
Deze maand verkennen we in een voordracht de prikkelende vraag: “Met welk recht verklaart gij de wereld zonder het denken voor voltooid?” We zullen ontdekken hoe ons kennen samenhangt met de categorieën van Aristoteles en de Filosofie van de Vrijheid. Een diepe duik in het scheppende proces van ons waarnemen.
Op woensdagavond 20 mei verkennen wij de Filosofie van de Vrijheid op de Waldorfschool Auryn te Zutphen  »
Filosofie van de Vrijheid Zutphen

Kennismaking Filosofie van de Vrijheid – 20 mei, Zutphen  »
Daarnaast nodigen we alle mannen uit voor Expeditie Wildeman:
  • • Ga jij mee op avontuur? 14-17 mei 2026
  • • Landgoed De Zonnebloem (Winterswijk)  »
Tot slot: de Intensieve Verteltraining gaat weer van start (zie details in de vorige nieuwsbrief).

Vooruitblik: Triskal Festival

De mooiste en aangrijpendste sprookjes, mythen en inzichten

Als je nog niet wakker bent op deze vroege ochtend, dan word je het wel door de pakkende manier van vertellen van meesterverteller Wim Wolbrink.
Tijdens het Triskal Festival nodigt Wim Wolbrink je uit om vergeten dimensies te herontdekken. Hij legt een verrassende verbinding tussen de monumentale heroïek van Homerus’ Ilias en de louterende sprookjes van de gebroeders Grimm.
Logo Triskal Festival
Wat hebben de toorn van Achilles en het geduld van Assepoester gemeen? Beiden spreken ze een taal die onze rationele geest is vergeten, maar die onze ziel direct herkent.

Maak alvast kennis met de docenten van

de Intensieve Verteltraining najaar 2027

Achter de Intensieve Verteltraining staat een gepassioneerd team. Wim, Margot en Jorn brengen elk hun eigen expertise en bezieling in om jou te begeleiden naar de kern van het vertellen.
Wim Wolbrink

Wim
Wolbrink

Ruim twintig jaren geleden richtte hij samen met Frans de Vette de Nationale Vertelschool op.
Als voordrachtkunstenaar en menskundig adviseur opent Wim de innerlijke wereld van de luisteraar. Met diepe wortels in de antroposofie leert hij je hoe je via innerlijke voorstellingen contact maakt met de Geestelijke Wereld.
Margot Vermeulen

Margot Vermeulen

Wat twintig jaar geleden begon met een cursus bij de Nationale Vertelschool, is voor Margot uitgegroeid tot een levenslange passie. Onder de naam ‘Verhalenderwijs’ brengt zij haar jarenlange ervaring over met een focus op bezieling en verbinding.
Jorn Scholten

Jorn Scholten

Jorn zocht jarenlang naar kleur, tot de Nationale Vertelschool zijn leven veranderde. Nu gebruikt hij verhalen als spiegel en betovering. Hij vond zijn eigen kleur, leerde buiten de lijntjes kleuren en gunt anderen met passie diezelfde transformerende reis.
Flyer voordracht

Wat is het fundament van de Vrijeschool? Maak op een laagdrempelige manier kennis met de filosofie die aan de basis staat van Waldorfschool Auryn.

Meer informatie & aanmelden »

Uitgelicht
Voordracht Den Bosch

Voordracht:
Met welk recht…

Woensdag 28 mei 2026 | 20.00 uur
Den Bosch
Een prikkelende voordracht over de rol van het denken. Is onze wereld wel voltooid zonder onze actieve deelname?

Het levende denken
Wim Wolbrink onderzoekt de menselijke geest.

Kerngegevens:

  • 28 mei | Den Bosch
  • Spreker: Wim Wolbrink
Triskal Festival

Voordracht:
De Westerse Leegte

Vrijdag 19 juni 2026 | Festival
Neede (Gld)
Spelen met vuur
Onderzoek de ‘Westerse Leegte’ als weg naar nieuw inzicht tijdens het Triskal Festival.

Midzomer magie
Verhalen rond het vuur.

Kerngegevens:

  • 19 juni | Neede
  • Spreker: Wim Wolbrink

Urgent

Expeditie Wildeman
14 t/m 17 mei 2026 – Expeditie Wildeman
Landgoed Zonnebloem, De Slingeweg 12, Winterswijk (Achterhoek)
Hé wildeman, ga je mee op expeditie? Tijdens Expeditie Wildeman komen mannen samen om écht te verbinden. Hier kun je jezelf laten zien zoals je werkelijk bent: authentiek, kwetsbaar en krachtig.
Vier dagen lang stap je uit de dagelijkse drukte en neem je de tijd om naar jezelf en anderen te luisteren. Samen.
Openingsprogramma:
Het volledige sprookje van de gebroeders Grimm ‘De Wildeman’ als levende voordracht door Sander Verwer en Wim Wolbrink.
Nationale Vertelschool
Kantoor: Kasbah, Eendengang 75 7552 KN Hengelo
T: 06 – 133 47 333  E: info@nationalevertelschool.nl
KVK: 83.68.51.70

VRIJESCHOOL- actueel – St.-Jan – alle artikelen

.

Sint-Jansfeest: alle artikelen

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan hoort een koppelteken. Ook bij de afkorting St.- Jan.
In samenstellingen vervallen de hoofdletters: sint-jansvlinder; sint-janskruid. Samenstellingen die direct met het feest verband houden zie je weer wel met de hoofdletters: St.-Jansnacht; hoewel Van Dale sint-jansvuur heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – actueel – schoolrijpheid

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

zie ook een interessant gezichtspunt van Ewald Vervaet i.v.m. het leesvaardigheidsvermogen van kleuters.

.

VRIJESCHOOL – actueel – getuigschriften

.

Getuigschriften: alle artikelen

Is het alles goud wat er blinkt….?

..

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 8  /  10 april 2026
Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!
 
Actueel

Een  gedachte bij stijgende brandstofprijzen
Toen Rudolf Steiner zich in de turbulente jaren na de oorlog van ’14-’18 inzette voor de sociale driegeleding en daar in verschillende kringen (ook) op bijval stuitte, werd er toch gezegd: “Laten we eerst het probleem van de hyperinflatie oplossen… Lees verder »
 

Voorbij de chaosIn  bepaalde kringen wordt gedacht dat uit chaos een nieuwe samenleving kan  ontstaan. In hun verlangen naar die nieuwe samenleving, zijn er ook mensen die  zich actief inzetten om die chaos te laten ontstaan. Afgaande op de huidige  situatie, lukt dat al aardig. Lees verder »
 
Artikelen
 
Voor de aarde zorgen
Gerald Häfner
De grond kan alleen worden verzorgd door de boer die hem bewerkt. Handelen op Wall Street heeft niets te maken met zorgen en niets  met verantwoordelijkheid nemen.
Een fragment uit een interview met Vandana Shiva Lees verder »
‘Giftige uitwassen’: welvaartsverdeling & de sociale hoofdwet
Christopher Schaefer
De Verenigde Staten kent de grootste ongelijkheid in welvaart van alle Westerse landen. Eén procent van de bevolking heeft de financiële controle over 40 procent van de welvaart van het land, terwijl de onderste tachtig procent genoegen moet nemen met zeven procent daarvan Lees verder »
 
Korte, inleidende teksten die snel duidelijk maken waar het in de sociale driegeleding om gaat, bijvoorbeeld:
Vrij geestesleven & democratieEen zone in de samenleving waar mensen zich ontwikkelen. Waar ze (van) elkaar van alles leren. Waar ze elkaar stimuleren  om een volgende stap te zetten. Zo zouden we het ‘geestesleven’ kunnen noemen. Lees verder »
Staat en economie
Economische activiteit is geen opgave voor de staat maar voor ondernemers en hun medewerkers. Het stellen van grenzen aan de economie is wél een opgave van de staat. Lees verder >>
 
Driegeleding in vraag & antwoord
 
Is de sociale driegeleding een haalbare zaak? Lees verder »
 
Agenda
Zomerse driegeleding in Zoetermeer
Een  driedaagse bijeenkomst rond het thema: het bestaande metamorfoseren, met Joost Poel en John Hogervorst
kijk de volledige agenda: KLIK HIER
 
Verschenen:
Luuk Humblet
Samen bouwen aan een nieuwe economie

Nog niet eerder is Rudolf Steiners gedachtengoed over de economie zó helder, omvattend en begrijpelijk beschreven als in dit levenswerk van Luuk Humblet. Veertig jaar lang onderzocht hij de sociale driegeleding en de associatieve economie, niet alleen ‘studerend’ maar ook in de praktijk met de natuurvoedingswinkel De Blauwe Bloem, waar een kring van klanten mee-oefende. In dit boek, dat zo geschreven is dat het lezen geen worsteling maar een genoegen is, komen inzicht en daad samen.
Nearchus CV
ISBN 9789083633411
(paperback, 252p)
€ 24,50

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Gratis: het nieuwste nummer van tijdschrift Driegonaal (februari 2026)
wanneer u deze titel bestelt
+ thuisbezorgd zonder verzendkosten (binnen NL)
Mail naar: info@nearchus o.v.v. uw naam + adresgegevens
Aanbieding geldt tot en met zondag 19 april a.s.

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – handvaardigheid (3-5)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Er is in deze artikelen soms sprake van ‘middenbouw’.
Oorspronkelijk en gedurende lange tijd bestond de vrijeschool in Nederland uit onder- en bovenbouw.
Onderbouw: de klassen 1 t/m 8, de kleuters vormen een aparte groep.
Bovenbouw: de klassen 9 t/m 12.
Over middenbouw werd wel gesproken om de klassen 4, 5 of 6 t/m 8 aan te duiden.
In Nederland bestond de onderbouw lange tijd uit de klassen 1 t/m 7; had de school geen eigen bovenbouw, dan viel de 8e als laagste klas in de bovenbouw van een andere school.
Toen de 7e niet meer bij de basisschool mocht horen, kwam deze dus ook bij de bovenbouw. Om nog een onderscheid te kunnen maken, werden toen deze klassen middenbouw genoemd.
In deze artikelen is de middenbouw: klas 7, 8 en 9.*
.

Kurt Königsmann, Wanne-Eickel

.

We willen leren werken
.

Gedachten over de praktische vorming in de middenbouw

Een van de bijzondere kenmerken van een Rudolf Steinerschool is dat de leerling daar niet alleen in zijn hoofd wordt aangesproken, maar in gelijke mate wordt geschoold in het gebruik van zijn handen.
Dat begint in de onderbouw met handvaardigheid, met de kunstzinnige oefeningen in schilderen, boetseren en houtsnijden, handwerken en vervolgens met tuinieren; het krijgt een aanzienlijke impuls wanneer de leerlingen aan het begin van de middenbouw* naar de werkplaats gaan.
Hier moeten ze leren werken, zich oefenen in het gebruik van gereedschap, leren inzien hoe de zeer uiteenlopende materialen zeer uiteenlopende eisen stellen en ten slotte ervaren hoe een werkstuk alleen lukt als er vooraf een plan gemaakt wordt.
Werken kun je alleen leren door te werken.

Daarom hebben we op de Hiberniaschool uit de zeer uiteenlopende bezigheden van mensen die activiteiten geselecteerd die bijzonder geschikt zijn om de leerlingen de echte werkhouding bij te brengen.
Zo’n ‘arbeidsleer’ is dus nog niet bedoeld om op een bepaald beroep voor te bereiden, maar om de jongere als mens te vormen, hem deugdzaam te maken en hem al die uiterlijke vaardigheden en dat innerlijke plichtsbesef bij te brengen waardoor hij pas een ware wereldburger wordt.

Als we alle verschillende opdrachten van ons werkplaatsonderwijs overzien, springt één groep ons in het bijzonder in het oog, die we ‘oeractiviteiten’ kunnen noemen.
Daar zien we de leerlingen in het zevende schooljaar tegenover een grote berg ((half)ronde) houten blokken staan, die ze met bijl en zaag willen bewerken. Het is hier nog niet de kant-en-klare, netjes voorbewerkte plank van de timmerman die als materiaal dient, maar iets dat rechtstreeks uit de natuur is gehaald: delen van de stam en takken.
Er wordt besproken wat voor boom het was, hoe hij is gegroeid, hoe de natuur, de zon, de regen en de wind hun sporen hebben achtergelaten in de schors en de jaarringen. Bij de leerlingen ontwaken verwondering en ontzag voor het materiaal. Ze zijn druk bezig om met de boomzaag stammen en dikke takken in hanteerbare stukken te zagen, om vervolgens met handzagen en bijlen klimrekken, blokhutten en ander speeltoestel te maken.

We zien een soortgelijke oeractiviteit als houtbewerking wanneer de leerlingen in het negende schooljaar manden vlechten van lange wilgentakken, of wanneer ze in het schijnsel van het vuur bij de smidse staan en met grote kracht het ijzer smeden. Het is verbazingwekkend met welk krachtig elan en welk vastberaden concentratievermogen het ijzer wordt gevormd. Wat daarbij uiterlijk wordt geoefend, komt volledig overeen met wat de jongere in deze levensfase innerlijk wil bereiken. Zoals ze nu uiterlijk leren het vuur in dienst van het werk te stellen, het zo te beheersen dat het materiaal niet oververhit raakt, maar ook niet te koud blijft, zo moeten ze nu ook leren hun wil onder controle te krijgen. Veel voorwerpen, zoals ringen, punten, klemmen en oogjes, zijn werkstukken van deze oefenfase. In de tweede periode smeden de leerlingen verschillende gereedschappen zoals beitels, schroevendraaiers en dergelijke, die ze later bij het slotenmakerswerk gebruiken.

In het laatste jaar van de middelbare fase bereikt het beoefenen van oeractiviteiten een laatste hoogtepunt in het spinnen en weven. We spinnen nog niet met het spinnewiel, maar met de vrije spintol, zoals dat van oudsher door mensen werd gedaan. Op het weefgetouw wordt vervolgens de zelf gesponnen garen verweven, waaruit vervolgens eenvoudige doeken, dekens of matten ontstaan.

Naast deze oorspronkelijke activiteiten staan in ons vak ‘Werk’ ook taken die de leerlingen een technische opleiding geven. Weliswaar is de gehele opleiding in het vak ‘Werk’ van de middelbare school zo opgezet dat in de zevende en achtste klas het ambachtelijke handelen sterk overheerst en dat pas in het negende en vooral het tiende jaar steeds meer taken aan bod komen die een technisch karakter hebben. Maar de vorming tot een technische houding is het doel van het gehele vak ‘Werkleer’, en die begint bijvoorbeeld al wanneer in de handwerkles van het zevende leerjaar volgens een bepaald patroon een schort of een schortjas wordt genaaid, of wanneer in de tuinbouwles een beplantingsplan wordt opgesteld. In de achtste klas gaan de leerlingen vervolgens over tot het bewerken van hout als timmerwerk. Ze maken met spijkers, lijm en pennen eenvoudige houtverbindingen en ervaren daarbij als iets nieuws hoe een geheel ontstaat door het samenvoegen van onderdelen. Zo ontstaan beweegbare speelgoedvoorwerpen met eenvoudige mechanische functies. Met deze opdrachten wordt nogmaals de volledige speeldrift van de jonge mens aangesproken. De herinnering aan het eigen spel geeft de bezigheid nieuw leven, en elk afzonderlijk stuk wordt met enthousiasme vervaardigd. Tegelijkertijd is het echter een nauwkeurige, doelgerichte bezigheid, die kan leiden tot een vreugdevolle toewijding aan het werk.

Ook wordt in het achtste schooljaar voor het eerst kennisgemaakt met het gebruik van de machine, doordat de jongens en meisjes tijdens de handwerkles leren naaien met de naaimachine.
In het negende schooljaar volgt dan de kennismaking met de arbeidsverdeling. Het metaal en de opdrachten in de metaalwerkplaats lenen zich hier bijzonder goed voor. De leerling voert eerst zelf de afzonderlijke stappen uit waarin het werk is opgedeeld. Later komt hij echter in de fase waarin hij samen met meerdere leerlingen een heel onderdeel vervaardigt en dan ervaart hij waarom het naleven van maten en normen bij technisch werk onontbeerlijk is.
In de afsluitende cursussen van de tiende klas hebben we dan te maken met een technische basisopleiding. De leerlingen leren bijvoorbeeld in het scheikundepraktikum, maar ook in de huishoudles, volgens een recept te werken. Ze leren zich aan schema’s te houden, oefenen in het omgaan met de machine, maar ook in het vervaardigen van eenvoudige constructies. Voor de meisjes maakt de voortzetting van de huishoudles en een inleiding in de taken van de kinder- en ziekenverzorging plaats voor de machine-technische opleiding. Ook hier leren ze zich aan te passen aan de gegeven richtlijnen, bijvoorbeeld rekening te houden met de specifieke situatie van een zieke, maar ook bij het maken van speelgoed rekening te houden met de leeftijdsgroep van het kind.

Het oefenen van samenwerking is van bijzonder belang in de arbeidsleer. Natuurlijk moet de individuele leerling zich ook altijd individueel oefenen, zijn eigen vaardigheden testen en ontwikkelen. Maar in het werk geldt dat individuele vaardigheden slechts zoveel waarde hebben als ze in samenwerking tot uiting komen. Ook daarvoor bieden de lessen tuinbouw en houtbewerking al in het zevende schooljaar de gelegenheid. Zo heeft een groep leerlingen gezamenlijk een klimhuis voor onze kleuterschool gebouwd. Ook het mechanisch speelgoed van het achtste schooljaar laten we altijd door meerdere leerlingen samen maken, en we hebben al verteld hoe in de slotenmakersopleiding in het negende schooljaar in het bijzonder het werken in taakverdeling wordt geoefend. Een bijzondere bekroning van de ambachtelijke opleiding, maar tegelijkertijd ook van het zich bewijzen in samenwerking, vormt dan de laatste timmerperiode in het tiende schooljaar. Daarin worden bijvoorbeeld violen gebouwd die nodig zijn voor de muzieklessen in de onderbouw. Eerst werd het bouwplan met de hele groep leerlingen besproken. Het bleek dat telkens twee leerlingen samen één instrument moesten maken. Zo vervaardigde de ene leerling de klankkast, dat wil zeggen de zijkanten, de bodem en het deksel; de tweede leerling had als taak de toets, de brug en het spanstuk te vervaardigen. Tot slot werden de afzonderlijke onderdelen tot het complete instrument samengevoegd, wat alleen lukte als iedereen zich nauwkeurig aan de voorgeschreven afmetingen van de werkplaatstekening had gehouden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat het praktijkonderwijs in de middelbare school, in de vorm van een werkvak, bedoeld is om onze leerlingen te leren werken, maar dat het bovenal ook een opvoeding door het werk is. En een dergelijke opvoeding omvat de jonge mens in zijn geheel. Hij wordt lichamelijk gestimuleerd en verwerft vaardigheden en behendigheid; hij wordt in zijn ziel gevormd, want we kunnen niet bekwaam werken zonder al die deugden te verwerven die wij mensen juist in en door het werk in onszelf kunnen ontwikkelen. En ten slotte wordt hij in zijn geest geschoold, want hij verwerft helder, doelgericht denken, de kracht om zichzelf te corrigeren en bovenal de kracht om de waarde van zijn eigen handelen te bepalen vanuit het geheel dat hij met zijn activiteit dient.

Zo kunnen we zeggen dat het doel van onze pedagogiek, namelijk altijd de hele mens te onderwijzen en op te voeden, juist in de arbeidsleer van de middelbare school een bijzonder mooie vervulling vindt.

.

Handvaardigheidalle artikelen

.

3558-3342

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – handenarbeid (3-4)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Altijd weer interessant dat verschillende leraren zo hun vondsten hebben om in de les te verwerken. 
In de houtbewerkingslessen in de 7e klas die ik zelf heb gegeven, werd o.a. beweegbaar speelgoed gemaakt, bv. een ‘waggeleend’.

.

Martin Zacharias, Wanne-Eickel

.

Hoe kinderen hout leren kennen
.

Wanneer de kinderen op twaalf- of dertienjarige leeftijd naar de houtwerkplaats komen, hebben ze hoge verwachtingen. Het plezier om met hun eigen handen iets uit hout te laten ontstaan, werd al in het zesde leerjaar tijdens de handvaardigheidles gewekt. Daar werden voornamelijk met de rasp bewerkte stop-eieren, plantstokjes of lepels gemaakt. Dit gebeurde met veel moeite en liefdevolle toewijding, niet alleen van de handen, maar ook van de vingers, ja zelfs de vingertoppen, bij het schuren en betasten van het oppervlak van de kleine kunstwerkjes.

Maar nu, in het zevende schooljaar dus, willen we onze krachten en onze moed op de proef stellen, en daarvoor gaat je graag op avontuur. Je denkt zeker te zijn van je zaak. Natuurlijk ben je ook angstig, maar zonder angst is er geen moed; en zo word je al snel behoorlijk gedurfd, misschien zelfs roekeloos! Hier ligt nu de taak voor de kinderen: in de werkplaats te leren dat het nu gedaan is met de kinderlijke, speelse zekerheid. Het kind moet op deze leeftijd leren alert te handelen, dat wil zeggen, het moet zijn handelingen doordringen met eigen overwegingen. Alleen als hij daarin slaagt, zal hij zijn werk zorgvuldig en nauwkeurig kunnen uitvoeren en verwondingen bij zichzelf en bij zijn kameraden kunnen voorkomen.

Het werken met bijl en zaag komt ons hier goed van pas. Rondhout, dat wil zeggen boomstammen, en ook takken, zoals het bos ons die biedt, vormen ons materiaal, en we proberen het vorm te geven. We hebben nog geen meetlat nodig – die hebben we altijd bij ons –, want de eerste opdracht luidt: stukken rondhout zagen in de lengte van een gespreide hand.

De volgende dag stellen we ons in een grote kring op, iedereen heeft een kloofblok voor zich liggen, krijgt een bijl in de hand — en voordat we beginnen met het houthakken, maken we in een gezamenlijk gesprek eerst duidelijk waar we op moeten letten. We hadden dwars op de vezelrichting van het hout gezaagd — nu willen we in de lengterichting van de vezelrichting kloven. Waarom eigenlijk? Als we dwars zouden proberen te hakken, zou de bijl wegschieten — terugkaatsen en mogelijk gevaarlijk dicht bij het scheenbeen terechtkomen! We hebben dus het kopstuk voor ons liggen, en de taak om zo nauwkeurig mogelijk het hart of een droogscheur te raken, en dat zo vaak en met zo’n behendigheid dat we geen vinger raken en uiteindelijk fijn aanmaakhout hebben. We moeten dus heel alert en trefzeker zijn om ons werk snel en zonder ongelukken te volbrengen.

Nu we de boomstam door het zagen en hakken in feite hebben vernietigd, ontstaat bij ons de behoefte om ook iets nieuws te laten ontstaan, tot leven gebracht door de inspanning van onze eigen handen en met onze eigen gedachten. Zo pakken we bijvoorbeeld de kloofwig en de voorhamer ter hand en splijten we onze ronde houtblokken open, zodat er halfronde schijven ontstaan. Het oppervlak maken we nu vlak met het schilmes, waarbij we heel voorzichtig de spaanders afschaven en ons werk regelmatig controleren met de vlakplaat. Daarbij gebeurt het maar al te gemakkelijk dat er vlak voor het eindresultaat op de verkeerde plek te veel wordt afgeschaafd — een moment waarop het geduld vaak tot het uiterste op de proef wordt gesteld. Maar de leraar kan geruststellen: „Hier kun je leren je te beheersen, bedachtzaam en zeker te werken en zo een juiste evenwichtigheid te vinden.”

Moet de jongere, figuurlijk gesproken, niet een soort weegschaal in zichzelf ervaren door evenwicht te leren vinden?

Als we nu vier van zulke stukken hout – vlakken – hebben gemaakt, moeten deze precies op maat worden gezaagd, waarbij het erop aankomt dat de zaagsnede schuin loopt. Vervolgens worden deze met zelfgemaakte houten spijkers tot een bloembak samengevoegd, waarbij alle ronde boomranden aan de buitenkant zitten.

Met wat voor een vurige ijver wordt er in de werkplaats gewerkt. De handen worden steeds drukker en het hoofdje steeds ijveriger; voor je het weet is het uur al voorbij en is het werkstuk nog steeds niet zo vlak of zo hoekig als gewenst. Tot slot wordt er een bodem ingepast en wordt het hele kastje geolied. Als het zover is, wordt het werkstuk stralend van vreugde en met grote trots aan de ouders gepresenteerd.

Naast wat hier nu is beschreven, ontstaan er in het zevende schooljaar ook nog grof in elkaar gezette constructies van houtblokken en takken, die in de kleuterschool graag als klimrekken worden gebruikt, of er ontstaan speelgoed van rondhout of tuinmeubelen van de meest uiteenlopende soorten. Al deze dingen geven de jonge mensen door de warmte van het hout een gevoel van schoonheid, geborgenheid en tevredenheid.

Is dat een wonder? Wie voelt zich niet tevreden en geborgen in het bos en daardoor gelukkig, vooral als de zon er ook nog eens schijnt! En de zon schijnt echt, als we maar goed genoeg naar een mooie houtstructuur kijken.

Dit alles mogen de kinderen ervaren tijdens hun werk in de houtbewerkingsles van het zevende schooljaar. Vaak zijn ze uiteindelijk zelf verbaasd wanneer er onder hun handen bijvoorbeeld zo’n vogelhuisje of een poppenhuisje langzaam ontstaat. Lukt het, dan zijn ze trots en gelukkig. Is er iets mooiers dan uiteindelijk oprecht te genieten van je eigen werk?

.

Handvaardigheid: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

3557-3341

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – huizenbouw (4-5)

.

Dat artikel komt uitAlle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zievoorwoord‘.

.

Edgar Förster, Wanne-Eickel
.

huizenbouw in de 3e klas
.

Bijna iedereen herinnert zich nog de tijd dat het heerlijk was om stiekem in een geïmproviseerde hut te zitten. Deze hutten werden thuis gemaakt door tafels, stoelen en dozen bij elkaar te schuiven, op te stapelen en met dekens te bedekken tot er een constructie ontstond die er van buiten dreigend uitzag, maar van binnen mysterieus knus was, waar je je als het ware in kon nestelen. Teruggetrokken in afzondering. Nog beter: een holletje in de aarde onder boomwortels of een hutje in het bos.

Tijdens het spelen ontstaat vaak de wens om een ​​eigen huisje te bouwen, eigen muren, een volledig persoonlijk koninkrijk waar het kind zichzelf kan zijn. Dit is waarschijnlijk waarom kinderen zo dol zijn op slakken, omdat ze zo’n opmerkelijk gevoel voor deze kunstvorm hebben.

In klas 3 is het tijd om kinderen te helpen een beter begrip te ontwikkelen van hoe een echt huis wordt gebouwd. Dus verplaatsen we ons eerst terug naar een tijd waarin mensen hun huizen zelf moesten bouwen, zonder de hulp van steenbakkerijen of cementfabrieken. —

“Hoe zou je dat doen?” Meteen borrelden de ideeën op en kwamen veel verborgen talenten voor inventiviteit aan het licht. Al snel, door een reeks suggesties, bedenkingen, bezwaren, verbeteringen en nieuwe voorstellen, ontstond er een plan voor het bouwen van een lemen huis van boomstammen en wilgentakken. Het idee voor een eerste, primitief huis was geboren.

Het was jammer dat ze niet met een bijl over hun schouder het bos in konden gaan, boomstammen konden omhakken, takken konden snoeien, ze in de grond konden steken en tot een huisje konden vlechten! Maar wat een verwondering en vreugde voelden ze toen ze hoorden hoe zulke huizen in ons land duizend jaar geleden en langer geleden daadwerkelijk werden gebouwd, en hoe de overblijfselen ervan soms nog steeds in de grond te vinden zijn.

Al snel vormden zich kleine groepjes kinderen, vastbesloten om een ​​klein model te bouwen van een leemhuis of een ander primitief huistype. Zo ontstond, na vele tegenslagen, teleurstellingen en zelfs momenten van ontmoediging, een reeks wonderbaarlijk charmante huisjes van verschillende soorten, zelfs een echt vakwerkhuis.

Nu drong de vraag zich echt op: hoe wordt een huis tegenwoordig gebouwd, een huis waarin wij zelf wonen? Welnu, de beste manier om dat te leren is natuurlijk om zelf iets te proberen te bouwen. Idealiter natuurlijk iets dat ook echt nuttig is. Terwijl iedereen ademloos luisterde, werd het plan gefluisterd: een stenen oven bouwen, een echte, grote oven, waarin we later ons eigen brood zouden bakken! Gejuich! Stralende gezichten! Oorverdovend gejuich op de tafels! Te midden van de commotie keek de leraar met enige bezorgdheid naar de toekomst, naar hoe het project zou aflopen. Maar zoals iedereen weet, maakt dat kinderen niet zoveel uit. Gelukkig had pater Prüßner, een voormalig metselaar en meester-steenbakker, zijn hulp toegezegd. Dan zou het vast wel lukken!

Maar hoe moest je beginnen? Hoe kom je aan een oven die eenvoudig te bouwen is en het ook nog doet?

 We vonden er een bij onze zusterschool in Langendreer, die we in de schemering van een late zaterdagmiddag mochten bezichtigen. Hij stond daar, alsof hij betoverd was, in de schaduw van hoge bomen – een echte heksenoven. Dat was overtuigend. In verschillende overlegsessies werden de details overwogen, afgewogen en uiteindelijk vastgelegd. Uiteindelijk werd een goede plek gevonden op het schoolterrein. Een bedrijf met nauwe banden met de school schonk een groot aantal van de waardevolle vuurvaste stenen. Wat waren we trots toen ze in een respectabele stapel lagen – een echte bouwplaats!

Het was na schooltijd; de helft van de klas was er nog. Een kreet, iedereen rende naar de stenen en in een oogwenk verrezen muren, losjes gestapeld, in strek-, kop-, blok- en kruisverband, in gotisch en Brandenburgs verband. Terwijl de ene muur groeide, slonk de andere al. Een schoorsteen verrees trots in het midden. Vanuit een duizelingwekkende hoogte moedigt de ‘meestermetselaar’, met zijn laatste stemgeluid, zijn helpers aan om stenen naar boven te geven. Een hachelijke onderneming! Alleen door al zijn gezag te gebruiken, slaagt de leraar erin het bouwproject net onder de wolkenlijn te stoppen!

De volgende zaterdag wordt de funderingsput tijdens de lunchpauze gegraven, waarbij een groep leerlingen uit klas 4 een ijver aan de dag legt die zelfs de meest doorgewinterde vakman versteld doet staan. Op maandagochtend verzamelt de hele klas zich ceremonieel rond de funderingsput. Twee vaders zijn gekomen om te helpen. Het traditionele gezegde uit het tijdperk van de huizenbouw wordt voorgedragen, gevolgd door een vrolijk metselaarslied. Dan legt meneer Prüßner uit wat er moet gebeuren, waarom de fundering bijna een meter diep in de grond komt en hoe de eerste laag stenen moet worden gelegd.

En nu begint het werk. Twee kinderen mogen de funderingsput in – enorm benijdenswaardige pioniers! Een andere groep mengt de mortel, weer een andere sjouwt stenen en er moet water gehaald worden. Overal was er beweging, vreugde, aanmoedigende kreten en hard werken! Maar voorlopig moest een deel van de grote groep het doen met toekijken. En dat was duidelijk het meest vermoeiende deel.

Langzaam maar zeker kreeg elk kind echter een beurt in de uitgraving en mocht het zelf een paar stenen leggen. Ja, het is een heel andere ervaring om toe te kijken en precies te weten wat er moet gebeuren, vergeleken met het zelf doen! Ze zagen en leerden hoe je mortel op de voorrand van de steen smeert, hoe je een afwerkplank op de muur plaatst en hoe je de steen vervolgens netjes en recht legt met gelijkmatige voegen.

De steen komt op een afstand tot stilstand. Een paar hamerslagen helpen totdat hij goed vastzit. Simpel genoeg, lijkt het. Dus de troffel wordt gepakt en er wordt mortel uit de emmer geschept. De helft glijdt eraf! Een nieuwe schep erbij. De steen houdt het niet! Nu een flinke hoeveelheid mortel! Te veel. De steen staat hoog, alsof hij op een troon staat.

Op dit punt zijn er verschillende oplossingen: Voor sommige heethoofden is de situatie volkomen duidelijk. Pak de hamer, de steen moet naar beneden! Terwijl de steen, onder zware slagen, millimeter voor millimeter naar beneden zakt, sijpelt er mortel aan de linker- en rechterkant uit. Krak, de steen is gebroken. Dat is natuurlijk jammer, maar mortel repareert alles.

Rustigere zielen pakken het anders aan. De steen wordt voorzichtig weer opgetild, de troffel schraapt wat mortel eraf, hij wordt voorzichtig teruggeplaatst en jawel, hij past. Langzamer? Wie weet. In elk geval heeft pater Prüßner nu zes stenen geplaatst, zoals een diep verbaasde blik al snel zal onthullen. Hoe doe je dat? Nu begrijpt het kind pas echt wat het betekent om een ​​ambacht van de grond af aan te leren. Het is niet zo makkelijk als het lijkt.

Maar er zijn ook andere kinderen. Daar komt een heel verlegen kind aan. “Ik kan het niet!” — “Hoe moet ik de steen vasthouden?” — “O, hij is scheef, wat moet ik doen?” Een beetje aanmoediging en een helpende hand maken het goed. En nu springt er eentje de kuil in, niet langer in staat zich in te houden! “Waar is de troffel, de steen?” De eerste staat al op zijn plek, weliswaar een beetje scheef, maar dat is niet erg. Met blozende wangen wordt de tweede opgepakt. Die zit iets te diep en is scheef naar de andere kant. Dat komt mooi recht. De derde wordt erbij gehaald, en dan: hup — uit de kuil. ‘Waar ga je heen? Je wilde toch metselen?’ — ‘Ik heb er genoeg van, ik meng liever mortel.’ Ja, de kinderen leren metselen, maar de leraar leert zijn kinderen kennen.

Eindelijk is de eerste les in huizen bouwen voorbij en keren we allemaal terug naar het klaslokaal, een beetje moe, maar diep voldaan door de geweldige ervaring. Ondertussen groeit de fundering verder onder de ijverige handen van de vaders.

Er zijn veel verhalen te vertellen over de talloze middagen die we met kleine groepjes kinderen hebben doorgebracht, totdat uiteindelijk, tijdens de herfstvakantie, het gewelf en de schoorsteen werden toegevoegd. We hebben vooral mooie herinneringen aan de middag waarop drie vaders meehielpen. We konden de muur echt zien groeien. Later was het vooral de inzet van vader Prüßner die we zeer op prijs stelden.

Onze prachtige oven hebben we vooral hieraan te danken. Van buitenaf kun je niet meer zien hoeveel stenen, hoeveel denkwerk, hoeveel liefde en toewijding er in de dikke wanden is gestoken.

Het hoogtepunt was de ervaring van het eerste vuur in de nieuwe, zelfgebouwde oven. Wat een opwinding! Zou hij goed trekken? De nieuwe kacheldeur, met liefde gelast in onze eigen schoolwerkplaats door meneer Bremer, stond wijd open. Daarachter lagen papieren, planken en houtblokken. Ervoor, nog in het donker, stond een groep verwachtingsvolle en stille kinderen. De eerste lucifer werd aangestoken en de vlammen verspreidden zich snel steeds verder de kachel in. Al snel, onder het gejuich van de kinderen, kwam de rook niet langer aan de voorkant naar buiten, maar steeg op in onze schoorsteen. Na een tijdje zagen we witte sliertjes stoom wegdrijven en in de lucht verdwijnen.

Onze kachel werd droger. Hij brandde en trok beter dan we hadden verwacht. Nu weten we eindelijk dat we ons eigen brood in onze eigen oven zullen bakken. Met een heimelijke verwachting rukken we ons los van het heerlijke beeld van het knetterende vuur in onze oven en keren terug naar het klaslokaal.

.

Er zijn vele mogelijkheden voor het bouwen van een oven.

 

3e klas heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld3e klas heemkunde

Toneelstukken, waaronder voor de heemkunde.

.

3556-3340

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven (voorwoord en inhoud)

.
Zo ongeveer tot 1980 gaf de Zwitserse vrijeschoolbeweging een tijdschrift uit ‘Die Menschenschule’- [school voor de mens/mensenschool].
Soms werd er met verschillende artikelen bij elkaar een speciale uitgave gemaakt.

Een daarvan is ‘Lebenskunde muss aller Unterricht geben‘. [1971]

De titel daarvan is ontleend aan een uitspraak van Rudolf Steiner uit 1919, gedaan in voordracht 4 van GA 192:  ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogische vraagstukken’ [op deze blog vertaald.]

‘Lebenskunde’ is niet zo’n makkelijk te vertalen woord. 
‘Kennis’ van het leven lijkt mij – kijkend naar de context – te passief, teveel ‘hoofd’. Veel meer gaat het in de richting van ‘je thuis voelen in het leven omdat je er veel aspecten van kent, je als leerling je in veel aspecten hebt kunnen inleven; hebt kunnen doen.
.

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Voorwoord
.

H.R.Niederhäuser

Met deze woorden beschreef Rudolf Steiner in het voorjaar van 1919 de taak van een moderne school, nog voordat de Waldorfschool bestond. Lesgeven als ‘weet hebben van het leven’ is een leidmotief geworden van de Waldorfschool.

De manier waarop de levensvaardigheden worden gerealiseerd in de Waldorfschoolbeweging toont de grootste diversiteit. Elke school neemt het motief op en ontwerpt het anders dan naar gelang van de lokale omstandigheden en innerlijke mogelijkheden, maar ook op verschillende momenten weer anders. Alleen in creatieve vrijheid ontstaat leven.

In die zin moeten de volgende essays worden opgevat als stimulerende aanmoedigingen, niet als een leer die overgenomen moet worden, hoe succesvol die ook lijkt.

De lezer zou gemakkelijk kunnen denken dat wat beschreven wordt nu de inhoud van de les in het algemeen is. In werkelijkheid is het echter slechts een deel; wat wordt geschetst is een van de stromen die wordt gevoed door vakmanschap, die het schoolleven doordrenken met het artistieke en die worden opgenomen in de belangrijkste lessen (wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, natuurgeschiedenis, enz.) 

Lebenskunde in de ware zin van het woord begint voor het eerst rond het negende jaar met een heemkundeles. Daar leren en ervaren de kinderen het werk van de boer: ploegen, zaaien, dorsen, brood en kaas bakken; Ze horen hoe er een huis wordt gebouwd en bouwen zelf een klein muurtje; Ze leren over de berroepen van de mens.

De Lebenskunde krijgt dan rond het twaalfde jaar een sterk accent en dat steeds meer met het begin van de aardse volwassenheid. Daar leren de kinderen de stenen kennen, krijgen ze hun eerste natuurkunde, en iets later maken ze kennis met scheikunde. Dit neemt vervolgens toe van klas tot klas in verband met vakmanschap en technologie. Hierdoor moeten de leerlingen de technische wereld steeds beter leren begrijpen en aan de hand van enkele belangrijke voorbeelden volledig doorgronden.

Maar naast datgene wat uiteindelijk leidt tot begrip van de machines, moet er een even sterk tegenwicht komen: veelzijdige inspanningen om ook het kunstzinnige te begrijpen. Dit begrip van kunst vindt zijn basis in veelzijdige oefeningen vanaf de eerste klas.

Want ook het kunstzinnige is, net als de techniek, door de mens geschapen en als een bijzondere schepping aan de rijken van de natuur toegevoegd. Deze twee rijken in hun mogelijkheden en grenzen leren kennen en ten volle waarderen, ja zeggen leren tegen het rijk van de techniek en dat van de kunst nog voordat de jongere zich aan een specifieke beroepsopleiding wijdt, dat schept soevereiniteit en vrijheid ten opzichte van het leven. 

Johannes Kiersch

Toen de eerste Waldorfschool in de jaren twintig naast de kunstzinnige vakken ook vakgebieden als technologie, tuinbouw, eerste hulp, spinnen, kartonwerk en boekbinden, en stenografie in haar leerplan opnam, deed zij dit met het oog op de overgang naar het beroepsleven, dat van de meeste mensen toen al een hoogontwikkeld begrip van allerlei technische en praktische processen vereiste. Inmiddels zijn de eisen nog verder gestegen. Wie zich vandaag de dag in het beroepsleven en als burger wil redden, heeft overzicht en zowel praktische als theoretische vaardigheden nodig op vele gebieden waar een halve eeuw geleden nog niemand aan dacht.

Daarom hebben veel Waldorfscholen enige tijd geleden besloten om de genoemde vakken nog verder uit te breiden. Men herinnerde zich de bedoeling van Rudolf Steiner om aan de Waldorfschool een ‘bijscholingsschool’ voor jonge arbeiders te koppelen, die naast een grondige algemene vorming een ambachtelijke basisopleiding (houtbewerking, ook met machines) zou moeten bieden, samen met elementaire economie en een inleiding in de boekhouding en het schrijven van zakelijke brieven. Dit plan was in 1920 gestrand op de strenge voorschriften voor het beroepsonderwijs in Württemberg en werd nu opnieuw opgepakt, zij het niet in zijn volle omvang. Verschillende Waldorfscholen ontwikkelden een ‘praktische richting’, die – met behoud van slechts één vreemde taal voor sommige leerlingen – naast de gebruikelijke ambachtelijke en artistieke vakken speciale cursussen of periodes voor timmeren, pottenbakken, smeden, koperbewerking, weven en dergelijke omvatte. De school in Neurenberg richtte een timmer- en een slotenmakerswerkplaats in, die leidt tot het vakdiploma. Het idee van de bijscholingsschool voor arbeiders is op bijzonder uitgebreide wijze gerealiseerd in het kader van de Hibernia-school in Wanne-Eickel.

Een Waldorfschool die niet de specifieke weg van beroepsgerichte opleidingen volgt, moet andere wegen zoeken.

Wat bedoelde Rudolf Steiner toen hij de technologische vakken, zoals stenografie, handelscorrespondentie en boekhouden, in het leerplan opnam? Zeker wilde hij de leerlingen daarmee nuttige vaardigheden voor het beroepsleven meegeven, maar daar ging het niet alleen om. Voor hem ging het erom een eigentijds wereldbegrip te wekken. Wie de Waldorfschool verlaat, moet in staat zijn om de ingewikkelde structuren van de moderne beschaving te doorgronden en ze te begrijpen als een zinvol geheel. Hij mag geen machine hoeven te gebruiken waarvan hij niet op zijn minst in principe weet hoe deze werkt. Hij moet het productieproces van zijn bedrijf leren begrijpen en zich een nauwkeurig beeld kunnen vormen van wat zijn werk te maken heeft met dat van anderen. Hij mag de instellingen van het openbare leven niet met bijgelovige vooringenomenheid benaderen, maar moet zich daarin als vrij mens kunnen redden. Hij moet zich een alomvattend begripsvermogen eigen hebben gemaakt.

Dit was voor sommige Waldorfscholen aanleiding om het leerplan voor de bovenbouw uit te breiden, in die zin dat er stages in de landbouw, op het veld, in de industrie en in sociale beroepen in werden opgenomen. Deze stages worden van het negende tot en met het twaalfde schooljaar per klas gedurende twee tot drie weken georganiseerd.

Van het Novalis College in Eindhoven weet ik o.a. dat dit in de jaren 1990 een bloeiende zgn. praktische stroom had met hout- en metaalbewerken, textiele werkvormen en koken.
Ook werd er de stage ingevoerd vanaf de 9e klas.

Inhoudsopgave van de artikelen in deze uitgave:

Wanneer er geen link onderstaat is het artikel nog niet oproepbaar

H. R. Niederhäuser Johannes Kiersch:
[1] Lebenskunde muß aller Unterricht geben,
Het hele onderwijs moet leiden tot kennis van het leven (voorwoord hierboven)

Edgar Förster:
[2] Vom Hausbau in der dritten Klasse
Over de huizenbouw in de 3e klas

Martin Zacharias:
[3] Wie die Kinder das Holz kennen lernen
Hoe de kinderen hout leren kennen

Kurt Königsmann:
[4] Wir wollen arbeiten lernen
Wij willen leren werken

Christine Britsche:
[5] Menschenkunde in der Mittelstufe
Menskunde in de middenbouw

Rudolf Steiner: Wie der Technologie-Unterricht wirkt
Hoe technologie-onderwijs werkt

Wolfgang Schad: Zur Gestaltung der Oberstufe
De bovenbouw vormgeven

Johannes Kiersch: Vom Oberstufenplan
Over het leerplan van de bovenbouw

Werner Bode: Landwirtschaftspraktikum der neunten Klasse in Wörme ….
Landbouwprakticum in de 9e klas

Günther Oling: Kunstunterricht in der neunten Klasse
Kunstonderwijs in de 9e klas

Rudolf Steiner: Kunstverständnis begründet Welt- und Menschenverständnis . .
Begrip van de kunst leidt tot begrip van de mens en de wereld

Alexander Strakosch: Der Unterricht im Spinnen am Spinnrad
Les in spinnen aan het spinnewiel

Hellmuth Britsche: Aus dem Epochenunterricht der Allgemeinen Berufskunde . .
Uit het periodeonderwijs algemene beroepen

J. Christen: Feldmessen in der zehnten Klasse
Landmeten in de 10e klas

Werner Spalinger: Vom Feldmessen
Over landmeten

Günter Winkelmann: Eine Betriebserkundung der zehnten KlasseEen bezoek aan een bedrijf in de 10e klas

Aus Berichten von Schülern
Wat leerlingen zeggen

Aufzeichnungen Rudolf Steiners auf einem Notizblatt
Aantekeningen van Rudolf Steiner op een notitieblaadje

Dt. A. II. Bos: Die Waldorf-Pädagogik und das Berufsleben der Erwachsenen . .
De vrijeschoolpedagogie en het beroepsleven van de volwaasene

Siegfried Pütz: Soziales Wirken in der Kunst
Sociale werking in de kunst

.

.

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3555-3339

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (8)

.
Ooit uitgegeven door Buro Schoolbioloog Groningen

.

Als je een aanleiding hebt om over Drenthe meer te vertellen, is deze informatie heel nuttig.
Die kan ook van pas komen, als je bv. met een hogere klas op kamp gaat naar Drenthe.

Heel lang geleden

Zo’n 20 miljoen jaar geleden maakte “Drenthe” – met andere delen van Nederland en de Noordzee – deel uit van een gebied, waarin rivieren uit Midden-Europa zand en slib brachten.

Tijdens één van de ijstijden – 200.000 jaar geleden – schoven enorme ijsmassa’s langzaam naar het zuiden tot in ons land. Van de rotsen van Scandinavië braken grote stukken af, die als grote zwerfstenen meekwamen met het ijs. Ook door het ijs fijngemalen stenen en gruis werden in grote hoeveelheden voor het ijs uitgeduwd. Toen het ijs eindelijk ging smelten, bleef dat puin als lage heuvels in het landschap achter (o.a. de Veluwe). In “Drenthe” kwam vooral keileem onder de smeltende gletsjers vandaan. Keileem lijkt wel wat op stopverf: je kunt het kneden en het laat geen water door. Al het smeltwater kon door die keileem niet in de “Drentse” bodem wegzakken, maar vloeide naar de kanten van “Drenthe” af; in die natte, lage delen zijn later vooral veenmoerassen ontstaan: de Veenkoloniën.

Na deze ijstijd waar wij het net over hadden, kwam er een warmere periode, maar …. die werd weer gevolgd door nog een ijstijd (70.000 – 10.000 jaar geleden).

Toen kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar het was wel zo koud, dat er geen bomen meer konden groeien. Het hele jaar door was de bodem bevroren; alleen ’s zomers ontdooide de bovenste 50 cm. en dan was de aarde bedekt met mossen en bloemen. Zo’n landschap noemen we een toendra; je vindt dat nu nog in Noord-Rusland en in Lapland.

Toen leefden hier grote dieren als mammoeten en wolharige neushoorns, waar jacht op gemaakt werd.

Tjerk Vermaning vond o.a. vuistbijlen van Drentse Neanderthalers, die hier 50.000 jaar geleden geleefd hebben! We weten ook, dat er 15.000 jaar geleden rondtrekkende rendierjagers geweest zijn, die in tenten leefden. Alles wat ze nodig hadden, kregen ze van het rendier: huiden voor tenten en kleding, beenderen voor wapens, vlees om te eten.
In het laatste deel van deze ijstijd was het zo koud en droog dat er veel zand door de wind verplaatst werd: zo kwam er in “Drenthe” een laag dekzand over de keileem.

10.000 jaar geleden werd het langzaam weer warmer en zo is het gebleven. De toendra ontdooide en er begonnen dichte bossen te groeien, eerst met berken, later met dennen en nog weer later kwamen ook andere boomsoorten. Het klimaat was ondertussen veel vochtiger geworden; eeuwenlang regende het. In de laag gelegen delen rondom “Drenthe” ontstonden grote moerassen van riet, zegge en veenmos. ’s Zomers groeiden die planten snel; ’s winters verrotten ze niet zo goed; het volgende jaar groeiden er dan weer nieuwe planten bovenop. Zo ontstonden dikke lagen halfvergane plantenmassa’s, die we nu veen noemen. Het Boertangerveen was een heel groot moeras, waar eeuwen later – toen het veen turf geworden was – turf gestoken werd. Veenmoerassen zijn gevaarlijk. Als je denkt ergens te kunnen lopen, kun je wegzakken en stikken onder de plantenmassa’s. Tegenwoordig vinden we in Drenthe geen grote veenterreinen meer; de meeste zijn afgegraven, drooggelegd en veranderd in weilanden en akkers.

De mensen

Toen na de ijstijden grote bossen op de drogere zandgronden begonnen te komen, trokken de meeste jagers weg. Er kwamen ongeveer 4000 jaar geleden (dus 2000 j. v. Chr.) andere mensen naar “Drenthe”; het waren eigenlijk boeren. Ze maakten open plekken in het bos door een stuk bos af te branden, waar ze akkers op aan legden. Ze hielden ook vee, eerst schapen en geiten en later ook koeien. Door deze mensen en hun dieren kwamen er steeds meer open plekken, maar het bos werd nog niet bedreigd. Deze mensen bouwden van grote zwerfstenen familiegraven, de hunebedden. Omdat zij hun doden allerlei gereedschappen, gebruiksvoorwerpen en zelfs sieraden meegaven in het graf, weten wij iets van hun leefwijze.

Die eerste hunebedbouwers leefden in het Stenen Tijdperk, d.w.z. dat zij hun gereedschap van hout en steen maakten. Later gebruikten ze ook brons en ijzer. Je begrijpt, dat de mensen uit de IJzertijd met hun ijzeren bijlen beter konden
hakken!

Langzaam maar zeker verdween er steeds meer bos. Als de grond niets meer opleverde, trokken de mensen verder en brandden een nieuw stuk bos af; het oude braakliggende stuk grond veranderde vaak in heide, in een zandverstuivinkje en soms ook wel weer in bos.

Eeuwenlang bleef “Drenthe” zo, dus met bossen en stukjes hei en zandverstuivingen. De bewoners hadden weinig last van invallen van andere volkeren, want “Drenthe” was door de omliggende veenmoerassen min of meer afgescheiden van de rest van Nederland. De boeren van “Drenthe” waren vrije mensen, die zich door niemand lieten overheersen.
In de Middeleeuwen wilde de bisschop van Utrecht die eigenwijze boeren onderwerpen. Met 400 gepantserde ridders trok hij in 1227 naar “Drenthe” om het te bezetten. Maar de boeren lokten de ridders het veenmoeras in, waar de paarden wegzonken! Na deze slag bij Ane (bij Coevorden) hadden de boeren eeuwenlang geen last meer van vreemdelingen.

De dorpen

Langzaam maar zeker groeide de bevolking. Steeds meer bos werd afgekapt, waardoor de heidevelden steeds groter werden. Vanaf ongeveer de Middeleeuwen werden de dorpen steeds op dezelfde manier gebouwd: de boerderijen lagen kriskras om een open ruimte, de brink. Vlak bij het dorp lag de es, een grote gemeenschappelijke akker, waar elke boer een stukje van had. Om de es was een rand van eikenhakhout, die de akkers beschermde tegen de vraat van wild en schapen; de schapen graasden nl. op de hei (het veld) buiten de es.

De hei werd door de schapen kort gehouden; jonge boompjes kregen geen kans op te groeien tot grote bomen, zodat de hei hei bleef en niet weer in bos veranderde. De schapen werden niet alleen gehouden om de wol en het vlees, maar vooral ook omdat zij mest leverden.

’s Nachts werden zij nl. in de potstal gehouden, waar zij hun mest op de met plaggen bedekte vloer lieten vallen. Die met plaggen vermengde mest kwam dan later op de es om die vruchtbaar te houden.

In de buurt van het dorp was een beek; langs de oevers daarvan was gras- en hooiland, de madelanden (denk maar aan een madeliefje, dat in de wei groeit).

De boerderijen

De Drentse boerderijen in zo’n oud dorp lijken wel vastgegroeid aan de aarde. Zij passen zo goed bij het landschap. Dat komt, omdat ze gemaakt zijn uit materiaal van de natuur. Het eikenbos zorgde voor hout.
De muren waren eerst van leem, later van steen. Het enorme dak was bedekt met riet, dat afkomstig was uit de rietmoerassen (o.a. N.¥.-Overijssel).

Door de “baander” konden de wagens zo met de oogst of het hooi naar binnen rijden; de baanderdeur stond altijd naar de weg gekeerd.

Drenthe, d’olde lantschap, verandert

Tot zo’n 100 jaar geleden bleef alles zoals het was: brinkdorpen met de es en daarachter de grote, onafzienbare hei.

De opkomst en het gebruik, van kunstmest veranderde het oude landschap echter snel: schapen waren als mestleveranciers niet meer nodig; ze verdwenen dan ook.
De Heide Mij. begon met de ontginning van de woeste gronden, dus van de hei. Dankzij de kunstmest werden de heidevelden omgetoverd tot akker-bouwland met (zand)aardappelen, rogge, haver, enz.

Op de wat meer vochtiger zand- en beekgronden kwam meer veeteelt met koeien. Door Staatsbosbeheer werden grote stukken hei bebost.

Het Drenthe van nu bouwt op landbouw, veeteelt, op een nog bescheiden industrie en recreatie.

We willen de heide houden

Er bleef van de vroegere onafzienbare hei maar weinig over. Toch is de hei een mooi landschap met een aparte planten- en dierenwereld, die we graag willen houden. Als we het beetje hei – dat er nu nog hier en daar is – aan zijn lot overlaten, weet je wat er gebeurt: langzaam maar zeker wordt het weer bos doordat vliegdennen en berkjes de hei “bevolken”. Het bos zal deze touwtrekwedstrijd tussen hei en bos niet winnen, als wij de hei een handje helpen. Hoe? Door op de grotere heidevelden weer schaapskudden te laten grazen, net als vroeger. Zij vreten dan de opslag van jonge boompjes op en … het bos krijgt geen kans! Wij kunnen op kleinere terreinen helpen door de jonge boompjes er uit te steken. Wij doen dan aan beheerswerk! Dat doen we graag, want Natuurbeheer = Natuurbehoud!

Wat er met de oude veenmoerassen gebeurde ….

Weet je het nog? Toen de gletsjers smolten, vloeide het smeltwater van het hogere Midden-Drenthe af naar de kanten; daar maakte dat smeltwater brede dalen, waarvan het water niet verder weg kon stromen en ook niet in de bodem kon wegzakken door de keileem.

Eerst ontstonden er uitgestrekte moerassen van riet en andere waterplanten; als die tegen de wintertijd stierven, vulden ze de plas telkens een beetje op. Zo werd in de loop van eeuwen de bodem jaarlijks met een ‘klein laagje halfvergane planten opgehoogd tot die plassen en dalen zo goed als dicht gegroeid waren.

Het waren laagveenmoerassen geworden, waarin een bijzonder plantje kon gaan groeien: het veenmos. Dat veenmos groeit nl. alleen in ondiep voedselarm water; en … het groeit maar door: het sterft van onderen wel af en wordt dan bruin, maar op dat dode laagje veenmos komt weer nieuw veenmos, in enorme massa’s bij elkaar. Zo ontstonden dikke lagen dode veenmosplanten, hier en daar soms wel 4 meter dik! Het veen van veenmos noemen we hoogveen, omdat het boven het grondwater uit groeit.

Door die sompige hoogveenmoerassen is Drenthe eeuwen lang moeilijk bereikbaar geweest. Wel hebben mensen reeds voor onze jaartelling houten wegen door de moerassen gemaakt, o.a. tussen Valthe en Ter Apel.

Pas in de Middeleeuwen begonnen kloosterlingen voor het eerst de troosteloze veengebieden te ontginnen; dat deden ze vanuit zandruggen, die hier en daar in de moerassen lagen. Op die zandruggen ontstonden langzamerhand dorpjes.

De keuterboertjes staken daar – vooral na 1700 – ook wel turf, dat als brandstof diende. Jaarlijks brandden ze een laagje veen van zo’n 50 cm. af om in de as ervan boekweit te kunnen zaaien. Boekweit was toen het belangrijkste volksvoedsel. Door die afbranderij was de lucht soms wekenlang verduisterd!
Na 1927 was het afgelopen met de verbouw van boekweit.

In de Gouden Eeuw was er naast grote rijkdom van bv. de Amsterdamse kooplieden ook grote armoede in de steden en op het platteland. De Amsterdamse patriciërs staken toen veel geld in de turfgraverij in de hoop daar ook flink aan te verdienen. Arme stedelingen en dorpelingen kwamen tegen een hongerloontje in dienst van de “Compagnieën”. Het eerst werden de venen bij Smilde en Hoogeveen “aan snee gebracht”. De veenarbeiders woonden in tenten of hutten, die later vervangen werden door eenvoudige stenen huisjes. Die huisjes kwamen langs de vaart te staan. De vaart was gegraven om de turf per schip via Meppel en de Zuiderzee naar Amsterdam te kunnen brengen. Nu nog steeds kun je de dorpen, waar zich destijds de kolonisten vestigden herkennen aan de lange lintbebouwing (bv. Smilde, Stadskanaal). Omstreeks 1900 was het meeste veen hier verturfd en vertrokken er vele turfstekers en kanaalgravers naar de oostelijke venen.

Er was nog al eens wat strijd geweest tussen Groningers en Drenten om deze veengebieden. Stadhouder Willem Lodewijk liet daarom in 1645 door landmeter Jan Sems rechte grenslijnen trekken, maar toch bleef er strijd tussen de Drenten en o.a. de bewoners van Veendam en Wildervank.

De grote vervening in de Drents-Groningse gebieden kwam pas nadat de Groningers in 1817 het 50 km. lange Stadskanaal hadden gegraven. De schepen konden dan de turf via dit kanaal weer naar de stad afvoeren; wel moest er o.a. brug- en weggeld betaald worden; verder verplichtten de Groningers zich om “monden” (= zijkanalen of wijken) te graven.

Nadat het veen ontwaterd was, werd de turf gestoken tot op de zandlaag eronder; men vermengde die met de bovenste veenlaag en na bemesting kreeg men dan prima dalgrond, waarop men vroeger rogge, haver en boekweit verbouwde. Nu verbouwt men in de veenkoloniën o.a. veel fabrieksaardappelen.

De venen rondom Emmen werden pas na 1850 ontgonnen, na het verlengen van de Hoogeveense Vaart en het Stadskanaal en het graven van het Oranjekanaal. Emmen groeide snel; in het trieste veengebied woonden de mensen in plaggenhutten en armoedige huisjes; er was veel drankmisbruik, vrouwen- en kinderarbeid.

Toen na de Eerste Wereld Oorlog de turfprijzen ook nog daalden, ontstond er grote werkeloosheid onder deze arme bevolking. Maar …. na Wereld Oorlog II kwam er voor deze mensen gelukkig werk in de industrie. Emmen is nu een moderne stad. 

De ontoegankelijke veenmoerassen zijn dus de laatste twee eeuwen eigenlijk pas afgegraven. Op het afgegraven hoogveen kwam in de Groninger veenkoloniën landbouw en … strokarton- en aardappelmeelfabrieken.

Hoewel ook in de Drentse veengebieden enige industrie kwam, vooral na Wereld Oorlog II, is de landbouw hier toch hoofdzaak.

Bossen in het Drentse landschap

Bomen worden oud, maar niet zo oud dat je nu nog berken of dennen kunt vinden uit de tijd na de laatste ijstijd (10.000 jaar geleden)! Nee, toen het klimaat later warmer en vochtiger werd, verdwenen deze boomsoorten; er kwamen andere voor in de plaats zoals eik, iep, linde, es en els. Toch nam de eik op de zandige bodem de belangrijkste plaats in.

In die eikenbossen maakten de Hunebedbouwers open plekken en na hen deden andere bewoners dat ook. De bossen werden dus steeds kleiner, maar de akkers én de heidevelden steeds groter!

Als je het verhaal over de heide op goed gelezen hebt, weet je dat op die hei alleen maar schapen liepen om mest te leveren aan de boeren, (in ± 1900 waren er in Drenthe nog zo’n 100.000 heideschapen, nu nog ongeveer 2000). Je weet ook, dat de boeren die mest na het uitvinden van de kunstmest niet meer nodig hadden. Nou, daar zaten we dan met onze heidevelden en zandverstuivingen die niets opleverden!

Gelukkig zagen de mensen in, dat we behalve akkers ook bos nodig hebben; het bos levert ons immers hout, waar we huizen mee kunnen bouwen, waar we meubels van kunnen maken en papier niet-te-vergeten. Bovendien zijn de bossen steeds belangrijker geworden voor de recreatie, voor de ontspanning: in de weekends en in de vakanties willen de stedelingen graag een frisse neus halen, een neus vol lekkere, gezonde, zuurstofrijke boslucht. Dat is heel wat anders dan de stank van uitlaatgassen en fabrieksrook!

Vanaf ongeveer 1900 ging de Heide Mij. de woeste gronden dus ontginnen. Een deel van de heide veranderde in akkerland, maar de Heide Mij. en Staatsbosbeheer plantten ook veel bos aan: denk maar aan de Staatsbossen van bv. Gieten en Borger. Die bossen zijn het eigendom van de Nederlandse Staat. Je kunt zeggen, dat iedere Nederlander – jij ook – eigenaar is van een heel klein stukje van al die bossen. Nou, en daar zijn wij met z’n allen natuurlijk zuinig op!

De aangeplante bossen bestaan vooral uit naaldbomen, die beter op de voedselarme zandgrond willen groeien dan bv. eiken en beuken. Bovendien groeien ze sneller en zijn dus ook eerder kaprijp. Eiken zijn pas na zo’n 100 tot 150 jaar geschikt om prachtig dikke balken te leveren. Men zegt daarom ook wel eens: “Boompje groot, plantertje dood”. 

De naaldbomen komen vaak uit andere delen van de wereld: de Douglasspar bv. uit Noord-Amerika, de lariks uit Japan. Veel dennensoorten komen uit de bergen van Oostenrijk en Duitsland; alleen de grove den kwam vroeger ook wel in het wild voor.

Om de bomen snel te laten groeien, werden ze dicht opeen geplant; de jonge boompjes groeien dan naar het licht en vormen op die manier rechte stammetjes. Natuurlijk moet zo’n bos telkens uitgedund worden om de bomen voldoende licht en voedsel te geven. De bomen, die er tussenuit gehaald worden, worden gebruikt als palen of voor het maken van papier.

Toch bestaat een bos niet alleen maar uit bomen. Onder de hoge bomen – vooral onder loofbomen – groeit een tweede etage van kleinere bomen en heesters zoals bv. hazelaar, lijsterbes, vogelkers. Daaronder vinden we kruiden als lelietje-van- dalen, salomonszegel, bosanemoon en niet te vergeten varens en mossen.

Van al die planten leven allerlei kleine en grote dieren van bladluizen, rupsen, torren en kevers tot eekhoorns, konijnen, reeën en wilde zwijnen! En .. zulke plantenetende dieren worden op hun beurt weer opgegeten door roofinsecten, vogels, roofvogels en roofdieren. We zeggen wel eens: het is eten en gegeten worden!

Zelfs op en in de bosbodem leven plantjes en diertjes. Het zou er voor de bossen niet best uitzien, als er bv. in de herfst geen plantjes (bacteriën, schimmels, paddenstoelen) en diertjes (pissebedden, miljoenpoten, wormen) waren, die het gevallen blad opruimen, opeten en omzetten in voedingsstoffen, die de planten weer nodig hebben voor hun groei.

Alle planten en dieren hebben elkaar op een of andere manier nodig, kunnen niet zonder elkaar leven: het bos is een levensgemeenschap.

 Vermelde planten en dieren:

Wulp  //zandhagedis //adder

Struikheide // veenpluis  //  brem //  jeneverbes //  dophei // bekertjesmos

.

[3-4] Ellert en Brammert

4e klas: aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen

Dierkunde: dierkunde alle artikelen

.

3554-3338

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Godsdienstonderwijs (5-2)

.

In de artikelen over ‘Rudolf Steinergodsdienstonderwijsis goed te volgen hoe dit vak in de beginjaren van de Waldorfschool een bepaalde vorm kreeg.

M.n. in deVergaderingen met de leerkrachten’ wordt e.e.a. duidelijker.
Wat Steiner daar zegt, vind je in GA 300A, hier vertaald.

In een begeleidend commentaar bij het in druk verschijnen van de verslagen van deze vergaderingen in 1975, besteedt ook Erich Gabert aandacht aan het godsdienstonderwijs.

Op de 1e vrijeschool in Nederland wordt vanaf het begin godsdienst gegeven, geheel in lijn met wat Steiner er enkele jaren eerder over had gezegd.
Wanneer Max Stibbe als leraar in 1930 het leerplan beschrijft, zegt hij hier het volgende over het godsdienstonderwijs.

Er was/is wel een groep van godsdienstleraren actief, het “Gremium’, maar ook daarvan zijn niet veel toegankelijke bronnen buiten de scholen.

Ik vond nog een verslag van een bijeenkomst uit 1986 waarin Dr.J.Tautz, op een ouderavond in Driebergen (15-02-1986) een toelichting geeft over ‘de Handeling‘.
Zoals dat meestal gaat met verslagen: als je er niet bij geweest bent, is het soms moeilijk te begrijpen waarom het ging.

Voor mij is dat met dit verslag ook zo.
Toch geeft het een indruk van wat er zoal gedacht en gewild werd met ‘De Handeling’.

.
Notulist niet bekend
.

Over deze lezing:

Dr. J.Tautz heeft gesproken over het thema ‘Wat is de betekenis van de cultische handelingen voor onze tijd’.

Zijn ingangsmotief: er worden vragen aan ons gesteld. T zegt: ‘Ik ben een apostelleerling. De oude Waldorfleraren hebben ons opgeleid. Die zijn weer opgeleid door Rudolf Steiner. Dat waren vijftig tot zestig leraren, twintig daarvan waren mijn collega’s in Stuttgart (waar T in 1945 begon).
Men leert zijn collega’s goed kennen!
Een herinnering: drie collega’s in de zuilenzaal. Voor het altaar Herbert Hahn, Karl Schubert, Max Wollfhügel.
De kinderen stonden tijdens de Handeling. (Totdat er een meisje flauwviel door zwakte, na de oorlog zaten de kinderen tijdens de Handeling).

Voor in de zaal aan de zijkant stond een stoel voor Rudolf Steiner. Na afloop van de Handeling gaven de kinderen hem een hand. Zo ontstond het gebruik de kinderen bij het verlaten van de ruimte waarin de handeling was gehouden, een hand te geven.

De handelingen werden toen druk bezocht.
Tegenwoordig is dat anders. De generatiewisseling is in volle gang.
Vroeger waren er nog condities. Het werd gedragen. Men wist nog.
Nu, voor het eerst in de mensheidsontwikkeling komt het erop aan uit inzicht te handelen.

De jongeren hebben behoeften, vragen enz.
Wat hebben wij te bieden?

Terug naar het begin.

De Waldorfpedagogie in geestelijk opzicht van Steiner
Het was religieus en trad stap voor stap in de werkelijkheid binnen.
25/26 september 1919 gaf Steiner het leerplan en tussen 1 april en 5 augustus nam het godsdienstonderwijs een aanvang.
Na de eerste ouderavond hierover kwamen de ouders met vragen. Ze vroegen om een zondagsdienst.
Hoe kon zo’n vraag ontstaan? Wat hebben de leerkrachten gedacht?
De leerkrachten stelden Steiner voor een stuk uit het evangelie te lezen, een gebed, een muzikaal gedeelte en de weekspreuken met euritmie.
Rudolf Steiner reageerde zeer verbaasd wat het euritmiegedeelte betrof. Euritmie? Dat is toch een wereldse kunst,
Het moet een cultus zijn! Dat mag niet aangetast worden, mag niet ontheiligd worden).
Steiner gaf een tekst voor de zondagshandeling, deze oertekst is echter verlorengegaan.
Nu is er een tekst van Herbert Hahn die zeer dicht bij die oertekst ligt.
Steiner zei dat achter de kinderen de leraren staan, niet fysiek bedoeld.

Steiner heeft de Handeling niet voorgedaan. In het begin hield alleen Herbert Hahn de Handeling.

T stelt zich nu de vraag: wat is een cultus. Hij werkt deze vraag verder uit.
Benesch zegt over de cultus dat het een oeroude mensheidstaal is, een brug tussen de mens en de bovenzinnelijke wereld.

1. Het wezenscontact
   Een vormenlichaam waarin de goddelijkheid instromen kan, incorporatie.
   Deze vorm moet geschapen worden door verlicht bewustzijn.

2.Het bewustzijn van de handelinghoudende: een zielenopening. Deze tast af en      wacht af of hem iets tegemoetkomt. ‘Het weven’, bovenzintuiglijke waarneming van de handelinghoudende (communiceren).

3.Stemming van de deelnemers
   Moeten geopend zijn, worden begroet bij de deur. Vroeger was dat als      cherubijn in het wit, nu is dat niet meer zo, de vorm is echter wel belangrijk: geen vrijetijdskleding! De kinderen niet binnenlaten in zaterdagse kloffies!

Wat ben ik de kinderen verplicht. Kennisvraagstuk, inzichtsvraagstuk.
Men moet over een drempel gaan, een bewustzijnsdrempel, bewustzijn van de dag, bewustzijn van het kind.

4.Een dragende, spirituele samenhang. Een esoterische gemeenschap.
    De realiteit van een mensheidsgemeenschap, een achtergrond.     Antroposofische gemeenschap. De cultus moet aankomen in vereniging.
Moet in het etherlijf doordringen, moet door het hart gaan, anders werkt het niet.

De Handelingen zijn het hart van de school.
De Handelingen zijn de geest van de school.
De werkzaamheid van de Christus.
Ik ben bij u alle dagen.
De esoterische Christus moet aanwezig zijn.

Welke voorwaarden waren er gegeven in het begin:
Elke dag een meditatie-oefening.
Een werkelijkheidsbetrekking van de bovenzinnelijke wereld.
Diegene die antroposofie bestudeert ontmoet op geestelijk vlak Rudolf Steiner.
Als Waldorfleraar stap je onder een hogere werkelijkheid – geen privéleven.

Welke verplichtingen ontstaan er als er Handelingen gehouden worden.
Wat is een cultus. Het hele college meenemen.
Het aangeroepen wezen werkt tot aan de grens van het astrale en etherische, geeft resp. innerlijke bevrediging en innerlijke kracht.
Hierover spreken en ermee leven.

Blik op Rudolf Steiner.
De Handelingen zijn er.
Drie cultische stromingen te onderscheiden.

1.Kenniscultus (Duits Erkenntnis – wat meer is dan ‘kennis’: inzicht o.a.
   Voor de oorlog  zonder gemeente(?)
   Afdruk van de mysteriedrama’s

2.Vier Handelingen:

    1.zondagshandeling
    2.kersthandeling
    3.jeugdhandeling
    4.offerhandeling (leerlingeninitiatief)

3.Christengemeenschap

Erkenntnisdoorbraak Rudolf Steiner
Beproeving der ziel.
Het staan voor Golgotha.
Erkenntnisfreier? Paulinische ervaring. Het schouwen voor Damascus.
De geest,kosmos heeft een middelpunt. Het Ik van de mensen wortelt in dit wezen.
Dit gegeven zit tegenwoordig in het gevoel bij veel mensen. Je vindt het bv. in de ecologische beweging. Maar het is enkel een gevoel.

 

Na deze voordracht volgt nog een vragengedeelte. 
De aanwezigen krijgen gelegenheid tot het stellen van vragen.

V.Ruimte van de handeling: licht of donker.
A.Ga bij jezelf na. Tegenwoordig zijn overal de ruimtes lichter geworden.
Te donker bedrukt de kinderen. 
Waarom dit rood, wordt er vaak gevraagd>
Wat was de intentie van Steiner?
De ziel moet het rood beantwoorden.

V.Heilpedagoog staat bij kind tijdens de Handeling. Hoe moet zijn houding zijn?
Soms staat hij ertussen.
A.Esoterische houding, zielenkracht en innerlijke tact moet hier leiding geven.
Een gevoel krijgen voor geestelijke aanwezigheid.

V.De afbeelding van Christus van Leonardo da Vinci, kun je, mag je die in de klas hangen?
A.Het beeld is provisorisch. Eigenlijk was een beeld van de mensheidsrepresentant bedoeld bij de Handeling. Werd echter onkunstzinnig gevonden. Toen koos men de afbeelding van Leonardo.
T. zou hem persoonlijk niet ophangen uit respect voor zijn collega’s die hem voor de handeling gebruiken.

V.Is het zwart in de kleding nog feestelijk in deze tijd voor de kinderen.
A.Est xou het anders moeten zijn. Onderscheid tussen zielenkleur en geestelijjke kleur.

Na het vragenstellen heeft T nog iets te vertellen.

Occulte belevingen van de jeugd. Ze beleven elementairwezens. Wat vinden we daarvan terug in het onderwijs. Hebben we nog contact met de jeugd.

Waarom houden we Handelingen.
We ontmoeten n ieuwe tijdgenoten. Deze mensen komen in contact met christelijke wezens, michaëlische wezens en anti-christwezens.
Ze ontmoeten deze wezens.
Er is een nieuwe werkzaamheid te bespeuren. De mensen moeten hiervoor doorlaatbaar worden.
Een nieuwe geestelijke zielenconstellatie.
De Handeling moet organen vormen voor deze nieuwe opmerkzaamheid.
Het gebeurt aan de kinderen. Ze kunnen onderduiken in de stemming van de Handeling.
Door de schoolgeest werkt de Christusgeest in. Waar twee of meer in mijn naam samenzijn. 

Waarom is dat zo belangrijk in de Handeling. Omdat nu de bewustzijnsziel wordt opgevoed.
We oefenen door de Handeling.
We oefenen aandacht, verhoogde opmerkzaamheid.
Verhoogd voelen
Verhoogd willen    liefde, niet egoïstisch

Dat de waarnemingsorganen gevormd worden voor de belangrijkste gebeurtenis voor de komende tijd.

.

Godsdienstonderwijs: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.