WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over mythen en sagen (GA 101- vdr. 2)

.
Zie de inleidende woorden bij voordracht 1

INHOUD

Bijzondere kenmerken van de astrale wereld.
Nauwkeurige weergave van de werkelijkheid van hogere werelden in de schilderijen van oude meesters (Rafaël, Cimabue).
De wezens van de astrale wereld zoals afgebeeld in de Perzische mythologie.
De Amshaspands en Iza(r)ds* en hun activiteiten gedurende het jaar.
De relatie van de Amshaspands tot de zon en van de Iza(r)ds tot de maan.
De god Thor uit de Germaanse sage en zijn dochter Thrud.
.

RUDOLF STEINER:

                                               Mythen und Sagen
                                        Okkulte Zeichen und Symbole

                                                 Mythen en sagen
                                       Occulte tekens en symbolen

Blz. 28

Voordracht 2, Berlijn 14 0ktober 1907

Oudnoordse en Perzische mythen

Wir haben vor acht Tagen anhand der germanischen Weltentstehungssage wichtige Zusammenhänge der menschlichen Organisation, des physischen Körperbaues mit der astralen Welt besprochen. Wir haben den interessanten Zusammenhang gesehen zwischen den zwölf Paar Gehirnnerven und den zwölf Strömen, die unsere Vorfahren durch ihre Art von Hellsehen auf dem astralen Plan geschaut haben, und die nichts anderes sind als die Einströmungen dessen, was dann im Menschen die zwölf Gehirnnervenpaare bildet. Wir haben auch gesehen, wie die sozusagen weicheren Organisationsteile des Menschen, das, was zum Kehlkopf, das, was zum Herzen und zu den niederen organischen Teilen gehört, wie das alles zusammenhängt mit den Wurzeln der Weltesche – die ja eine astralische Erscheinung ist -, und wie des Menschen Gehirnbildung zusammenhängt mit dem Wipfel und den Ästen der Weltesche. Da haben wir tief hineingeschaut in den Zusammenhang zwischen dem, was die Mythe erzählt, und dem, was wir durch unsere Erkenntnis uns aneignen können.

Acht dagen geleden bespraken we, aan de hand van de Germaanse scheppingsmythe, belangrijke verbanden tussen de menselijke constitutie – en dan met name de fysieke lichaamsbouw – en de astrale wereld. We zagen het fascinerende verband tussen de twaalf paren hersenzenuwen en de twaalf stromen die onze voorouders op het astrale vlak waarnamen door middel van hun specifieke vorm van helderziendheid; deze stromen zijn in feite niets anders dan de instroom van datgene wat vervolgens in de mens de twaalf paren hersenzenuwen vormt. Ook onderzochten we hoe de – als het ware – zachtere aspecten van de menselijke constitutie (zoals het strottenhoofd, het hart en de lagere organische systemen) verbonden zijn met de wortels van de wereldes – zelf een astraal verschijnsel – en hoe de vorming van de menselijke hersenen zich verhoudt tot de kruin en de takken van die wereldes. Daarmee kregen we diep inzicht in de samenhang tussen wat de mythe verhaalt en wat wij ons door middel van ons begrip eigen kunnen maken.

Wir haben auch gesehen, daß solche Zeichen und Symbole, wie die Mythe sie uns bietet, nicht ausgedachte oder von der Phantasie erfundene Dinge sind, sondern daß sie wirklichen Beobachtungen in der astralen Welt entsprechen. Das muß ja immer wieder betont werden, daß alles Herumreden über Symbole und Zeichen, das aus dem Verstand und aus der Spekulation kommt, wertlos ist. Denn die wirklichen Symbole, die im Okkultismus eine Rolle spielen, sind Wiedergaben von Erlebnissen und Erfahrungen in der geistigen Welt. Heute werden wir einen noch tieferen Blick in dieses Gebiet hinein tun. Wir werden auf ein Kapitel kommen, welches eigentlich wirklich nur in einer solchen Arbeitsgruppe besprochen werden kann, die sich schon längere Zeit mit diesen Fragen beschäftigt. Nun

We hebben ook gezien dat dergelijke tekens en symbolen – zoals ze ons door de mythe worden aangereikt – niet louter door de verbeelding zijn bedacht of verzonnen, maar overeenkomen met werkelijke waarnemingen in de astrale wereld. Er moet steeds weer worden benadrukt dat elke bespreking van symbolen en tekens die slechts voortkomt uit het intellect of uit speculatie, waardeloos is. Want de ware symbolen die een rol spelen in het occultisme, zijn weerspiegelingen van gebeurtenissen en ervaringen in de geestelijke wereld. Vandaag zullen we nog dieper op dit gebied ingaan. We zullen ons richten op een onderwerp dat eigenlijk alleen besproken kan worden binnen een studiegroep die zich al geruime tijd met deze vraagstukken bezighoudt. 

Blz. 29

Nun kommen ja zu solchen Arbeitsgruppen immer noch jüngere Mitglieder hinzu. Diese müssen sich schon da hineinfinden, Dinge zu hören, die unter Umständen für sie noch schockierend sein können. Aber wir würden ja nicht weiterkommen, wenn wir nicht auch solches besprechen wollten, was für Vorgeschrittene gilt. Damit ist jetzt nicht gemeint, vorgeschritten in bezug auf Studium und Erkenntnis, sondern das, was jetzt mit «vorgeschritten» gemeint ist, ist, daß die Mitglieder, die schon längere Zeit hier sind, sich ein gewisses Gefühl dafür angeeignet haben, daß man von geistigen Wesenheiten und von anderen Welten so sprechen kann, wie wenn das Dinge oder Leute wären, die einem auf dem physischen Plan begegnen, und mit denen man unter Umständen ebenso verkehren und familiär sprechen kann, wie mit den Wesen, denen man begegnet, wenn man vor die Tür hinaustritt auf die Straße. In diesem Sinne meine ich «Vorgeschrittene», daß sie nicht davon schockiert werden, wenn von geistigen Welten und ihren Bewohnern in unbefangenem Sinne gesprochen wird. Und die jüngeren Mitglieder mögen wenigstens vorläufig den guten Willen haben, so etwas anzuhören und es so unbefangen hinzunehmen wie eine Erzählung aus der gewöhnlichen Sinneswelt.
Es wird sich auch die Komposition des Vortrages heute etwas bunt ausnehmen. Das macht aber nichts. Wir werden einen Überblick erhalten einerseits über ein wichtiges Kapitel der geistigen Welt und auf der anderen Seite den Zusammenhang mit unserer eigenen menschlichen Körperlichkeit bekommen.

Sie wissen ja, daß innerhalb unserer sinnlichen Welt sich eine zweite Welt ausdehnt, die wir die astralische Welt nennen, die sich zunächst als ein flutendes Lichtmeer darstellt, worin Farben und Formen fluten. Für den Forscher in der astralischen Welt ordnen sich diese Farbengebilde zu bestimmten Wesenheiten, die er als astralische Wesenheiten erkennt, die dort ebenso wirklich sind wie hier die Pflanzen und Tiere in der physischen Welt. Dann ist eingegliedert in die astralische und physische Welt die Welt des geistigen Tönens, der Sphärenharmonien, die Welt des Devachan, die man durch das Hellhören erkennen kann.
Das wollen wir ein anderes Mal besprechen.

U weet dat zich binnen onze zintuiglijke wereld een tweede wereld uitstrekt – wat we de astrale wereld noemen – die zich aanvankelijk voordoet als een golvende zee van licht, waar kleuren en vormen doorheen stromen. Voor de onderzoeker in de astrale wereld ordenen deze kleurvormen zich tot specifieke entiteiten – herkenbaar als astrale wezens – die daar net zo werkelijk zijn als planten en dieren hier in de fysieke wereld. In de astrale en fysieke wereld ingebed ligt het rijk van de geestelijke klank – de sferenharmonie of de wereld van Devachan – dat door helderhorendheid kan worden waargenomen. 

Blz. 30

Heute wollen wir uns auf die astralische Welt mit einigen Gesichtspunkten beschränken. Wer die astralische Welt studiert mit den Mitteln, welche diejenigen, die sich näher mit diesen Dingen befassen können, durch ihre eigene Entwickelung allmählich kennenlernen können, der findet, daß diese Welt wirklich viel, viel bevölkerter ist als unsere physische Welt. Denn die astralische Welt hat eine Eigenschaft, welche die physische Welt nicht hat, und diese Eigenschaft bezeichnet man im Okkultismus als «Durchgängigkeit». Die astralen Wesen können nämlich durcheinander hindurchgehen; dazu sind die physischen Wesen nicht imstande. Daraus können Sie schon entnehmen, daß die astrale Welt viel bevölkerter sein kann, viel mehr Wesen enthalten kann als die physische Welt. Dies ist auch der Fall. Denken Sie einmal an die Zeit, als eine große Anzahl von Menschen noch in der Lage war, auch ohne okkulte Schulung, noch durch ihre natürlichen Anlagen hineinzuschauen in die geistige Welt. Da werden Sie einen etwas anderen Begriff bekommen von manchem alten Bilde, das frühere Maler gemalt haben.

Vandaag willen we ons beperken tot enkele aspecten van de astrale wereld. Wie de astrale wereld bestudeert met behulp van middelen die men – door eigen ontwikkeling – gaandeweg kan leren kennen, zal ontdekken dat deze wereld werkelijk veel meer bewoners telt dan onze fysieke wereld. De astrale wereld bezit namelijk een eigenschap die de fysieke wereld mist: een eigenschap die in het occultisme bekendstaat als ‘doordringbaarheid’. Astrale wezens kunnen dwars door elkaar heen bewegen; fysieke wezens zijn daartoe niet in staat. Hieruit valt gemakkelijk op te maken dat de astrale wereld veel meer bewoners kan herbergen – veel meer wezens kan bevatten – dan de fysieke wereld. En dat is inderdaad het geval. Denk maar eens terug aan de tijd waarin talloze mensen – zelfs zonder occulte scholing, en louter op grond van hun natuurlijke vermogens – in de geestelijke wereld konden kijken. U zult dan een enigszins ander inzicht krijgen in bepaalde oude voorstellingen van schilders uit het verleden.

Ich erinnere Sie nur an die «Sixtinische Madonna», die sich in Dresden befindet. Auch wenn manche die «Sixtinische Madonna» nicht selbst gesehen haben, so kennen sie jedenfalls die guten Stiche, die es von ihr gibt. Da werden Sie gesehen haben, daß im Hintergrunde die ganze Atmosphäre mit Engelköpfen oder Genienköpfen erfüllt ist. So wie sonst die Naturanschauung aus der Luft Wolkengebilde herauswachsen läßt, so wachsen da Engels- oder Geniengestalten heraus. Das ist nicht etwa bloße Phantasie, sondern etwas, was für den, der die astralische Welt sehen kann, eine volle Wirklichkeit ist. So ist die astralische Welt, die uns als wogendes Lichtmeer umgibt, angefüllt mit Wesenheiten, die gleichsam in einer unendlichen Lebendigkeit an jedem Punkt aus dem Raum hervorsprießen. So nimmt sich in jeder Beziehung der astralische Plan aus; bewegtes geistiges Leben ist in ihm. Nun soll nicht etwa gesagt werden, daß die Maler, die zur Zeit Raffaels gelebt haben, noch im vollen Umfange diese Anschauung gehabt haben. Das wäre zu viel gesagt; aber es waren große Vorgänger dieser Maler da, deren Werke längst nicht mehr vorhanden sind,

Laat mij u slechts herinneren aan de “Sixtijnse Madonna” in Dresden. Ook al hebben sommigen de “Sixtijnse Madonna” niet in werkelijkheid gezien, ze zijn zeker vertrouwd met de voortreffelijke gravures die ervan zijn gemaakt. Het zal u zijn opgevallen dat de gehele achtergrond gevuld is met de hoofden van engelen of genieën.

Gedeelte van het schilderij: de engelenkopjes zijn duidelijk te zien:

Zoals de waarneming van de natuur wolkenformaties laat zien die uit de lucht tevoorschijn komen, zo komen hier gestalten van engelen of genieën tevoorschijn. Dit is geen loutere fantasie, maar iets dat een volkomen werkelijkheid vormt voor iedereen die in staat is de astrale wereld te zien. De astrale wereld – die ons omringt als een golvende zee van licht – is dus gevuld met wezens die, als het ware, op elk punt met oneindige levenskracht uit de ruimte opwellen. Dit is in elk opzicht de aard van het astrale gebied; het is doordrongen van actief geestelijk leven. Nu wil ik niet beweren dat de schilders uit Rafaëls tijd dit waarnemingsvermogen nog in volle omvang bezaten. Dat zou overdreven zijn; toch waren er grote voorgangers van deze schilders – wier werken allang niet meer bestaan ​​–

Blz. 31

sind, die in mancher Beziehung wirkliche Hellseher waren, die aus ihrer Hellsichtigkeit heraus die Tradition so angegeben haben, daß ein Maler wie Raffael, auch wenn er nicht Hellseher war, aus der Überlieferung wußte: so ist es, und daher sachgemäß das wiedergeben konnte. Noch viel sachgemäßer sind ältere Bilder aus dem 13. und 14. Jahrhundert. Wenn Sie zurückgehen und zu einer Zeit kommen, die am meisten bekannt ist durch den Maler Cimabue, so werden Sie sehen, wie auf den Bildern Ihnen die merkwürdige Erscheinung des Goldgrundes entgegentritt, und wie aus ihm herauswachsen Engel- oder Geniengestalten. Auch das entspricht in vollem Sinne der Wirklichkeit des astralischen Anschauens. Bis auf den Goldgrund hin entspricht das der Wirklichkeit. Denn tatsächlich, wenn wir in die höheren Partien des astralischen Planes kommen, verwandelt sich das flutende Lichtmeer, das in anderen Farbentönen erglänzt und durchhellt ist, in ein solches flutendes Lichtmeer, das wie von Gold durchglüht erscheint.

die in bepaalde opzichten ware helderzienden waren; vanuit hun helderziendheid vestigden zij de traditie op een zodanige wijze dat een schilder als Rafaël – hoewel hij zelf niet helderziend was – dankzij die traditie wist hoe de zaken werkelijk in elkaar zaten, en ze daardoor op authentieke wijze kon weergeven. Oudere schilderijen uit de 13e en 14e eeuw zijn in dit opzicht nog authentieker. Wie terugblikt op het tijdperk dat vooral met de schilder Cimabue wordt geassocieerd, ziet op deze schilderijen het opvallende verschijnsel van de gouden achtergrond, waaruit gestalten van engelen of geestelijke wezens tevoorschijn komen.

Cimabue

Ook dit stemt in elk opzicht overeen met de werkelijkheid van de astrale waarneming; het klopt tot in het kleinste detail van de gouden achtergrond. Want wanneer we opstijgen naar de hogere regionen van het astrale gebied, verandert die golvende zee van licht – die elders glinstert en in allerlei tinten oplicht – in een golvende zee van licht die eruitziet alsof ze van goud gloeit.

Das ist sehr schön wiedergegeben auf einem Bilde von Raffael, auf einem Fresko, die «Disputa», vis-à-vis zu einem anderen Bild, das genannt wird «Schule von Athen»*, ein Name, der eigentlich am besten gestrichen werden sollte. Auf der «Disputa» haben Sie ganz unten die disputierenden Menschen – wie man glaubt: Kirchenväter, Päpste, Kirchenlehrer -, dann beginnt die Region der Apostel und Propheten, und dann gliedert sich daran die Region, die bei Raffael in den Genienköpfen wiedergegeben ist, das ist diejenige Region, die wir den niederen Astralplan nennen können. Weiter oben haben Sie auf demselben Bilde die Region des höheren Astralplanes golddurchglüht richtig wiedergegeben. Daher wirken die Bilder dieser alten Maler so überzeugend, weil der, der diese Dinge weiß, die Wahrheit des inneren Schauens in ihnen wiedergegeben findet. Auch auf den, der das nicht weiß, wirken sie überzeugend, weil er im Unterbewußtsein fühlen kann, aus welch tiefer Wahrheit heraus diese Dinge geschaffen sind. Ich erwähne dies, um darauf aufmerksam zu machen, wie die Menschen in früheren Zeiten sich dieser höheren Wirklichkeiten bewußt waren und sie auch im Bilde wiedergegeben haben.

Dit is prachtig weergegeven op een schilderij van Rafaël – een fresco dat bekendstaat als de *Disputa* – en dat zich tegenover een ander schilderij bevindt: *De School van Athene* (een naam die eigenlijk zou moeten worden verworpen).

Onderaan de *Disputa* ziet men figuren die in een dispuut verwikkeld zijn – vermoedelijk kerkvaders, pausen en kerkleraren; daarboven begint het rijk van de apostelen en profeten, en daaraan grenst het gebied dat Rafaël heeft verbeeld door middel van de hoofden van engelenwezens: het gebied dat we het lagere astrale vlak zouden kunnen noemen.

Hogerop op hetzelfde schilderij wordt het rijk van het hogere astrale vlak nauwkeurig uitgebeeld, stralend in een gouden licht. De schilderijen van deze oude meesters zijn zo meeslepend omdat iedereen die kennis van deze zaken bezit, de waarheid van de innerlijke blik erin weerspiegeld ziet. Ze zijn zelfs overtuigend voor wie die kennis mist, want dergelijke toeschouwers kunnen op onderbewust niveau de diepe waarheid aanvoelen waaruit deze werken zijn voortgekomen. Ik noem dit om de aandacht te vestigen op het feit dat mensen in vroeger tijden zich bewust waren van deze hogere werkelijkheden en deze in hun kunst uitbeeldden.

Blz. 32

Von dieser Welt, die wir jetzt versuchten so zu charakterisieren, wie sie die Maler im Bilde wiedergegeben haben, wollen wir heute etwas besprechen. Wir wollen aufmerksam werden heute auf ganz bestimmte Wesenheiten, die der hellsichtige Mensch in der astralischen Welt antrifft, zum Teil in der niederen, zum Teil in der höheren astralischen Welt. Da gibt es solche Wesenheiten, die gestaltet sind wie ein sehr komplizierter Vogelleib, aber von ungeheurer Schönheit, mit mächtigen flügelartigen Organen begabt und mit einem dem Menschenkopf ähnlichen Kopf; so erscheinen sie geformt und gestaltet. Das sind durchaus Wirklichkeiten des astralen Planes. Die großen Lehrer der Religionen, die da hineinschauen konnten, waren wohl bekannt mit dieser Art von Wesenheiten. Und wenn man in den ältesten Zeiten versuchte, diese Wesenheiten darzustellen – die Cherubim, oder die etwas weniger richtigen, aber wenigstens in der Absicht richtig gemeinten Greife -, dann malte man solche merkwürdigen Gestalten, die zwischen Genius und Fabeltier in der Mitte stehen.

Vandaag willen we iets bespreken van deze wereld – die we zojuist hebben trachten te typeren zoals schilders die in hun afbeeldingen hebben weergegeven. We willen onze aandacht vandaag richten op zeer specifieke wezens die de helderziende in de astrale wereld tegenkomt – deels in de lagere en deels in de hogere astrale sferen. Er bevinden zich daar wezens met de vorm van een uiterst complex vogellichaam – maar van een overweldigende schoonheid –, voorzien van machtige, vleugelachtige organen en een hoofd dat op dat van een mens lijkt; zo zien ze eruit. Dit zijn werkelijke verschijnselen van het astrale gebied. De grote religieuze leraren die in dit rijk konden kijken, waren goed bekend met dergelijke wezens. En toen men in vroeger tijden probeerde deze wezens af te beelden – de cherubijnen of de griffioenen (die qua vorm misschien niet helemaal accuraat waren, maar qua betekenis wel juist) –, schilderden kunstenaars deze vreemde gestalten die het midden houden tussen een spirituele geest en een mythisch dier.

Wenn man sich an die alten Sagen erinnert, so hat man darin den Versuch der Menschen, diese höheren genienhaften Wesen nachzubilden. Sie sind in der mannigfaltigsten Weise gestaltet, und diejenigen, die in den Geheimschulen gewirkt und sie gekannt haben, die haben diesen Chor der Wesen gleichsam charakterisiert. Diese Art von Wesenheiten gruppiert sich in sechs Klassen. Wie sechs Regenten, wie sechs Anführer dieser Scharen sind solche sechs Hauptgenien vorhanden. In verschiedener Weise wurden sie benannt, diese sechs Hauptgenien des höheren Astralplanes, der goldenen Region. Die persische Geheimlehre nennt sie «Amshaspands», sie spricht von den sechs Amshaspands. Eine zweite, in einer etwas niedereren Region vorkommende Art solcher astraler Wesenheiten sieht anders aus; sie sieht gar nicht Gestalten ähnlich, die es hier auf dem physischen Plan gibt. Aber man kann sich wenigstens verständlich machen, wenn man versucht, deren Gestalten durch solche des physischen Planes auszudrücken. Das haben auch die Geheimlehrer getan, die den Völkern ihre Mythologien gegeben haben und diejenige Kunst, von der wir gesprochen haben, die aus der Geheimlehre hervorging.

Wie zich de oude legenden voor de geest haalt, ziet daarin de poging van de mensheid om deze hogere, geniale wezens gestalte te geven. Ze worden op de meest uiteenlopende manieren afgebeeld, en degenen die in de mysteriescholen werkzaam waren en hen kenden, hebben dit koor van wezens als het ware gekarakteriseerd. Deze wezens kunnen in zes klassen worden ingedeeld. Er bestaan ​​zes van dergelijke hoofdgenieën, die optreden als zes regenten of leiders van deze scharen. Aan deze zes hoofdgenieën van het hogere astrale gebied – het gouden gebied – zijn verschillende namen gegeven. De Perzische esoterische leer noemt ze ‘Amshaspands’; er wordt gesproken over de zes Amshaspands. Een tweede soort van dergelijke astrale wezens, die in een iets lager gebied worden aangetroffen, ziet er anders uit; ze vertonen geen enkele gelijkenis met de vormen die hier op het fysieke vlak bestaan. Toch kan men zich enigszins begrijpelijk maken door te proberen hun vormen te beschrijven in termen van vormen die op het fysieke vlak voorkomen. Precies dit deden de esoterische leraren die de volkeren hun mythologieën gaven – evenals de kunst waar we het over hadden, die uit deze esoterische leer voortkwam.

Blz. 33

Es gibt keine Gestalten, die genau so ausschauen wie diese Wesen, deshalb können wir sie nur charakterisieren, indem wir sie so darstellen, daß sie eine Art Menschenkörper haben mit allen möglichen verschiedenen Tierköpfen. Die Ägypter, die gerade über dieses Gebiet des Astralplanes gut Bescheid wußten und die geistigen Wesen dieser Sphäre ganz gut kannten, sie haben sich bemüht, in den verschiedenen Gestalten, wie zum Beispiel den Menschengestalten mit dem Sperberkopf oder in der Menschengestalt mit anderen Tierköpfen, gerade diese Kategorie von Geistern des Astralplanes nachzubilden. Auch das sind keine willkürlich ersonnenen Phantasien, sondern Gestalten, mit denen man auf dem Astralplan so verkehren kann wie mit Menschen und Tieren auf dem physischen Plan. Dann gibt es eine dritte Art von Wesenheiten. Derer sind nun unzählige, die kann man eigentlich nicht mehr gut so charakterisieren, daß man aus der Tier- oder Menschenwelt Vergleiche heranzieht, sondern eher, indem man versucht, das Pflanzenreich oder die niederen Tiere für ihre Körperlichkeit heranzuziehen und den Menschenkopf als ihren Kopf, so daß das Ganze etwa einem Pflanzenleib ähnlich ist, aus dem ein Menschenkopf hervorwächst, oder einem Fischleib mit einem Menschenkopf.

Er bestaan ​​geen vormen die precies op deze wezens lijken; daarom kunnen we ze slechts typeren door ze af te beelden met een soort menselijk lichaam, gecombineerd met allerlei verschillende dierenkoppen. De Egyptenaren – die goed thuis waren in dit gebied van het astrale vlak en vertrouwd met de geestelijke wezens van die sfeer – probeerden deze specifieke categorie geesten van het astrale vlak weer te geven in uiteenlopende vormen, zoals menselijke gestalten met de kop van een havik of een ander dier.

Ook dit zijn geen louter willekeurige verzinsels, maar vormen waarmee men op het astrale vlak kan interageren, net zoals men dat doet met mensen en dieren op het fysieke vlak. Daarnaast is er nog een derde soort entiteit. Deze zijn in talloze aantallen aanwezig; ze laten zich niet werkelijk typeren door vergelijkingen te trekken met de dieren- of mensenwereld, maar eerder door voor hun lichaamsvorm naar het plantenrijk of naar lagere diersoorten te kijken – gecombineerd met een menselijk hoofd. Dit resulteert in verschijningsvormen zoals een plantachtig lichaam waaruit een menselijk hoofd tevoorschijn komt, of een visachtig lichaam met een menselijk hoofd.

Alles das gibt ungefähr ein Bild für die Wesenheiten, die auf dem astralen Plan vorhanden sind. Es gibt, wie ich Ihnen gesagt habe, sechs Arten solcher Genienwesenheiten, welche die Perser «Amshaspands» nannten. Auch die zweite Art, die am besten charakterisiert wird durch Menschengestalt mit Tierkopf, kennen Sie nun, sie sind in der mannigfaltigsten Weise gestaltet. Wenn man diese Gestalten durchgeht, bekommt man etwa achtundzwanzig bis einunddreißig Gruppen, und eine jede dieser Gruppen wieder ist angeführt von einem Regenten, so daß man achtundzwanzig bis einunddreißig solcher Wesenheiten als Regenten auf dem astralischen Plane hat. Die persischen Geheimlehrer nannten diese Regenten die achtundzwanzig oder einunddreißig «Izards». Diejenigen Wesenheiten, die ich als dritte Kategorie besprochen habe, nannten sie «Farohars». Das sind unzählige, und man würde gar nicht fertig, wenn man sie alle der Zahl nach auch in Klassen gliedern wollte.

Dit alles schetst een globaal beeld van de entiteiten die op het astrale vlak aanwezig zijn. Zoals ik u heb verteld, zijn er zes soorten van dergelijke, aan genieën verwante entiteiten – die door de Perzen ‘Amshaspands’ werden genoemd. U bent inmiddels ook bekend met het tweede type – dat het best te omschrijven valt als een menselijke gedaante met een dierenkop – en dat in een grote verscheidenheid aan verschijningsvormen voorkomt. Wanneer men deze vormen nagaat, komt men uit op ongeveer achtentwintig tot eenendertig groepen; elk van deze groepen staat onder leiding van een regent, wat betekent dat er achtentwintig tot eenendertig van dergelijke entiteiten zijn die als regent op het astrale vlak fungeren. De Perzische esoterische leraren* noemden deze regenten de achtentwintig of eenendertig ‘Iza(r)ds’. De entiteiten die ik als de derde categorie heb besproken, noemden zij ‘Farohars’. Er zijn er talloze van, en men zou nooit klaar zijn als men zou proberen ze allemaal in categorieën in te delen.

*De Perzische esoterische leraren gebruikten de namen: Iza(r)ds of Izeds, Farohar of Feruer of Fravashi. Zie Rudolf Steiners voordracht in Berlijn op 19 januari 1911, “Zarathustra”, opgenomen in *Antwoorden van de geesteswetenschap op de grote levensvragen* (GA 60/273 – niet vertaald).
*’Izard’ wordt nu geschreven als Izad of Ized:

.

Ized
In de Perzische mythologie is Ized de naam van de achtentwintig goede geesten van de tweede rang, die Ormuzd en zijn zeven helpers, de Amshaspands, als hun heersers erkennen. De Izeds zijn mannelijke en vrouwelijke wezens van de grootste zuiverheid en zachtmoedigheid, geschapen door Ormuzd, de vertegenwoordiger van de hoogste, onzichtbare god. Zij beheersen het jaar, de maand, de dag en de uren, begeleiden de mens op zijn levensreis, heersen over de dieren- en plantenwereld, reguleren de natuurwetten en -elementen en zijn voortdurend in strijd met Ahriman en zijn boze geesten.
Bron

Blz. 34

Uns sollen heute nur interessieren die sechs Amshaspands mit ihren Scharen und die achtundzwanzig bis einunddreißig Izards mit den ihren, denn die haben eine ganz merkwürdige Bedeutung für das ganze menschliche Leben. Wer in die geistige Welt hineinsieht, weiß Antwort zu geben auf die Frage, die jemand aufwerfen könnte: Womit beschäftigen sich denn eigentlich diese Wesen des Astralplanes? Was tun sie denn die ganze Zeit? – Es wäre ganz falsch, wenn man glauben wollte, daß diese Genien und Geister bloß da wären, um Gruppen zu bilden. Man könnte leicht meinen, wenn man gewisse poetische Schilderungen nimmt, daß sie nur in den verschiedenen Sphären eingereiht wären, um Gruppen zu bilden. Das wäre für diese Geister natürlich ein sehr langweiliges Dasein. Um die Bildung von lebenden Gruppen handelt es sich nicht in der geistigen Welt. Alle diese Wesen haben ihre Mission im Weltenplan. Diese Wesenheiten, die die Perser Amshaspands und Izards nannten, haben auch die alten Germanen, die alten Trotten und Druidenpriester gekannt, sie zählen sie nur verschieden auf.
Nach manchen Überlieferungen sind es achtundzwanzig, nach manchen dreißig oder einunddreißig.

Vandaag zijn we alleen geïnteresseerd in de zes Amshaspands met hun scharen en de achtentwintig tot eenendertig Izards met de hunne, want zij hebben een werkelijk opmerkelijke betekenis voor het gehele menselijke leven.
Wie een blik werpt in de geestelijke wereld, kan de vraag beantwoorden die iemand zou kunnen stellen: Waarmee houden deze wezens van het astrale gebied zich eigenlijk bezig? Wat doen ze de hele tijd? Het zou volkomen verkeerd zijn te geloven dat deze genieën en geesten slechts bestaan ​​om groepen te vormen. Op grond van bepaalde poëtische beschrijvingen zou men gemakkelijk kunnen veronderstellen dat ze simpelweg binnen de verschillende sferen zijn gerangschikt om groepen te vormen. Dat zou voor deze geesten natuurlijk een zeer eentonig bestaan ​​zijn. Het vormen van groepen in letterlijke zin is niet wat
er in de geestelijke wereld plaatsvindt; al deze wezens hebben hun eigen missie binnen het kosmische plan. Deze entiteiten – die de Perzen Amshaspands en Izards noemden – waren ook bekend bij de oude Germaanse volkeren en de oude druïdenpriesters, al benoemden zij ze op een andere manier. Volgens sommige tradities zijn het er achtentwintig; volgens andere dertig of eenendertig.

AI geeft de volgende informatie:

In de Perzische mythologie (specifiek binnen het zoroastrisme) zijn de Amshaspands (Amesha Spenta’s) de zes goddelijke wezens die zijn geschapen door de oppergod Ahura Mazda. De naam betekent letterlijk “Heilige Onsterfelijken”.
Zij gelden als de beschermers van de schepping en vertegenwoordigen elk zowel een morele deugd als een fysiek aspect van de kosmos.

De Zes Amshaspands
Hieronder staat een overzicht van de zes wezens, verdeeld in drie mannelijke en drie vrouwelijke entiteiten:

Hun Rol en Betekenis
Verlengstukken van God: Ze zijn geen onafhankelijke goden, kanttekeningen bij het pure monotheïsme, maar emanaties (uitstralingen) van Ahura Mazda zelf. Soms wordt Ahura Mazda als de zevende Amshaspand gezien die de groep leidt.
De Kosmische Strijd: De Amshaspands voeren een voortdurende spirituele strijd tegen de handlangers van de boze geest Angra Mainyu (Ahriman). Elk van hen heeft een specifieke demon (daeva) als directe tegenstander.
De Perzische Kalender: De invloed van de Amshaspands is vandaag de dag nog steeds merkbaar. De maanden in de officiële Iraanse kalender zijn vernoemd naar deze wezens.

Wir werden gleich hören, warum die Zahl unsicher ist. Diejenigen Wesenheiten, welche die Perser Amshaspands nennen, sind höhere geistige Wesenheiten, die den um uns herum liegenden Naturkräften vorstehen und sie leiten. Die Naturkräfte, das, was bewirkt, daß die Pflanzen wachsen, die Tiere gedeihen, daß der Mensch leben kann, diese Kräfte, die um uns herum sind, die wir Licht, Wärme, Elektrizität, Magnetismus und so weiter nennen, Nervenkraft, Blutskraft, Zeugungskraft – nennen Sie es, wie Sie wollen —, das sind keine bloß ungeistigen Kräfte. Das ist ein Aberglaube, daß das ungeistige Kräfte sind. Diese Kräfte sind der äußere Ausdruck für geistige Wesenheiten. Die großen Kräfte des Daseins, Licht, Luft, Wärme, Elektrizität, auch die großen chemischen Kräfte, die die Welt durchziehen, sie alle sind der äußere Ausdruck für die wirkenden Amshaspands und ihre Scharen. Da wirken sie darin. Wenn ich mich trivial ausdrücken darf: sie «kochen» an der Welt. Für das sinnliche Anschauen sind sie hinter den Kulissen.

We zullen straks horen waarom het aantal onzeker is. De wezens die de Perzen Amshaspands noemen, zijn hogere geestelijke wezens die leiding en sturing geven aan de natuurkrachten om ons heen. De natuurkrachten – datgene wat planten doet groeien, dieren doet gedijen en mensen doet leven; die krachten om ons heen die we aanduiden als licht, warmte, elektriciteit, magnetisme enzovoort – zenuwkracht, bloedkracht, voortplantingskracht (noem ze zoals u wilt) – dit zijn niet louter niet-geestelijke krachten. Het is bijgeloof om ze als niet-geestelijk te beschouwen. Deze krachten zijn de uiterlijke verschijningsvorm van geestelijke wezens. De grote krachten van het bestaan ​​– licht, lucht, warmte, elektriciteit en zelfs de grote chemische krachten die de wereld doordringen – zijn stuk voor stuk uiterlijke verschijningsvormen van de werkzame Amshaspands en hun scharen. Zij werken binnen deze krachten. Om het alledaags uit te drukken: zij zijn de wereld aan het ‘bereiden’. Voor de zintuiglijke waarneming blijven zij op de achtergrond.

Blz. 35

Aber Sie können sich doch von ihnen eine Vorstellung machen,
wenn Sie sich zum Beispiel wie beim Marionettentheater einen Akteur, einen Darsteller denken, der selbst nicht sichtbar wird, aber doch daran zu erkennen ist, wie er durch Drähte und Stränge wirkt.
So wie beim Marionettentheater hinter den Figuren der Akteur wirkt, so stehen hinter den Naturkräften die geistigen Wesenheiten.
Schlimm ist es für einen materialistischen Aberglauben, wenn er nur die Marionetten sieht und kein Bewußtsein davon hat, daß geistige Wesenheiten dahinter sind. Das ist also das Geschäft der Amshaspands, der sechs großen Genien, die, wie die persische Götterlehre sagt, dem guten Gotte Ahura Mazdao oder Ormuzd als ausführende Genien zur Seite stehen.
Ihnen untergeordnet sind die achtundzwanzig Izards. Was haben diese für eine Bedeutung? Das enthüllt sich der direkten hellseherischen Beobachtung am besten, wenn man sie Tag für Tag beobachtet. Sie werden mich am besten begreifen, wenn ich ganz unverblümt über diese achtundzwanzig Izards spreche.

Toch kunt u zich er een voorstelling van maken als u zich – net als in een marionettentheater – een acteur of speler voorstelt die zelf onzichtbaar blijft,
maar zijn aanwezigheid verraadt door de wijze waarop hij de draden en touwtjes bedient.
Zoals de speler achter de figuren in een marionettentheater staat, zo staan ​​geestelijke wezens achter de natuurkrachten.
Het is een teken van materialistisch bijgeloof om slechts de marionetten te zien en niet te beseffen dat er geestelijke wezens achter schuilgaan.
Dit is dan de taak van de Amshaspands – de zes grote genieën die volgens de Perzische mythologie als uitvoerende geesten de goede god Ahura Mazda (of Ormuzd) terzijde staan ​.
Aan hen ondergeschikt zijn de achtentwintig Iza(r)ds. Welke betekenis hebben zij?
Dat laat zich het beste onthullen door directe helderziende waarneming – door hen dag na dag te observeren. U zult mij het beste begrijpen als ik heel duidelijk over deze achtentwintig Iza(r)ds spreek.

Wenn die sechs Amshaspands mit Licht, Luft, Wärme und so weiter wirken würden ohne die Izards, dann würde dieses unser Weltgefüge nicht so zustande kommen, wie es ist. Es muß, damit diese Welt zustande kommen kann, eine niederere Hilfe da sein. Es müssen untergeordnete, ausführende Geister da sein. Das sind die achtundzwanzig Izards. Und es ist da eine ganz merkwürdige Rangordnung zu beobachten. Wenn man nämlich tageweise hintereinander die Art beobachtet, wie da gearbeitet wird, so sieht man, daß die sechs großen Gruppengenien, die Amshaspands, dauernd, immerfort, gleichmäßig wirken.
Sie sind unermüdlich. Aber die untergeordneten achtundzwanzig Izards haben eine wesentlich verkürzte Arbeitszeit. Sie lösen sich nämlich ab, so daß man an dem einen Tage die eine Kategorie der Izards als Hilfeleister sieht, an dem zweiten Tage die zweite Kategorie und am dritten Tage die dritte und so fort. Dadurch wird es bewirkt, daß überhaupt die Welt vorwärtsrücken kann. Wenn im Frühling eine bestimmte Pflanzengattung hervorkommt, da wirken die Amshaspands. Trotzdem sie immer unermüdlich arbeiten, hat doch durch eine gewisse Zeit hindurch einer die Führung; der ist dann am meisten tätig. Die anderen sind zwar auch tätig, aber sie haben nicht die Führung.

Als de zes Amshaspands met licht, lucht, warmte en dergelijke zouden werken zonder de Iza(r)ds, zou de structuur van onze wereld niet tot stand zijn gekomen zoals die nu is. Voor het ontstaan ​​van deze wereld is een lagere vorm van bijstand vereist; er moeten ondergeschikte, uitvoerende geesten aanwezig zijn. Dit zijn de achtentwintig Iza(r)ds.
Hierbij valt een zeer opmerkelijke hiërarchie waar te nemen. Als men de dagelijkse uitvoering van het werk observeert, ziet men dat de zes grote groepsgeesten – de Amshaspands – voortdurend, onophoudelijk en gestaag werkzaam zijn. Zij zijn onvermoeibaar. De ondergeschikte achtentwintig Iza(r)ds kennen echter een aanzienlijk kortere activiteitsperiode. Zij wisselen elkaar af, zodat de ene dag de ene categorie Iza(r)ds als ondersteunende kracht optreedt, de tweede dag de tweede categorie, de derde dag de derde, enzovoort. Dankzij deze regeling kan de wereld zich verder ontwikkelen. Wanneer in het voorjaar een bepaald soort plant opkomt, zijn de Amshaspands aan het werk. Hoewel zij allen onvermoeibaar werken, neemt een van hen gedurende een bepaalde periode de leiding; diegene is dan het meest actief. De anderen zijn weliswaar ook actief, maar zij hebben niet de leiding.

Blz. 36

Nach einiger Zeit übernimmt dann ein anderer die Führung. Wenn nun eine Pflanzenart herauskommt im Frühling, so ist das so, daß die Amshaspands wirken in der Art der großen Naturkräfte, und daß die niedereren Kräfte, die Izards, so arbeiten, daß alles auf einen bestimmten Tag genau paßt und stimmt.
Daß das Klima richtig ist zum Beispiel, daß die Temperatur gerade an diesem Tage richtig ist, das bewirkt eine Kategorie der Izards.
Das Pflanzenwachstum würde nicht weitergehen können, wenn nicht am anderen Tage eine andere Kategorie der Izards herankäme.
Nach achtundzwanzig Tagen kommt aber dann wieder die erste Kategorie heran, und so geht es weiter. Das ist tatsächlich die Einrichtung in der geistigen Ordnung, die hinter der Natur steht. Da sehen wir genau hinein in das Getriebe, wir sehen, wie da gearbeitet wird auf dem astralischen Plan.
Erinnern wir uns jetzt daran, was wir vor acht Tagen gesagt haben. Wir haben gesagt, daß der Teil der germanischen Mythe, den wir damals besprochen haben, anknüpft an jenen Auszug des auserwählten Häufleins in der Nähe des heutigen Irland, das einst ein Teil der Atlantis war, dessen Bevölkerung in der Entwickelung vorgerückt und dann nach Osten ausgezogen war.

Na verloop van tijd neemt een andere groep de leiding over. Wanneer in de lente een plantensoort opkomt, zijn de Amshaspands werkzaam als grote natuurkrachten, terwijl de lagere krachten – de Iza(r)ds – ervoor zorgen dat alles precies op een bepaalde dag is afgestemd.
Het is een specifieke categorie Iza(r)ds die er bijvoorbeeld voor zorgt dat het klimaat geschikt is en de temperatuur precies goed voor die dag.
De plantengroei zou niet kunnen voortduren als niet op de volgende dag een andere categorie Izards zou ingrijpen.
Na achtentwintig dagen keert de eerste categorie echter terug en zet de cyclus zich voort. Dit is in feite de ordening binnen de geestelijke wereld die aan de natuur ten grondslag ligt. Hier krijgen we direct inzicht in de innerlijke werking; we zien hoe het werk op het astrale vlak wordt verricht.
Laten we ons nu herinneren wat we acht dagen geleden hebben gezegd. We merkten op dat het deel van de Germaanse mythologie dat we toen bespraken, betrekking heeft op de uittocht van die uitverkoren groep nabij het huidige Ierland – ooit deel van Atlantis – waarvan de bevolking vergevorderd was in haar ontwikkeling en vervolgens naar het oosten trok.

Das, was man die fortgeschrittenere Rasse der Atlantier nennt, hat die östlichen Kulturen begründet. In der Erzählung von der Weltesche ist das Werden des neuen Menschen ausgedrückt, wie man es in der damaligen Zeit in der astralischen Welt gesehen hat. Man hat gesehen, wie die zwölf Ströme, die wir das letztemal beschrieben haben, von Norden herunterfließen und durch lange Zeiten eingeströmt sind. Diese zwölf Ströme sind wirklich auf dem Astralplan vorhanden, auch heute noch. Wenn Sie nämlich die zwölf Paar Nervenstränge verfolgen, die durch Ihren Kopf gehen, und die Linien weiter hinaus in die Welt ziehen, so vereinigen sie sich alle mit den zwölf Grundströmen, die auf dem Astralplan draußen vorhanden sind. Sie strömen tatsächlich ein durch die sechs Öffnungen des Kopfes, durch zwei Augen, zwei Ohren und zwei Nasenlöcher. Innen werden sie wieder zu zwölf Strömen, je zwei und zwei. Und wer schickt sie da hinein?
Nachdem Licht und Luft, die draußen als Naturkräfte wirken, 

Wat bekendstaat als het meer ontwikkelde ras van de Atlantiërs, legde de basis voor de oosterse culturen.
Het verhaal van de wereldes verbeeldt het ontstaan ​​van de nieuwe mens – een proces zoals dat destijds in de astrale wereld werd waargenomen. Men kon de twaalf stromen – die we de vorige keer hebben beschreven – vanuit het noorden zien neerdalen en gedurende lange perioden naar binnen zien stromen. Deze twaalf stromen bestaan ​​werkelijk op het astrale vlak, zelfs tot op de dag van vandaag. Want als men de twaalf paren zenuwbanen in het hoofd volgt en hun lijnen doortrekt de wereld in, komen ze allemaal samen met de twaalf fundamentele stromen die op het astrale vlak aanwezig zijn. Ze stromen daadwerkelijk naar binnen via de zes openingen van het hoofd: de twee ogen, de twee oren en de twee neusgaten. Binnenin splitsen ze zich opnieuw in twaalf stromen, gerangschikt in zes paren. En wie stuurt ze daarheen? Aangezien licht en lucht – die uiterlijk als natuurkrachten werken –

Blz. 37

von den sechs Amshaspands dirigiert werden, werden auf der höchsten Stufe der Menschengestaltung diese zwölf Ströme in unseren Kopf hineingeschickt, um unsere Kopfnerven zu bilden.
Das haben die Geheimlehrer in den sechs Amshaspands gesehen. Sie haben die sechs dirigierenden Geister gesehen, die die zwölf Ströme in den Kopf hineinschicken, so daß der Mensch die Fähigkeit bekommt, die Welt mit Hilfe seines Nervensystems aufzufassen. So sehen Sie den menschlichen Kopf wie in einer Art telefonischer oder telegrafischer Verbindung angeschlossen an diese sechs Genien. Denen verdanken Sie die Fähigkeit, durch Ihre Sinne wahrnehmen zu können. So steht der Mensch als Mikrokosmos, als eine kleine Welt, im Zusammenhang mit der großen Welt, dem Makrokosmos. Und was tun die untergeordneten Geister dabei, die achtundzwanzig Izards? Sehen Sie, bevor der Mensch reif war, die hohen Kräfte der Amshaspands selber in sich aufzunehmen, war er schon richtig reif, die Kräfte der Izards aufzunehmen, die sich ausdrücken in seinen niederen Nerven. So, wie die obenerwähnten Ströme in die Kopfnerven hineinfließen und sie aufbauen, so fließen die Ströme der achtundzwanzig Izards in den menschlichen Rumpf hinein, der früher als der Kopf aufgebaut war.

door de zes Amshaspands worden geleid, worden deze twaalf stromen in de hoogste fase van de menswording ons hoofd in geleid om onze hersenzenuwen te vormen.
De esoterische leraren namen dit waar in de zes Amshaspands. Zij aanschouwden de zes sturende geesten die de twaalf stromen het hoofd in zenden en de mens daarmee het vermogen schenken om de wereld via het zenuwstelsel waar te nemen. Zo blijkt het menselijk hoofd verbonden met deze zes genieën – vergelijkbaar met een telefoon- of telegraafverbinding. Aan hen dankt u uw vermogen tot zintuiglijke waarneming. Op deze wijze staat de mens als een microkosmos – een kleine wereld – in verbinding met de grote wereld, de macrokosmos. En welke rol spelen de ondergeschikte geesten, de achtentwintig Iza(r)ds, hierin? Welnu, voordat de mens gereed was om de verheven krachten van de Amshaspands rechtstreeks in zich op te nemen, was hij reeds volledig voorbereid op het opnemen van de krachten van de Iza(r)ds, die tot uitdrukking komen in zijn lagere zenuwen. Zoals de eerder genoemde stromen de hersenzenuwen instromen en deze opbouwen, zo stromen de stromen van de achtentwintig Iza(r)ds het menselijk rompgebied in – dat eerder werd gevormd dan het hoofd.

Bevor der Mensch fähig war, die Kräfte der Amshaspands aufzunehmen und den Kopf davon zu formen, war des Menschen Rumpf fähig, die Einströmungen der achtundzwanzig Izards aufzunehmen. Hat er die Kräfte der Izards auch jetzt in sich? Wenn wir des Menschen Rückenmark untersuchen, so finden wir, daß es in einem Nervenstrang durch das Rückgrat hindurchzieht, der außen eine weißliche und innen eine graue Materie hat, während beim Gehirn das Innere weiß und das Äußere grau ist, also genau umgekehrt. Das hat eine besondere Bedeutung. Interessant ist nun, daß in der ganzen Länge des Rückgrats vom Rückenmark Nervenstränge ausgehen, welche die niederen Funktionen des Leibes versorgen. Von oben gehen sie aus nach unten und verbreiten sich im ganzen Leibe. Wie viele solcher Nervenstränge sind es? Wenn wir verstehen wollen, wie viele es sind, müssen wir uns erst die Frage beantworten: Woher kommen sie? – Das sind nämlich die Stränge, die

Voordat de mens in staat was de krachten van de Amshaspands op te nemen en daaruit het hoofd te vormen, kon zijn romp de invloeden van de achtentwintig Iza(r)ds ontvangen. Draagt ​​hij de krachten van de Iza(r)ds nog steeds in zich? Wanneer we het menselijk ruggenmerg onderzoeken, zien we dat dit door de wervelkolom loopt als een zenuwbaan die aan de buitenkant uit witte stof en aan de binnenkant uit grijze stof bestaat – terwijl in de hersenen de binnenkant wit is en de buitenkant grijs; precies het omgekeerde dus. Dit is van bijzondere betekenis. Het is interessant op te merken dat er langs de gehele lengte van de wervelkolom zenuwbanen uit het ruggenmerg ontspringen om de lagere lichaamsfuncties te verzorgen. Ze lopen van boven naar beneden en verspreiden zich door het hele lichaam. Hoeveel van dergelijke zenuwbanen zijn er? Om hun aantal te begrijpen, moeten we eerst de vraag beantwoorden: waar komen ze vandaan? Dit zijn in feite de banen die

Blz. 38

gebildet worden sind durch die Einströmungen der achtundzwanzig Izards; daher gibt es achtundzwanzig bis einunddreißig Paare solcher nach links und rechts gehender Nervenstränge. Sie wissen, der Mensch hat vor seiner Erdenbildung eine Mondenbildung durchgemacht. Bei der Mondenbildung sind zunächst nur achtundzwanzig solcher Nervenstränge als Anlage gebildet worden. Dann, als der Mond sich zur Erde hinüberentwickelt hat, sind zwei bis drei neue hinzugekommen. Daher ist die Zahl der ursprünglich achtundzwanzig Izards, die schon auf dem Monde den höheren Genien dienten, um drei vermehrt. Weil auf der Erde die höhere Bildung des Menschen vorbereitet werden mußte, mußten drei weitere Izards dazukommen. Diese drei letzteren sind speziell nur auf den Menschen einwirkende Izards, sie haben in der Natur draußen keine Aufgabe. Das ist sehr interessant zu überblicken. Nun ist es weiter im höchsten Grade interessant, diese ganzen Vorgänge so zu verfolgen, daß wir sie nicht nur im Menschen, sondern draußen in der großen Natur betrachten. Denn der Mensch ist ja nach und nach gebildet worden nach den Konstellationen der großen Natur draußen.

gevormd zijn door de invloeden van de achtentwintig Iza(r)ds; dientengevolge zijn er achtentwintig tot eenendertig paren van dergelijke zenuwbanen die zich naar links en rechts vertakken.
U weet dat de mens, voorafgaand aan de vorming van de Aarde, een stadium van maanvorming heeft doorlopen. Tijdens deze maanfase werden er aanvankelijk slechts achtentwintig van dergelijke zenuwstrengen als kiemvormen aangelegd. Toen de Maan zich vervolgens naar de Aarde toe ontwikkelde, kwamen er twee of drie nieuwe bij. Zo werd het oorspronkelijke aantal van achtentwintig Iza(r)ds – die op de Maan reeds hogere genieën hadden gediend – met drie uitgebreid. Omdat de hogere ontwikkeling van de mens op Aarde moest worden voorbereid, moesten er drie extra Iza(r)ds worden opgenomen. Deze laatste drie Iza(r)ds werken specifiek in op de mens alleen; ze hebben geen functie in de natuurlijke wereld daarbuiten. Het is fascinerend om dit te overzien. Bovendien is het van het grootste belang om deze gehele processen zo te volgen dat we ze niet alleen in de mens waarnemen, maar ook in de weidsheid van de natuur; de mens werd immers geleidelijk gevormd in overeenstemming met de constellaties van de grote natuurlijke wereld om ons heen. Iza(r)ds werken specifiek in op de mens alleen; ze hebben geen functie in de natuurlijke wereld daarbuiten. Het is fascinerend om dit te overzien. Bovendien is het van het grootste belang om deze gehele processen zo te volgen dat we ze niet alleen in de mens waarnemen, maar ook in de weidsheid van de natuur; de mens werd immers geleidelijk gevormd in overeenstemming met de constellaties van de grote natuurlijke wereld om ons heen.

Würde unsere Erde nicht in der Umgebung der Sonne sein, um welche sie sich in einem Jahre herumbewegt, würde in ihrer Umgebung nicht der Mond sein, der sich in einem Monat um sie bewegt und sich dabei in vier Phasen zeigt, so würde der Mensch anders sein, denn alle diese Dinge hängen streng zusammen. Anders wirken Licht und Luft, wenn die Sonne von einem bestimmten Punkte des Himmels aus die Erde bescheint, und anders, wenn die Sonne von einem anderen Punkte aus die Erde bescheint. Warum ist das so? Weil mit dem scheinbaren Fortschreiten der Sonne eben zusammenhängt, daß die Amshaspands sich in bezug auf die Führung ablösen. Von Monat zu Monat, durch sechs Monate hindurch, lösen sich die Amshaspands in der Führung ab. Das hängt zusammen mit dem Durchgang der Sonne durch die zwölf Tierkreisbilder. Nach jeweils sechs Monaten kommt ein Amshaspand wieder an die Reihe, so daß wir die eine Regierungszeit der Amshaspands in den Monaten des Sommers haben, die andere in den Monaten des Winters. In jedem Jahr hat ein Amshaspand zweimal einen Monat  

Als onze aarde zich niet in de nabijheid van de zon zou bevinden – waar ze in de loop van een jaar omheen draait – en als de maan niet vlakbij zou zijn – die in een maand om de aarde draait en daarbij vier fasen doorloopt – dan zouden mensen anders zijn; al deze zaken hangen immers nauw met elkaar samen. Licht en lucht oefenen een andere invloed uit wanneer de zon vanuit een bepaald punt aan de hemel op de aarde schijnt dan wanneer ze dat vanuit een ander punt doet. Hoe komt dat? Omdat de schijnbare loop van de zon verband houdt met de wijze waarop de Amshaspands elkaar afwisselen in hun leidende rol. Gedurende een periode van zes maanden volgen de Amshaspands elkaar maand na maand op in dit leiderschap. Dit hangt samen met de gang van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem. Na elke zes maanden is een Amshaspand opnieuw aan de beurt, wat resulteert in een periode van bestuur door een Amshaspand tijdens de zomermaanden en een andere tijdens de wintermaanden. Elk jaar dient een Amshaspand gedurende twee periodes van  

Blz. 39

zu wirken, und innerhalb dieser Herrschaft lösen sich die Izards ab, genau mit der Veränderung des Mondes lösen sie sich ab. zu wirken, und innerhalb dieser Herrschaft lösen sich die Izards ab, genau mit der Veränderung des Mondes lösen sie sich ab. Daher braucht der Mond, um durch seine vier Phasen zu seiner ursprünglichen Gestalt wieder zurückzukommen, achtundzwanzig Tage. Der Umlauf des Mondes bedeutet die Regelung der Arbeit der Izards, der Umkreis der Sonne die Regelung der Führung der Amshaspands. Und so hängt die Bildung des menschlichen Gehirns mit seinen zwölf Nervenpaaren mit dem Jahreslauf der Sonne zusammen und mit den zwölf Monaten. Was draußen in der Natur die zwölf Monate sind, das sind in unserem Innern die zwölf Paar Kopfnerven, und was draußen die achtundzwanzig Mondentage sind, das sind in unserem Innern die achtundzwanzig Nerven des Rückenmarks. Und weil es nötig war, daß beim Neubilden unserer Erde aus der alten Mondengestalt heraus eine neue Ordnung eintrat, traten drei neue Izards hinzu, wodurch jene Ordnung eintrat, in der notwendig variieren müssen die Monate mit dreißig oder einunddreißig Tagen. Die heutige astronomische Einteilung stimmt ja nicht ganz genau, weil die drei überzähligen Izards speziell auf den Menschen einwirken und weniger draußen in der Natur. 

twee maanden te fungeren; binnen deze ambtstermijn volgen de Izads elkaar op, precies in de pas met de wisseling van de maan. Zo heeft de maan achtentwintig dagen nodig om haar vier fasen te doorlopen en naar haar oorspronkelijke vorm terug te keren. De maancyclus bepaalt de activiteit van de Izads, terwijl de zonnecyclus richting geeft aan de leiding van de Amshaspands. Bijgevolg houdt de vorming van het menselijk brein – met zijn twaalf zenuwparen – verband met de jaarlijkse loop van de zon en de twaalf maanden van het jaar. Wat de twaalf maanden zijn in de uiterlijke natuurwereld, dat zijn de twaalf paren hersenzenuwen in ons; en wat de achtentwintig dagen van de maancyclus uiterlijk zijn, dat zijn de achtentwintig ruggenmergzenuwen in ons. En omdat er een nieuwe orde moest ontstaan ​​toen onze Aarde vanuit de oude maanfase werd hervormd, kwamen er drie extra Izads aan te pas; dit bepaalde de orde waarin de maanden noodzakelijkerwijs afwisselen tussen dertig en eenendertig dagen. De huidige astronomische indeling komt inderdaad niet exact overeen, omdat deze drie extra Izads hun invloed specifiek op de mens uitoefenen en niet op de uiterlijke natuurwereld.

Wenn ein Monat immer einunddreißig Tage hätte, dann würden tatsächlich alle einunddreißig Izards am Menschen wirken. Sie regeln die Funktionen des organischen Körpers unterhalb des Kopfes, und so hängen tatsächlich diese Funktionen des organischen Körpers mit der verschiedenen Regentschaft der Izards zusammen, wenn sie sich auch beim einzelnen Menschen verschieben. Ursprünglich hängen sie mit der Einteilung der großen Natur zusammen. Da sehen Sie tief hinein in den Zusammenhang des inneren menschlichen Baues mit der geistigen Welt des Astralplanes. Man spricht in den verschiedenen populären theosophischen Werken von den «Bildnern». Hier sehen Sie sie am Werke, wie sie von außen in Sie hineinwirken und Sie aufbauen; hier sehen Sie auch, was der Mensch für ein kompliziertes Gebilde ist, was da alles für Wesenheiten wirken, damit der Mensch, dieses komplizierte Wesen, aufgebaut werden kann. Sechs Kategorien von Geistern müssen vorhanden sein, damit sein erkennendes Haupt gebaut werden kann; und 

Als een maand altijd uit eenendertig dagen zou bestaan, zouden inderdaad alle eenendertig Iza(r)ds in de mens werkzaam zijn. Zij reguleren de functies van het fysieke lichaam onder het hoofd, en deze lichaamsfuncties hangen inderdaad samen met de wisselende heerschappij van de Iza(r)ds, ook al kan het tijdstip per individu verschillen. Oorspronkelijk zijn zij verbonden met de ordening van de natuurwereld als geheel. Hier krijgt men diep inzicht in de samenhang tussen de innerlijke constitutie van de mens en de geestelijke wereld van het astrale gebied. In diverse populaire theosofische werken wordt gesproken over de ‘Vormers’. Hier ziet men hen aan het werk: zij werken van buitenaf op de mens in en bouwen hem op; hier ziet men ook wat een complexe entiteit de mens is, en hoeveel wezens er werkzaam zijn om de opbouw van de mens – dit complexe wezen – mogelijk te maken. Er moeten zes categorieën van geesten aanwezig zijn om zijn cognitieve hoofd te kunnen vormen, en 

Blz. 40

achtundzwanzig bis einunddreißig niederere Geister müssen vorhanden sein, damit sein Rumpf und alle Funktionen seines Rumpfes zustande kommen. 
Das ist ein wunderbarer Zusammenhang zwischen dem Menschen und der geistigen Welt. Da werden Sie jetzt begreifen, daß es nicht genügt für die Erkenntnis der Beziehung des Menschen zum Unendlichen, nur darüber zu faseln, daß der Mensch aus der geistigen Welt heraus gebaut ist, sondern daß wir in Geduld studieren müssen, wie das ist. Von jedem Organ, das im Menschen ist, weiß der Okkultismus die Wesenheiten anzugeben, die das Organ von außen zusammengebaut haben. Das ist eine okkulte Anatomie, die Sie von den Wirkungen in der Sinneswelt zu den Ursachen in der geistigen Welt führt. Die Wirkungen sieht, wer mit seinen Sinnen unbefangen die Welt ansieht; die Ursachen kann man nur erkennen lernen durch den Okkultismus. Sie sehen daraus, daß wir uns bemühen, nicht abstrakte Beweise mit allerlei logischen Schlußfolgerungen für das Dasein einer geistigen Welt zu bringen. Denn alles, was bewiesen werden kann, kann auch widerlegt werden. Man kann gegen alles etwas einwenden. Darauf kommt es nicht an.

achtentwintig tot eenendertig lagere geesten om zijn romp – en alle functies van die romp – tot stand te laten komen.
Dit onthult een prachtige verbinding tussen de mens en de spirituele wereld. U zult nu inzien dat het, om de relatie tussen de mens en het oneindige te begrijpen, niet volstaat om slechts te praten over hoe de mens vanuit de spirituele wereld is opgebouwd; we moeten veeleer geduldig de werkelijke aard van dit proces bestuderen. Voor elk orgaan in het menselijk lichaam kan het occultisme de specifieke wezens aanwijzen die dat orgaan van buitenaf hebben gevormd. Dit vormt een occulte anatomie die u van de effecten, zichtbaar in de zintuiglijke wereld, naar de oorzaken leidt die in de spirituele wereld liggen. Iedereen die de wereld met onbevooroordeelde zintuigen waarneemt, kan de effecten zien; de oorzaken kunnen echter alleen door middel van het occultisme worden herkend. Hieruit blijkt dat wij er niet naar streven om abstracte bewijzen – gebaseerd op allerlei logische gevolgtrekkingen – aan te dragen voor het bestaan ​​van een spirituele wereld. Want alles wat bewezen kan worden, kan ook weerlegd worden. Tegen alles kunnen bezwaren worden ingebracht. Daar gaat het niet om.

Wenn man aber Stück für Stück die einzelnen Erkenntnisse zusammenträgt, so daß die Dinge zusammenstimmen mit den Wirkungen, die da sind in der sinnlichen Welt, dann kann man dazu kommen, als richtig anzuerkennen, was vom Okkultisten erkannt wird, wie der Mensch herausgebaut ist aus der geistigen Welt. Den Persern ist es nicht eingefallen, die achtundzwanzig Nervenstränge des Rückenmarks zu zählen, sie haben die achtundzwanzig Izards am Werke gesehen. Den ganzen Menschen können Sie in den Mythologien und Sagen finden. Das gibt den großen Reiz des wirklichen okkulten Studiums der Sagenwelt. Diese Erscheinungen, die wir da studiert haben, Sie finden sie überall in den Geheimschulen von Persien bis herüber nach Mitteleuropa bei den Druiden. Ob man den höchsten Geist, der den Amshaspands vorsteht, Ahura Mazdao, Ormuzd, nennt oder Huu* – wie er in den Druidenschulen genannt wurde -, darauf kommt es nicht an. Man kannte die geistigen Wesenheiten, die in den Mythologien den Menschen gegeben wurden.

Wanneer men echter de afzonderlijke inzichten stuk voor stuk verzamelt – zodanig dat ze overeenstemmen met de verschijnselen in de zintuiglijke wereld – kan men als waarheid gaan erkennen wat de occultist waarneemt over de wijze waarop de mens vanuit de geestelijke wereld is gevormd. Het kwam niet in de geest van de Perzen op om de achtentwintig zenuwstrengen van het ruggenmerg te tellen; in plaats daarvan zagen zij de achtentwintig Iza(r)ds aan het werk. In mythologieën en legenden vindt men de gehele mens terug. Juist daarin schuilt de grote aantrekkingskracht van een ware occulte studie van de legendenwereld. Men treft deze verschijnselen – die we hier hebben bestudeerd – overal aan: van de mysteriescholen in Perzië tot in Centraal-Europa bij de druïden. Het doet er niet toe of men de hoogste geest die over de *Amshaspands* heerst, Ahura Mazdao (of Ormuzd) noemt dan wel “Huu”* – zoals hij bekendstond in de druïdescholen. Men was vertrouwd met de geestelijke wezens die zich via de mythologie aan de mensheid openbaarden.

**Huu ~ zoals deze in de druïdescholen werd genoemd. Vgl. voordracht 30 september 1904 in «Die Tempellegende und die Goldene Legende», GA 93, – niet vertaald. En de voordracht van 6 mei 1909 in «Wo und wie findet man den Geist?», GA 57 – niet vertaald.

Blz. 41

Die einzelnen Götter und Geisterfiguren sind nicht phantastische Erfindungen einer Volksphantasie. Wer von «Volksphantasie» spricht, hat dazu ein gewisses Recht, aber die Phantasie liegt nicht bei denen, welche die Figuren den Völkern gegeben haben, sondern die Phantasie liegt bei unseren heutigen studierten Gelehrten, welche von einer Volksphantasie sprechen, die gar nicht vorhanden ist. Und vielfach ist Gelehrsamkeit ein viel schlimmerer Aberglaube als das, was die Gelehrsamkeit als Aberglaube bezeichnet. In den Mythen und Sagen ist oft eine viel, viel tiefere Weisheit zu finden, denn sie gehen auf die Ursprünge der Dinge zurück, die hinter dem Sinnlichen im Unsichtbaren waren. Es ist, wenn man eine solche Betrachtung anstellt, wie wenn der Mensch aufhören würde, in seiner Haut eingeschlossen zu sein, und sein Dasein sich von innen nach außen fortsetzte. Er wird vertraut mit den Wesenheiten, die in der geistigen Welt sind; sie haben ihn zusammengesetzt, und er kann wieder mit diesen Wesenheiten in Beziehung kommen. Denn es ist ein wirkliches In-Beziehung-Kommen mit diesen Wesenheiten, was wir durch den Erkenntnispfad, der in die höheren Welten führt, erlangen. 

De verschillende goden en geestgestalten zijn geen verzinsels van een ‘volksverbeelding’. Hoewel er enige grond is om van een ‘volksverbeelding’ te spreken, ligt de werkelijke scheppende verbeeldingskracht niet bij degenen die deze gestalten oorspronkelijk aan het volk overleverden; die ligt veeleer bij de geleerden van onze tijd, die spreken over een volksverbeelding die in werkelijkheid niet bestaat. Sterker nog: de wetenschap is vaak een veel ergere vorm van bijgeloof dan datgene wat ze zelf als bijgeloof afdoet. Mythen en sagen bevatten vaak een veel diepere wijsheid, omdat ze terugvoeren op de oorsprong der dingen – een oorsprong die in het onzichtbare rijk voorbij de zintuiglijke wereld ligt. Zich aan dergelijke beschouwingen wijden, is als het loslaten van de begrenzing door de eigen huid, waardoor men zijn bestaan ​​vanuit het innerlijke naar buiten toe laat uitbreiden. Men raakt vertrouwd met de wezens van de geestelijke wereld – wezens die een rol hebben gespeeld bij de eigen schepping – en kan opnieuw een relatie met hen aangaan. Want juist een werkelijke verbinding met deze wezens is wat we bereiken via het kennispad dat naar de hogere werelden leidt.

Wir steigen von den den Sinnen sichtbaren Wirkungen zu den übersinnlichen, unsichtbaren Ursachen auf. Der Mensch wird durch den Erkenntnispfad wieder eins mit dem Universum. Wir könnten, in dieser Richtung gehend, vieles, sehr vieles anführen; wir wollen aber diese Betrachtung heute – um sie nicht gar zu lange auszudehnen – durch eine Tatsache der germanischen Mythologie beschließen, die Ihnen zeigen wird, wie auf der einen Seite die Dinge in der Menschheitsentwickelung geschehen, und wie auf der anderen Seite diese Geschehnisse in der Mythe erhalten werden, wie manches im einfachen Volksglauben erhalten wird. Was heute physisch ist, war früher überhaupt ganz geistig. Bevor sich diese zwölf Gehirnnerven gestalteten, waren eben bloß die astralen Strömungen da, die da hineingingen, und bevor noch die achtundzwanzig Nervenstränge des Rückenmarks ausgebildet waren, waren die entsprechenden astralen Strömungen da. Wie entstehen nun diese Nerveneinlagerungen im Menschen? Auf folgende Art: Denken Sie sich, es wäre ursprünglich eine wäßrige, schlammige Flüssigkeit da.

We stijgen op van de voor de zintuigen waarneembare verschijnselen naar bovenzintuiglijke, onzichtbare oorzaken. Via de weg van de kennis wordt de mens opnieuw één met het universum. Als we deze lijn volgen, zouden we nog veel meer kunnen aanhalen – heel veel zelfs; maar om deze uiteenzetting niet te lang te laten duren, sluiten we vandaag af met een gegeven uit de Germaanse mythologie. Dit zal u laten zien hoe gebeurtenissen zich enerzijds in de evolutie van de mensheid voltrekken en hoe ze anderzijds in de mythe bewaard blijven – net zoals veel bewaard blijft in het eenvoudige volksgeloof. Wat tegenwoordig fysiek is, was ooit volledig geestelijk. Voordat deze twaalf hersenzenuwen hun vorm kregen, bestonden er slechts astrale stromingen die naar die gebieden toe stroomden; en voordat de achtentwintig zenuwstrengen van het ruggenmerg werden gevormd, waren de bijbehorende astrale stromingen al aanwezig. Hoe ontstaan ​​deze zenuwstructuren dan in de mens?
Op de volgende manier: stel u voor dat er oorspronkelijk een waterige, modderige vloeistof was.

Blz. 42

Denken Sie sich das Gehirn so. Sie können das heute noch sehen an dem Gehirnteil, der flüssig, wäßrig geblieben ist; wenn er zu stark bleibt, entsteht der sogenannte Wasserkopf. Unser Gehirn ist aus einem solchen wäßrigen Gehirn hervorgegangen und wurde dann gallertartig. Zuerst durchströmten astrale Strömungen, die von außen kamen, diese wäßrige Masse nach allen Seiten, und längs dieser astralen Strömungen gliederte sich die gallertartige Masse und verhärtete sich, und es entstanden die Nerven. Wo heute Nerven laufen, waren ursprünglich astrale Strömungen, dann ätherische Strömungen, und endlich wurden sie physische Nerven. Stellen Sie sich den Menschen vor, wie er sich allmählich verhärtete. Kaum knorpelig war die Masse, als die erste Anlage zum Rückgrat auftrat. Noch weich war die knochige Umhüllung. Rechts und links flössen die astralischen Strömungen ein, die später die Rückenmarksnerven wurden. Wir sehen da auf eine alte Zeit zurück, wo die achtundzwanzig Izards anfingen, ihre Strömungen – zuerst astral – in den Menschen hineinzuschicken. Auch die achtundzwanzig Izards hatten einen Anführer, einen Beherrscher, der eine Würde hatte zwischen den Izards und den Amshaspands mitten drin; eine Art Werkführer, ein göttlich-geistiges Wesen war dieser Anführer der Izards.

Zie het zo voor je. Dat is vandaag de dag nog steeds te zien aan het deel van de hersenen dat vloeibaar en waterig is gebleven; als het te vloeibaar blijft, ontstaat de aandoening die bekendstaat als hydrocefalie – ofwel ‘waterhoofd’. Onze hersenen zijn uit zulke waterige hersenen geëvolueerd en kregen vervolgens een geleiachtige structuur. Aanvankelijk stroomden astrale stromingen van buitenaf in alle richtingen door deze waterige massa; langs deze astrale stromingen kreeg de geleiachtige massa structuur en verhardde ze, waardoor de zenuwen ontstonden. Waar nu zenuwen lopen, bevonden zich oorspronkelijk astrale stromingen, daarna etherische stromingen, en uiteindelijk werden het fysieke zenuwen. Stel je de mens voor zoals hij geleidelijk verhardde. De massa was nog nauwelijks kraakbeenachtig toen het eerste rudiment van de wervelkolom verscheen. Het benige omhulsel was nog zacht. Van rechts en links stroomden astrale stromingen naar binnen – stromingen die later de ruggenmergzenuwen zouden worden. We kijken hier terug op een oertijd waarin de achtentwintig Iza(r)ds begonnen hun stromingen – aanvankelijk astrale stromingen – de mens in te zenden. Deze achtentwintig Iza(r)ds hadden ook een leider, een heerser, die een rang bekleedde halverwege tussen de Iza(r)ds en de Amshaspands; deze leider van de Iza(r)ds was een soort opziener – een goddelijk-geestelijk wezen.

Wenn wir in die alten Zeiten zurückschauen, sehen wir ihn so wirken, daß er die achtundzwanzig Iza(r)ds kommandierte und sie die astralischen Ströme in den Menschen hineindirigierten. Die ganze Erde war umgeben von dieser astralischen Sphäre; und so wie heute die Winde die irdische Atmosphäre durchströmen, so strömten die astralischen Strömungen hinein in die menschlichen Leiber. Die alten Hellseher sahen wirklich diese Strömungen in Köpfe und Rückgrate der Menschen der atlantischen Zeit hineinströmen. Das war ein lebendiges astralisches Bild. Als allmählich die physischen Nerven sich herausbildeten, da verschwand dieses Bild, und das bedeutete: ihr Ursprung wurde vergessen, es wurde vergessen, wie die Strömungen in den Leib hineindirigiert worden waren. Der Anführer der achtundzwanzig Izards kommandierte zunächst die Naturkräfte, wie sie Tag für Tag wirkten. Im großen  Laufe des Jahres wirkte das alles rhythmisch und harmonisch.

Wanneer we terugblikken op de oertijd, zien we hem leiding geven aan de achtentwintig Iza(r)ds en hen opdragen astrale stromingen in de mens te leiden. De gehele aarde was omhuld door deze astrale sfeer; en zoals winden tegenwoordig door de aardse atmosfeer stromen, zo stroomden astrale stromingen het menselijk lichaam binnen. Helderzienden uit de oudheid konden tijdens het Atlantische tijdperk daadwerkelijk zien hoe deze stromingen het hoofd en de wervelkolom van mensen binnendrongen. Het was een levend astraal beeld. Naarmate de fysieke zenuwen zich geleidelijk ontwikkelden, verdween dit beeld – en daarmee raakte de oorsprong ervan in de vergetelheid, evenals de wijze waarop de stromingen in het lichaam waren geleid. De leider van de achtentwintig Iza(r)ds stuurde aanvankelijk de natuurkrachten aan in hun dagelijkse werking. In de loop van het jaar voltrok dit alles zich op ritmische en harmonieuze wijze.

Blz. 43

Im Tageslaufe wirkte es etwas unregelmäßig. Furchtbare Blitze, Donner, Gewitter durchzuckten jene Luft im Erdenumkreis, die noch ganz das Astralische in sich hatte. Dann wechselte der Gott, der Führer der Izards, der da draußen gewirkt hatte, seinen Schauplatz und wirkte im Innern, in den achtundzwanzig Nervenströmen des Rückenmarks. Er ging aus jenem geistigen Erdenumkreis heraus und entfaltete seine Kräfte zuletzt im Menschen. Die germanische Mythe nennt diesen Gott Thor oder Donar. Er ist derselbe nach germanischer Anschauung, der später nach römischer Anschauung Jupiter genannt wird. Er wird richtig verehrt als Gewittergott, der die Stürme verursacht hat. Er wird auch angesehen als vermählt mit Sif, der astralischen Erdenatmosphäre; diese beiden haben nun eine Tochter, die etwas ganz besonders Charakteristisches ist. Wodurch kommt diese Tochter zustande? Dadurch, daß Thor sich ins Innere des Menschen zurückgezogen hat und durch die achtundzwanzig Nervenstränge wirkt. Durch die achtundzwanzig Nervenstränge nehmen die Menschen das Astrale äußerlich nicht wahr, aber in gewissen Ausnahmezuständen nehmen sie das wahr, zum Beispiel im traumhaften Schlafzustand.

Naarmate de dag vorderde, leek de activiteit enigszins onregelmatig. Angstaanjagende bliksemflitsen, donder en stormen trokken door dat deel van de aardbol dat nog volledig het astrale element bevatte. Vervolgens verplaatste de god – de leider van de Iza(r)ds, die daar buiten actief was geweest – zijn werkterrein naar het innerlijk en werkte hij via de achtentwintig zenuwstromen van het ruggenmerg. Hij trok zich terug uit de spirituele sfeer rond de aarde en ontplooide uiteindelijk zijn krachten in de mens. De Germaanse mythologie noemt deze god Thor of Donar. Volgens de Germaanse opvatting is hij dezelfde figuur die in de Romeinse opvatting later Jupiter wordt genoemd. Hij wordt terecht vereerd als de god van het onweer – degene die de stormen ontketende. Ook wordt hij beschouwd als de echtgenoot van Sif, de astrale atmosfeer van de aarde; samen hebben zij een dochter die iets werkelijk bijzonders vertegenwoordigt. Hoe komt deze dochter tot stand? Zij ontstaat doordat Thor zich in het menselijk innerlijk heeft teruggetrokken en via de achtentwintig zenuwstrengen werkt. Via deze achtentwintig zenuwstrengen nemen mensen het astrale rijk gewoonlijk niet in uiterlijke zin waar, maar in bepaalde uitzonderlijke toestanden – zoals tijdens de droomrijke slaap – nemen ze het wel waar.

Solche, die besonders veranlagt waren, das wahrzunehmen, die sagten dann nach dem Volksglauben: «Mich drückt die Thrud», – und das ist keine andere Gestalt als die Tochter des Thor. Da haben die Leute noch gewußt, daß die Thrud dort geboren ist, wo Thor mit seiner Gattin wohnt. Daher nannten sie es «Thrudheim». Sie sehen, so tief hängen die Volkssagen mit den okkulten Wahrheiten zusammen. So kann man nach und nach einen tiefen Blick hineintun in jenes wunderbare Gebäude, das durch so viele Wesenheiten aufgebaut worden ist, in den Menschen. Wie kindlich und klein erscheint uns eine materialistische Wissenschaft, die dieses wunderbare Gebilde in einer so trivialen Weise verstehen möchte. In älteren Zeiten hat man dies auch ganz anders gefühlt. Mit dem Gefühl drückte man das aus, was die heutige Wissenschaft aus Erkenntnis weiß. Und wenn der alte Dichter umherschaute und empfand, wie unter den Wesen, die er auf dem physischen Plan sieht, der 

Wie een bijzondere aanleg had om dit waar te nemen, zei volgens het volksgeloof: “Thrud drukt op mij” – en deze gestalte is niemand minder dan de dochter van Thor. Men wist destijds dat Thrud geboren was op de plek waar Thor met zijn gemalin verbleef; daarom noemde men die plaats “Thrudheim”. Volkslegenden zijn immers innig verweven met occulte waarheden. Op deze wijze kan men gaandeweg diepgaand inzicht verwerven in dat wonderbaarlijke bouwwerk – de mens –, dat door zoveel wezens is opgebouwd. Hoe kinderlijk en onbeduidend lijkt ons een materialistische wetenschap, wanneer zij tracht dit schitterende bouwwerk op zo’n banale wijze te doorgronden. In vroegere tijden werd dit heel anders aangevoeld; wat de moderne wetenschap door intellectuele kennis begrijpt, bracht men destijds vanuit het gevoel tot uitdrukking.
En toen de oude dichter om zich heen keek en waarnam hoe de mens – te midden van de wezens die hij op het fysieke vlak ziet

Blz. 44

Mensch als der wunderbare Schlußaufbau dasteht, als das Werk so unendlich vieler Wesenheiten, da durfte er das schöne große Wort sagen, das gefühlsmäßig eine solche tiefe Wahrheit wiedergibt:

daar staat als de wonderbaarlijke eindstructuur, als het werk van zo talloze wezens, werd hij ertoe bewogen die prachtige, diepzinnige woorden uit te spreken die, in hun emotionele weerklank, een zo diepe waarheid weerspiegelen:

Vieles Gewaltige lebt,
doch nichts ist gewaltiger
(unter dem Sichtbaren)
als der Mensch

Er bestaat veel dat indruk maakt,
maar niets meer dan de mens.*

Vieles Gewaltige lebt . . . : Koor uit «Antigone» von Sophokles (496-406 v. Chr.). De derde regel is van Steiner.
Bron

.

Verklarende namenlijst Germaanse mythologie

Rudolf Steiner over mythe, sagen en sprookjes

4e klas vertelstofalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3614-4006

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300B – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Zweiter Band

Das dritte und vierte Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 2

Het derde en vierde schooljaar

INHOUD

Rudolf Steiner: Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule                       9
Dit artikel werd voor het eerst geplaatst in Sociale Toekomst 5-7 1920.
Het werd in GA 24 opgenomen.  
Het werd in het Nederlands vertaald inIn het midden de mensblz. 58

Vergaderingen van:
16 juni 1921 

Volgt:                                                                                                                  17
17. Juni 1921 22
11. September 1921 37
16. November 1921 45
14. Januar 1922 59
15. März 1922 65
28. April 1922 79
10. Mai 1922 90
20. Juni 1922 93
21. Juni 1922 102
22. Juni 1922 111
4. Oktober 1922 120
6. Oktober 1922 129
15. Oktober 1922 137
28. Oktober 1922 158
24. November 1922 182
5. Dezember 1922 195
9. Dezember 1922 203
17. Januar 1923 218
23. Januar 1923 228
31. Januar 1923 240
6. Februar 1923 257
14. Februar 1923 276
l.März 1923 292
8. März 1923 302

Voetnoten
Deze zijn door mij direct bij het betreffende
woord weergegeven

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3613-4005

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL- Euritmie met het kleine kind

.
Suze König, ‘Kind tanzt’, Studiummaterial I.V. der Waldorfkindergarten nr. 10

.

nabootsing en euritmie

Uit het observeren van euritmielessen op diverse kleuterscholen is bij mij de vraag gerezen of er vandaag de dag een geheel nieuwe aanpak nodig is om tegemoet te komen aan de behoeften van kinderen:

— om het verzwakte imitatievermogen te revitaliseren;

— om via euritmie hulp en genezing te bieden aan het stadskind – dat steeds meer vervreemd raakt van natuurlijke beweging en veel sterker onderhevig is aan de zwaartekracht (wat leidt tot verhoogde vermoeidheid) of wordt gekweld door innerlijke onrust.

Ik heb waargenomen hoe pedagogische euritmie, geleid door deze impuls, de kinderen bezielde en inspireerde en hen aanzette tot vreugdevolle activiteit. Er ontstond weerstand tegen de euritmie telkens wanneer het innerlijke principe van nabootsing niet volledig werd omarmd en in de lespraktijk werd toegepast. Kinderen in een kleutergroep – waar nabootsing een wezenlijk onderdeel van het dagelijks leven is – reageren uiteraard bijzonder gevoelig wanneer dit fundamentele principe van het kleuterwerk niet wordt nageleefd.
Rudolf Steiner spreekt over de “elementaire euritmie die het lichaam van het kind doordringt”.
Wie beseft hoe diep de opbouwende, vormende krachten van de euritmie – overgedragen via nabootsing – doordringen in de levensprocessen van het kind, gaat steeds zorgvuldiger en gewetensvoller om met elk euritmisch gebaar. Het gaat niet om kwantiteit, maar om kwaliteit. Men kan zien hoe scherp kinderen deze kwaliteit “aanvoelen”, hoe ze de beweging met vreugde omarmen en tot in de perfectie nabootsen.

Onder de term ‘elementaire euritmie’ verstaat men het zuivere, oorspronkelijke spraakgebaar – afgeleid van de wezenlijke aard van de klanken zelf – nadat deze tijdens de voorbereiding zijn bezield met kwaliteiten van beweging, gevoel en karakter, en nadat ze substantie en kracht hebben kunnen putten uit hun bron: de bewegingen van de planeten en de dierenriem. De vreugde die tijdens dit voorbereidende werk wordt gewekt, doordringt de euritmiebeoefening met de kinderen.

Fasen van nabootsing

In een euritmieles waar kinderen van verschillende leeftijden (3 tot 7 jaar) samenkomen, wordt het volledige ‘spectrum’ van nabootsing zichtbaar: van de tere, dromerige manier waarop de handen meebewegen (bij 3-jarigen) en de levendige, bruisende bewegingsvreugde van 4- en 5-jarigen, tot de heldere, doelgerichte gebaren van 6- en 7-jarigen. Bij deze laatste groep zien we hoe de innerlijke bewegingsstroom doorwerkt tot in de handen, waardoor een eerste, individuele uitdrukkingsvorm zich vrij kan ontplooien.

De euritmiepraktijk biedt alle gelegenheid om dit proces van zelfbetrokkenheid te voeden, zonder dat er externe tussenkomst nodig is – of die nu ondersteunend of corrigerend is – in het ontwikkelingsproces dat elk kind in zijn eigen tempo en op zijn eigen moment doormaakt. Het zou een miskenning zijn van de nabootsing – die het kind uitvoert vanuit onbewuste deelname en een gevoel van eenheid met de bewegingen van de volwassene – om het kind daarvoor te prijzen; ze proberen het niet ‘mooi’ te maken, en toch is het mooi in zijn pure toewijding.

Pas wanneer ze de leeftijd van zeven jaar naderen, begint zich een subtiele distantie te ontwikkelen tussen waarneming en handeling. Een kenmerkend aspect in deze fase is de aanvankelijke neiging van kinderen om anderen – degene tegenover hen – te corrigeren op alles wat volgens hen niet klopt. Tegelijkertijd zoeken ze bij hun eigen handelingen (in uiteenlopende activiteiten) naar bevestiging en gedeelde vreugde bij de begeleider. Ze putten moed uit het vertrouwen dat de volwassene in hen stelt – met name het vertrouwen dat ‘ze geven wat binnen hun vermogen ligt’. Een beeldend verhaal of gebaar kan hen inspireren om met enthousiasme deel te nemen.

In diverse kleutergroepen zijn positieve ontwikkelingen waargenomen wanneer 6- en 7-jarigen in de laatste periode voor de overgang naar de basisschool apart euritmieles kregen. Omdat zij als het ware bezig zijn met het vrijkomen (de geboorte) van het etherische – waardoor het schoolkind de leerrijpheid bereikt – kan de euritmieles fungeren als de ware vroedvrouw.

Afwachtende nabootsing

Kunnen we van alle kinderen verwachten dat ze tijdens de euritmieles voortdurend nabootsen? Zijn er niet enkelen die zich – in het begin of later – een tijdje afzijdig houden, of misschien zelfs met de rug naar de groep toe staan? Zijn ze er niet bij met hun aandacht? Moeten ze erbij worden betrokken?

Om hierover een juist oordeel te kunnen vellen, is een diepgaande vertrouwdheid met zo’n kind nodig. Uit langdurige ervaring kan blijken dat zo’n kind helemaal niet ongeïnteresseerd was, maar simpelweg niet meedeed aan de fysieke bewegingen. Plotseling – uit eigen beweging, zoals een jongen eens zei: “Als het vrijdag is, doe ik aan euritmie” – kan het kind ons verrassen door elke beweging met volkomen zelfvertrouwen uit te voeren. Zou deze ervaring, die zich op uiteenlopende manieren herhaalt, erop kunnen wijzen dat zich in het jonge kind – dat nog niet gespecialiseerd is in specifieke zintuigen (zoals afhankelijkheid van het gezichtsvermogen) – een diepgaand, intuïtief-muzikaal resonantieproces voltrekt via zijn unieke manier van ‘opnemen’? We kunnen zo’n kind gerust in zijn waarde laten. Het heeft de bewegingen in zich opgenomen als zaden die zich ontvouwen en rijpen tijdens de pauze, in de momenten van stilte.

Nabootsing vindt niet uitsluitend plaats door middel van directe, zichtbare uitvoering.

.
Euritmie: alle artikelen

Nabootsing: alle artikelen

Peuter-kleuterklas: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

3612-4005

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Actueel: Michaël

 .

(volg de link onder ‘alle artikelen’)

Michaëlsfeest: alle artikelen

Michaël wordt met een hoofdletter geschreven. In Sint-Michaël  komt een koppelteken, ook bij de afkorting St.- Michaël.
Op de =e= was het trema gebruikelijk, maar je ziet de naam ook zonder. Combinatiewoorden met Michaël krijgen volgens de regel een kleine letter: michaëlsfeest. Voor de tussen=s= bestaan niet zulke duidelijke regels: je ziet michaëltijd en michaëlstijd.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

Website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 9  /  23 juni 2026
Alles dat we in onze beschaving aantreffen komt voort uit inzichten, gedachten, woorden. Nu overal duidelijk wordt dat we ons op een doodlopende weg bevinden… wordt het tijd voor een nieuw denken, nieuwe inzichten, nieuwe woorden.

Actueel

De gewoonste zaak van de wereld

Dingen die mensen vroeger deden en die we nu niet meer doen. We kijken er meewarig naar terug. Hoe kwamen ze erbij? – Maar denk eens aan staalslakken, PFAS of sigarettenpeuken? Lees verder »

Weerbaar Europa

Wij horen het alom: Europa moet weerbaar worden, op eigen benen staan, in essentiële economische sectoren een eigen Europese industrie opbouwen. – Best begrijpelijk. Maar gaat dat ons brengen waar we willen komen? Lees verder »

Elon naar Mars

Technoking Elon Musk heeft vele kwaliteiten, waaronder het verkopen van hypes en fraaie vergezichten. Die kwaliteit maakte hem tot de eerste mens die 1000 miljard bezit. Lees verder »

Artikelen

Goed kunnen lezen
Philip Bakker

Jongeren informeren zich via de sociale media. Het leesonderwijs in Nederland wordt naar het schijnt steeds beroerder. Maar… hoe belangrijk is het nog om goed te kunnen lezen? Lees verder »

Inzicht is noodzakelijk
Rudolf Steiner

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten. Lees verder »

Onze ‘gastschrijver’ Drs. Teentjes levert alleen bijdragen die positief-ironisch gestemd zijn.

Zó kan het ook!

Wachtlijsten voor de kinderopvang? Een schreeuwend gebrek aan leraren? Opgebrande werkers in de zorg? Te weinig installateurs of technisch geschoolde werkers? Overwinsten voor aandeelhouders? Enge miljardairs die van gekkigheid niet weten wat zij met hun geld moeten?
Zó kan het ook: Lees verder »

Driegeleding in vraag & antwoord

Waarom zou de samenleving uit drie delen bestaan? Lees verder »

Agenda

28 juni: Dag van de sociale driegeleding (Zeist)
7-9 augustus: Zomerse driegeledingsdriedaagse (Zoetermeer)
kijk de volledige agenda: KLIK HIER


Verschenen:

Driegonaal – jrg 40, nr.4/5
dubbelnummer

Een lekker dik nummer met héél veel inhoud. Waaronder:
– De Caleidoscoop: wat gebeurt er eigenlijk als de ene mens (of instelling) de ander krediet geeft? Hoe is het met de Amerikaanse droom? En niet te vergeten: heeft u al een passief inkomen?
– Gerald Häfner in gesprek met Vandana Shiva over het in stand houden van het universum.
– Jörgen Smit: Laten we oefenend beginnen aan de grote opgaven waarvoor de samenleving ons plaatst
– Terug naar de bron: woorden van Rudolf Steiner als hulp bij het vormen van een sociaal oordeel
– Is het historische moment voor de driegeleding voorbij? Is dat wat de driegeleding te bieden heeft niet meer aan de orde? Fionn Meijer schreef er een artikel over.
– Een  interview met actrice Dette Glashouwer die met haar ‘stand up economy’ door het land gaat. Hoe is haar verhouding met geld?
 Feiko van der Veen bespreekt de visie van Carlijn Kingma en Thomas Bollen over de manco’s van het huidige financiële systeem. Het fenomeen geldschepping speelt daarin een belangrijke rol. Hoe kan je daar vanuit de driegeleding naar kijken?
– Rudolf Steiner: een ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ voor geld
– Een beschouwing over een gezond geldstelsel, mét aandacht voor een eigentijds spookverschijnsel, de cryptomunt – door Arjen Nijeboer

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Dit dubbelnummer plus het voorgaande nummer van Driegonaal voor € 12,00 thuisgestuurd (binnen NL)
Mail naar: info@driegonaal.nl
Aanbieding geldt tot en met maandag 29 juni a.s.

Op Zoek naar Vrede – een documentaire over de eerste wereldoorlog en de geboorte van de sociale driegeleding

Historisch gezien is 1917, het jaar waarin de eerste wereldoorlog al drie jaar woedde, het geboortemoment van de sociale driegeleding. Het is het jaar waarin Europa de regie over het eigen lot uit handen gaf, of liet nemen.
Het feit dat Rudolf Steiner in dat jaar zijn inzet  voor de sociale driegeleding begon, moet beslist ook gezien worden in het licht van de dramatische gebeurtenissen op het wereldtoneel en was een oproep aan Europa om niet toe te geven aan wat vanuit het oosten (de Russische Revolutie) en vanuit het westen (de ‘onderwerping van de wereld’ door het kapitalisme van de Verenigde Staten) op Europa toekwam.

Robbert Clignett werkt al geruime tijd aan een documentaire die als titel krijgt: Op Zoek naar Vrede.
Clignett: “We leven op dit moment in een tijd waarin polarisatie, desinformatie en verborgen machtsstructuren een grote rol spelen. Het in beeld brengen van wat er in de periode van de Eerste Wereldoorlog gebeurt en de aanloop daar naartoe geven de kijker van de film in mijn ogen belangrijke context voor waar we ook nu nog mee te maken hebben. Met deze film wil ik bewustzijn creëren over de geschiedenis, maar ik wil vooral ook inspiratie geven en mensen zelf laten denken, zodat iedereen zelf in vrijheid zijn eigen ideeën kan vormen en keuzes kan maken.”

De documentaire ontrafelt de geopolitieke geschiedenis van Europa. Experts zoals Daniele Ganser, Thomas Meyer, Harrie Salman, John Hogervorst en Terry Boardman delen in deze documentaire hun inzichten en perspectieven.

Oproep

De productie kost veel tijd en geld. Maar kennis is in deze tijd van historische ongeletterdheid van groot belang om te begrijpen hoe oorlogen tot stand komen.
Een teaser, meer informatie en de mogelijkheid om te doneren 
VIND JE HIER

 

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

.

Save the Dates: Vooruitblik naar het najaar!
Nieuwe voordrachten, workshops en ontmoetingen

Kom alvast in de stemming met onze najaarsprogrammering

AGENDA
Landelijke sprookjesdag
3 oktober: Landelijke sprookjesdag
De man in alle kleuren (Arnhem)
Lees meer »
Jaartraining Drenthe
9 oktober: Jaartraining Drenthe
De inwijdingsweg in de 21e eeuw
Lees meer »
Filosofie van de Vrijheid
24 sep. – 12 nov.   Filosofie vd Vrijheid
Verder verdiepen (Vorden / Zutphen)
Lees meer »

 

Vertelstof: alle artikelen

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 8e klas – natuurkunde (1-3)

.
Thor Michael Keller, Erziehungskunst jrg.33 1969

.

De wereld en de mens begrijpen

.
Uit een natuurkundeperiode voor de achtste klas

Het is een opgave van ons cultuurtijdperk om de uiterlijke indrukken die mensen opdoen zodanig te verwerken, dat niet alleen technische processen worden begrepen, maar ook de daaraan ten grondslag liggende geestelijke werkelijkheid zichtbaar wordt.
Juist het natuurkundeonderwijs biedt hiervoor unieke mogelijkheden. [1]
Aan de hand van een eenvoudig voorbeeld uit een les voor de achtste klas illustreert deze tekst een poging om kinderen enerzijds te begeleiden naar een steeds beter inzicht in onze hedendaagse leefomgeving, en anderzijds naar een dieper begrip van de mens.

Nadat eerst akoestiek, optica en elektriciteitsleer – het trillingsgedrag van klinkende lichamen en lucht, de constructie van telescopen en de fundamentele verschijnselen van elektriciteit en hun toepassingen in elektrische apparaten (zoals het thermisch effect van elektriciteit, elektromagnetisme, elektromotoren, dynamo’s, transformatoren en de drie belangrijkste elektrische eenheden: volt, ampère en watt), behandeld zijn, is het raadzaam de hydromechanica, voortbouwend op de mechanica die in de zevende klas aan de orde te stellen.
“Wat is zwaar als het leeg is en licht als het vol is?” Dit paradoxale raadsel – waarvan het antwoord iedereen bijna dagelijks in het eigen leven en de omgeving tegenkomt – dient als een uitstekende inleiding op dit deel van de natuurkunde. We beginnen met de fascinerende experimenten van Hermann von Baravalle [2] over wat we gezamenlijk de “vormgevende kracht van het water” zouden kunnen noemen. Eerst draaien we een waterkraan langzaam open en vervolgens weer dicht, waarbij we observeren hoe het water naar buiten stroomt – aanvankelijk druppel voor druppel, daarna in een straal die geleidelijk sterker wordt – en hoe dezelfde verschijnselen in omgekeerde volgorde optreden wanneer de kraan wordt gesloten.
Vervolgens brengen we waterdruppels aan op zowel een ingevet als een niet-ingevet horlogeglas, waarbij we opmerken dat de druppel op het ingevette glas een vorm aanneemt die veel meer op een perfecte bol lijkt dan die op het niet-ingevette glas. Daarna laten we de kinderen waarnemen hoe het wateroppervlak naar beneden buigt tegen de ingevette wanden van een bekerglas. Tot slot dopen we een droge aquarelkwast in het water en observeren we hoe de haren, bij het eruit halen, een veel compactere en samenhangendere vorm aannemen dan daarvoor. We laten een scheermesje op het water drijven en herinneren ons dat bij een schip dat naar zee vaart, de romp als eerste en de mast als laatste uit het zicht verdwijnt; omgekeerd verschijnt bij een naderend schip eerst de top van de mast boven de horizon, gevolgd door de romp. Deze reeks experimenten wordt afgesloten met een demonstratie van communicerende vaten, waarbij het water altijd op hetzelfde niveau blijft staan, zelfs wanneer we een van de buizen omhoog of omlaag bewegen.

Al deze experimenten tonen aan dat water – wanneer dat mogelijk is, oftewel wanneer de omgeving de noodzakelijke voorwaarden biedt of schept – de neiging heeft een bol te vormen; de meest volmaakte van alle geometrische vormen. Alle oceanen ter wereld vormen samen de grootste bol, terwijl een enkele waterdruppel de kleinste vormt. Water streeft ernaar zijn vorm te behouden; daarom zinkt een scheermesje er niet in weg. Zelfs bij communicerende vaten neigt water er altijd toe een bolvorm aan te nemen. [3]
Door de werking van communicerende vaten met leerlingen uit de achtste klas te bespreken, krijgen zij inzicht in een belangrijk aspect van onze moderne technologische omgeving. Ze gaan begrijpen waarom er zelfs op de vijfde verdieping water uit de kraan komt, of wat een gemeente moet doen om ervoor te zorgen dat elk gezin voldoende van zijn “dagelijkse water” ontvangt. Fonteinen en artesische putten werken volgens ditzelfde principe. Het principe geldt ook voor de S-vormige sifon in afvoersystemen, die dient als afsluiting tegen rioolgeuren. Tot slot kan men denken aan koffiepotten en de peilglazen op boilers.

Het volgende hoofdstuk over hydromechanica behandelt soortelijk gewicht en waterdruk. We bepalen het soortelijk gewicht van verschillende stoffen met behulp van bekende methoden en kunnen ons afvragen hoeveel kubieke meter zand, ijzer, lood of zelfs goud een goederenwagon van 20 ton zou kunnen vervoeren. De klas is verbaasd te ontdekken dat zo’n wagon nog geen kubieke meter goud kan dragen. Het edelmetaal wordt zo als fysiek zwaar ervaren – een tastbare realiteit – nadat de kinderen al hebben geleerd over de waarde ervan (die door mensen willekeurig is vastgesteld) en de gevolgen daarvan (zoals de geschiedenis van de ontdekking van Amerika). In deze context demonstreerde ik de kinderen de hydrostatische paradox: de druk die een vloeistof op de bodem van een vat uitoefent, hangt niet af van de totale hoeveelheid vloeistof, maar uitsluitend van de hoogte van de vloeistofkolom die boven een vierkante centimeter van de bodem staat. Voor het ongeoefende oog wekt een ondiepe schaal met veel water de illusie van een hogere druk dan een smalle buis met heel weinig water. Na het bevestigen van buizen met verschillende breedtes – het is het beste om te beginnen met een buis van gemiddelde breedte – vraagt ​​men de kinderen te raden hoeveel water erin gegoten moet worden om dezelfde druk te bereiken.
Het is zeer waardevol voor kinderen om te ervaren hoe hun gedachten en ideeën door feiten worden bijgestuurd. Juist op deze leeftijd – gekenmerkt door ontwakende denkvermogens, het opkomen van een sterk zelfbewustzijn en een streven naar vrijheid en zelfstandigheid – moet elke kans worden aangegrepen om het eigen, nog sterk subjectieve denken te corrigeren. Bovendien hangt iemands vermogen tot liefhebben of intellectueel potentieel niet af van het aantal gelezen boeken of gevolgde semesters, maar van wat men doet met wat men heeft gehoord, gezien en ervaren: hoe men dit verwerkt en met anderen deelt. Een klassengesprek kan leiden tot vergelijkingen tussen de intensiteit van iemands aard en de hoogte van een waterkolom.
Bijna iedereen heeft wel eens geprobeerd een gieter te vullen in een bak water. Hoe moeilijk is het om de lege gieter verticaal onder water te duwen; hoe gemakkelijk is het om hem op te tillen terwijl hij ondergedompeld is; en hoe zwaarder hij wordt naarmate hij verder uit het water wordt getild. Door dergelijke handelingen ervaren kinderen de wet van Archimedes, zoals beschreven door Hermann Bauer. [4] Deze ervaringen worden vervolgens vertaald naar de bekende experimenten die dienen om het principe te begrijpen en te formuleren.
Toch mag in dit stadium de wiskundige berekening niet achterwege blijven. Juist het wiskundige aspect van een dergelijke wet biedt de nodige zekerheid bij het begrijpen ervan. Nu kunnen kinderen ook berekenen waarom een ​​schip – gebouwd van ijzer en beladen met zware vracht – blijft drijven in plaats van te zinken.
We willen het laatste hoofdstuk van onze lesreeks over hydromechanica de titel “Over de opwaartse kracht” meegeven. Enkele leerlingen gaan zijdelings tegen een muur staan ​​en drukken gedurende twee minuten de achterkant van hun afhangende arm stevig tegen de muur, alsof ze proberen deze weg te duwen. [5] Vervolgens stappen ze van de muur weg en stijgt de arm spontaan op tot een horizontale stand. Als men de arm laat zakken, stijgt deze opnieuw. Dit gaat gepaard met het gevoel van een sterke luchtstroom tegen de handpalm. Een dergelijke directe ervaring – zeker een die zo verbazingwekkend is – opent de harten en geesten van de leerlingen voor de daaropvolgende experimenten en de bespreking ervan.
In tegenstelling tot vaten met ingevette wanden staat het water hoger tegen de wanden van niet-ingevette glazen. Dit verschijnsel wordt duidelijker wanneer twee glasplaten onder een scherpe hoek in water worden geplaatst (kleur het water). Hoe dichter de platen bij elkaar staan, des te hoger stijgt het water; het vormt een kromme.
Als de wanden aan alle kanten gesloten zijn en zo een zeer smalle (capillaire) buis vormen, stijgt het water nog hoger boven het algemene waterniveau uit. [6] Hetzelfde effect wordt waargenomen wanneer voorwerpen met fijne spleten en poriën (krijt, spons, vloeipapier, textiel) in water worden gehouden.
Bij al deze experimenten doet zich hetzelfde verschijnsel voor:
wat anders aan de zwaartekracht onderhevig is, wordt er niet alleen van bevrijd, maar zelfs gegrepen door krachten die in tegengestelde richting werken. Dit zijn de door Ernst Lehrs beschreven krachten van de lichtheid. Ze kunnen actief worden wanneer de stoffen of vloeistoffen zeer fijn worden – dat wil zeggen: wanneer ze weinig massa of materialiteit bezitten.

Laten we nu eens kijken naar de vier natuurrijken om te zien of we ook daar ‘krachten van lichtheid’ aan het werk kunnen zien. In de bodem stijgt water op door fijne capillairen en verdampt het in de omringende lucht; door het oppervlak te schoffelen, vernietigen boeren en tuiniers deze capillairen en voorkomen zo dat de bodem overmatig uitdroogt. Elk voorjaar en elke zomer zien we opnieuw het effect van deze krachten van lichtheid bij planten. Enorme hoeveelheden materie en water worden van de wortels naar de toppen omhoog getransporteerd om bladeren en vruchten te vormen – die in de herfst op de grond vallen of per honderdtal kilo’s en tonnen worden geoogst (inclusief natuurlijk de koolhydraten die door koolstofassimilatie zijn verkregen). [7]
Wie heeft er niet met diepe verwondering gekeken naar de wonderbaarlijke sprong – ja, het bijna gewichtloze zweven – van een ree? Een dier van 15 tot 20 kilogram beweegt zich voort met een ongeëvenaarde lichtheid, voortgestuwd en weer opgevangen door slanke poten. Elk hoger ontwikkeld dier draagt ​​zijn zwaarste deel – het lichaam – hoog boven de grond; hoe lager een dier op de evolutionaire ladder staat, des te dichter bevindt het zich bij de aarde.
Ook mensen zouden geen seconde rechtop kunnen lopen of zitten als de krachten van lichtheid niet in hen werkzaam waren. Zelfs een klein kind tilt al snel zijn zwaarste lichaamsdeel – het hoofd – op en onttrekt het daarmee in zekere zin aan de zwaartekracht.
Het wordt duidelijk dat de krachten van lichtheid nauw verbonden zijn met onze geest en ziel. Wanneer we wakker zijn, duidt dit op de aanwezigheid van geest en ziel in het lichaam. Als ze het lichaam verlaten – door vermoeidheid, slaap, bewusteloosheid of de dood – bezwijkt het onder zwaarte, onder de trekkracht van de zwaartekracht. Hoe vrijer en vitaler we ons voelen, des te rechter is onze gang. Op dit punt kan het paradoxale raadsel waarmee dit hoofdstuk over natuurkunde begon, in een klassengesprek worden opgelost: een lichaam dat vervuld is van vitaliteit, tegenwoordigheid van geest en zielskracht, is licht! Iedereen die ooit een bewusteloos persoon of een lichaam heeft gedragen, kan dit beamen.

Met behulp van deze krachten van lichtheid kunnen bijzonder fijnzinnige onderzoeken worden uitgevoerd. Hierbij kunnen aan leerlingen foto’s worden getoond van zogenaamde ‘stijgbeelden’ (*Steigbilder*) – zoals die welke Lili Kolisko vervaardigde met gepotentieerde metaalzoutoplossingen tijdens de zonsverduistering van 1927. Op deze wijze wordt de invloed van de planeten op metalen zichtbaar. Dit kan aanleiding geven tot tal van verdere gesprekken.
Met deze ene, eenvoudige les over hydromechanica in de achtste klas is gepoogd te laten zien hoe het mogelijk is om kinderen enerzijds te brengen tot een steeds nauwkeuriger en vollediger begrip van hun directe omgeving, en hen anderzijds een stap verder te helpen op de weg naar menselijke zelfkennis.

1 Zie bv. M. Hoyer, H. Rebmann, Anfangsunterricht in der Physik, Erziehungskunst 1950, Heft 6.
2 Hermann v. Baravalle, Zur Physik, Bd. I, Mechanik, S. 161 ff.
3 Hermann Bauer, Zur Physik des Wassers, Erziehungskunst 1966, Hefl: 1/2, S. 18
4 H. Bauer, op. cit., p. 20.
5 Ernst Lehrs, *Mensch und Materie*, 1953, p. 166.
6 H. v. Baravalle, n. a. 0., S. 165.
7 Wanneer in de plantenfysiologie een beroep wordt gedaan op het concept van capillaire werking (naast dat van osmose) om dit opstijgen van sap te verklaren, plakt men in feite slechts een etiket op een verschijnsel dat onverklaard blijft; aan de oorzakelijke factor wordt volledig voorbijgegaan.

8e klas natuurkundealle artikelen

8e klasalle artikelen

natuurkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3611-4004

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL-7e klas – natuurkunde (5-1)

.

Walter Kraul, Erziehungskunst jrg. 36 nr. 11 1972

.

EEN PERIODE NATUURKUNDE IN DE ZEVENDE KLAS
.

Mechanica

In de zesde klas begon het natuurkundeonderwijs met akoestiek, optica en warmteleer. Ook elektriciteit en magnetisme kwamen aan bod, zonder gebruik te maken van mechanische analogieën die de ware aard van deze verschijnselen hadden kunnen vertroebelen. Deze onderwerpen uit de zesde klas worden in de zevende klas voortgezet, waarbij de jongeren tevens vertrouwd worden gemaakt met de wetten van de eenvoudige mechanica. Het volgende verslag van een les uit deze reeks kan worden gezien als een poging om aan deze taak invulling te geven.

Voor de eerste les zorgden we voor een balk – ruim 4 meter lang en met een doorsnede van ongeveer 10 bij 10 cm. Daarnaast leenden we de weegschaal van de schoolarts en namen we een metermaat en een houten blok mee. In de open ruimte voor de schoolbanken werd een stoel geplaatst; daarop legden we het houten blok als steunpunt, waarna de balk erop werd gelegd en in evenwicht werd gebracht. Vervolgens bepaalden we – met behulp van de weegschaal en de grote belangstelling van de klas – welke jongen het zwaarst en welk meisje het lichtst was. De weegresultaten schreven we op het schoolbord. Daarna namen kinderen met sterk uiteenlopende gewichten plaats aan weerszijden van de balk. Voortbouwend op hun ervaringen van het schoolplein deden ze dit vanzelfsprekend op de juiste manier: het meisje ging ver van het steunpunt zitten, terwijl de jongen veel dichter daarbij plaatsnam. Na kort experimenteren was het evenwicht bereikt (afb.1)

We markeerden met krijt de plekken waar de kinderen zaten. Daarna konden we op ons gemak de afstanden opmeten: hoe ver zaten de kinderen van het draaipunt vandaan? Ook dat noteerden we. Is er een verband tussen de getallen – dat wil zeggen tussen de gewichten en de afstanden? De jongen heeft immers een groot gewicht en een korte afstand, terwijl het meisje – om haar lagere gewicht te compenseren – op een overeenkomstig grotere afstand zit. Hoe kunnen we dit als regel formuleren? We ontdekten dat in elk geval het gewicht vermenigvuldigd met de afstand (zowel voor het meisje als voor de jongen) ongeveer dezelfde waarde opleverde. Er volgden meer proeven; daarbij leerden we hoe belangrijk het is dat de kinderen kaarsrecht zitten en dat de exacte plek op de balk, recht onder hun zwaartepunt, wordt gemarkeerd. We konden het vermoede principe nauwkeuriger bevestigen toen we de balk hoog genoeg konden ophangen zodat de kinderen eraan konden hangen. Later gebruikten we ook bakstenen op de balk als gewicht, en ten slotte een staaf waarin in het midden een gat was geboord en waaraan haken waren bevestigd – zodat er op de gebruikelijke manier gewichten aan konden worden gehangen.
De regel luidde dus: als je het gewicht van Hans vermenigvuldigt met zijn afstand tot het draaipunt, krijg je hetzelfde resultaat als wanneer je het gewicht van Liesel vermenigvuldigt met haar afstand tot het draaipunt. We konden vervolgens berekenen: hoeveel weegt Georg als hij een zak van honderd pond in evenwicht houdt – geplaatst op 1,80 m van het draaipunt aan de andere kant – terwijl hij zelf op 2,40 m van het draaipunt zit?

Georg weegt dus 37,5 kg, maar dat weten we zonder een gewone weegschaal te gebruiken! We moesten denken aan die bakker wiens gewicht in evenwicht moest worden gehouden door de broden die hij bakte terwijl hij boven een afgrond stond. De bakker wist dat zijn broden te weinig wogen en smeekte om genade.

Veel van wat we al wisten, konden we nu beter begrijpen, van verplaatsbare tot allerlei soorten weegschalen. De stap van de wip naar de hefboom is klein. Nu kwam het erop aan passieve zwaartekracht te vervangen door actieve spierkracht. Ook hierbij hielp de balk ons. Dankzij een lange hefboomarm kon zelfs het zwakste meisje moeiteloos zware voorwerpen optillen – zelfs de leraar. Er was echter een grote armbeweging nodig voor een kleine verplaatsing (afb. 2).

Al snel ontdekten we de ‘gouden regel van de mechanica’:

“Wat je aan kracht bespaart, moet je compenseren door een grotere afstand.”

We konden ook de hefboomwet formuleren en als formule opschrijven:

K · k = L · l.

Dit biedt volop mogelijkheden voor algebraïsche oefeningen. In het dagelijks leven.

Het dagelijks leven biedt talloze voorbeelden van enkel- en dubbelarmige hefbomen. We demonstreerden de kilopond (kp) – een krachteenheid – aan de hand van een slagersweegschaal.
Hefbomen helpen niet alleen om kracht te besparen en bepaalde taken mogelijk te maken die enkel op menselijke spierkracht berusten; er bestaan ​​ook andere ‘eenvoudige machines’. Over dit onderwerp zijn soms prachtige oude gravures en houtsneden te vinden. We creëerden een ‘hellend vlak’ met behulp van twee parallelle balken die tegen de muur rustten en tot aan de proeftafel omlaag liepen. Een houten biervat deed dienst als last. Slanke meisjes, die het vat in hun eentje nauwelijks hadden kunnen optillen, rolden het zonder veel moeite via de schuine balken op de tafel. De jongens mochten uiteraard hun kracht bewijzen door het vat zonder hulpmiddelen omhoog te tillen.

De volgende dag rees de vraag: “Zouden we op het hellend vlak niet nog meer moeite kunnen besparen? Er is een touw beschikbaar.” Uiteindelijk vonden we de oplossing en bonden we het ene uiteinde van het touw aan de tafel vast. Het andere uiteinde werd onder en om het vat heen geleid en aangereikt aan een kind dat op de tafel stond. (Afb.3)

Toegegeven, dit kind moest veel touw door de handen laten glijden (twee keer zoveel als de afstand die het vat aflegde), maar het vat was makkelijker de helling op te rollen: er was slechts de helft van de kracht voor nodig in vergelijking met de dag ervoor, toen er geen touw werd gebruikt. Hiermee begrepen we het principe van de “beweegbare katrol”.

Nu over naar de katrollen zelf. We gingen naar het natuurkundelokaal
vanwege de haak in het plafond. Daar vonden we meer touwen,
zeilbootkatrollen en lasten (naast het biervat ook een zandzak en een kist vol stenen).
Eerste poging: de last met het touw omhoog trekken terwijl we op de tafel stonden.
Tweede poging: de last met het touw omhoog trekken via een katrol aan het
plafond. Er werd hierbij geen kracht bespaard, maar het ging wel makkelijker doordat de trekkracht onder een gunstigere hoek werd uitgeoefend. De haak in het plafond moest het dubbele gewicht dragen!
Derde poging: we knoopten het touw aan de plafondhaak, bevestigden de katrol aan de last als “beweegbare katrol” en haalden het touw erdoorheen. Een
“werker” moest op de tafel klimmen en de last omhoog trekken.
Hij voelde slechts de helft van het gewicht van de last in zijn handen; de haak droeg de andere helft.
Vierde poging: het was praktischer om een ​​tweede katrol aan het plafond te gebruiken; zo konden we naar beneden trekken.
Het takelsysteem was uitgevonden. We vonden het vervolgens leuk om de lasten naar het plafond te hijsen – kinderen mochten zelfs mee omhoog, mits er veiligheidsmaatregelen waren getroffen tegen een onbedoelde, plotselinge val.

Halverwege de klim verloor hij zijn evenwicht; de emmer kwam te hoog, zijn voeten gleden weg en hij viel voorover – terwijl hij het touw nog vasthield – en raakte zwaargewond. Dat was nog niet alles: hij liet het touw los en de emmer stortte van de volle hoogte boven op hem neer!

Eenvoudige katrollen kunnen verraderlijk zijn als je niet weet hoe je er goed mee moet omgaan!
We hadden al lang gemerkt dat er sprake was van wrijving; soms werkte die tegen, soms hielp ze juist. Als de wrijving in de weg zat – bijvoorbeeld bij het verplaatsen van een zware kist – legden we er rollen onder. Je hebt er minstens drie nodig:
twee onder de kist en een derde die je achteraan weghaalt en vooraan neerlegt.
Op deze manier werden vroeger veel zware lasten vervoerd (Afb. 5).

Laten we nu de lier bekijken. Dit is nog zo’n apparaat dat gebruikmaakt van het hefboomprincipe. We zien dat de zwengel fungeert als de lange hefboomarm, terwijl de straal van de as dienstdoet als de korte, stevige hefboomarm. De as – of trommel – waar het touw omheen wordt gewonden, werkt in zekere zin als een hefboom die zich in alle richtingen uitstrekt; hij is juist zo sterk omdat hij zo klein is. De lengte doet er niet toe; alleen de straal is van belang! We kunnen ons hierbij een opstelling voorstellen waarbij een last langs de gevel van een gebouw omhoog wordt getakeld door in het klaslokaal aan een zwengel te draaien, terwijl het touw over een katrol loopt. Uiteraard moet er om veiligheidsredenen ook een pal worden aangebracht. Dergelijke apparaten speelden naar verluidt al een rol in de tijd van de Minnesang; we kennen allemaal de prachtige illustratie in de *Codex Manesse*.

De wig is een vorm van een hellend vlak waarbij wrijving van groot belang is; zonder wrijving zou de wig voortdurend losschieten, net als een appelpitje dat tussen de vingers wordt samengeknepen. De werking van de wig werd gedemonstreerd aan de hand van een bijl waarmee een stevig blok hout werd gekloofd.

We herkenden de schroef als een opgerold hellend vlak. Om dit te demonstreren haalden we een pers uit de boekbinderij. Ook bij dit apparaat is wrijving gewenst; ze vervult de rol van een blokkeerpal. Op een dag leenden we een spinnewiel van de handwerkdocent. Wat zoemde dat kleine wiel toen het door het grote wiel werd aangedreven! Toch zat er nauwelijks nog kracht in. Door de diameters of stralen van de wielen te meten en de omwentelingen te tellen, konden we het onderliggende principe formuleren. De aandacht verschoof van kracht naar snelheid – meer specifiek: de draaisnelheid. We konden nu vraagstukken oplossen zoals: hoeveel keer zo snel draait een wiel met een diameter van 2 cm vergeleken met een wiel met een diameter van 50 cm als ze met elkaar verbonden zijn? (25 keer). De wielen draaiden in dezelfde richting. We ontdekten dat de wielen in tegengestelde richting draaien als de verbindingsdraad gekruist wordt (Afb. 6).

6

Er zijn beschrijvingen van de transmissiesystemen met aandrijfassen die rond de eeuwwisseling in fabrieken werden gebruikt en waarbij lange riemen zorgden voor de krachtoverbrenging; hiervan zijn gemakkelijk indrukwekkende afbeeldingen te vinden. Pas wanneer de V-snaar van een auto knapt, besef je dat deze methode van krachtoverbrenging ook vandaag de dag nog wordt toegepast.
Tandwielen zijn nog interessanter dan riemschijven. We kregen de gelegenheid om een ​​oud weefgetouw te demonteren en ontdekten daarin een prachtig tandwielmechanisme. Uiteraard namen we ook een fiets mee naar het klaslokaal en zetten die ondersteboven op het bureau van de leraar om de kettingaandrijving te bestuderen, al grepen de tandwielen in dat geval niet rechtstreeks in elkaar. Voor praktische oefeningen voor de leerlingen schafte de school onderdelen van de Matador-bouwdoos aan. Deze set bevat onder meer tandwielen, grondplaten en assen – stuk voor stuk gemaakt van prachtig hout.

Nu kwam de zaak pas echt op gang!
De principes achter de wielen met wrijvingsaandrijving werden bevestigd. We voelden allemaal aan dat de kleine, snel draaiende wielen weinig kracht overbrachten, terwijl de grote, langzaam draaiende wielen juist veel kracht leverden. De tandwieloverbrenging werd echter pas echt interessant toen we kleine en grote tandwielen gebruikten die in het midden vast aan elkaar waren gelijmd. (Afb.7)

7

Dit is het geheim achter veel machines, vooral klokken. We gebruikten deze Matador-wielen voor opdrachten zoals: bouw een tandwieloverbrenging met een verhouding van 1:9, 1:15, 1:25, enz. De resultaten konden we schetsen in ons periodeschrift; we mochten de omtrekken van de tandwielen overtrekken. – Het herhaaldelijk toepassen van overbrengingsverhoudingen bood een mooie gelegenheid om het concept van machten toe te passen. We plaatsten 10 grote tandwielen (40 tanden) – elk met een klein tandwiel (8 tanden) erop gelijmd –
in een reeks en dreven het eerste tandwiel aan met een wormwiel (“een tandwiel met slechts één tand”). We vroegen ons af hoe lang het zou duren voordat het laatste wiel één volledige omwenteling had gemaakt als we het wormwiel
één keer per seconde zouden ronddraaien. Tot onze verbazing ontdekten we
dat dit 2½ jaar zou duren (40⁵ = 78.125.000 seconden)! ​​
Ten slotte bespraken we samengestelde machines en voerden we ook daarvoor de bijbehorende berekeningen uit. Zo kon bijvoorbeeld een last worden gehesen met een lier die voorzien was van een tandwielmechanisme (Afb. 8),

8

eventueel in combinatie met een katrolsysteem of een hellend vlak.
Voordat er gemotoriseerde aandrijving bestond, werden dergelijke apparaten
gebruikt voor taken zoals het op het droge trekken van schepen.
Ook tegenwoordig worden ze nog op vergelijkbare wijze gebruikt.

Het hoogtepunt van deze periode* was het doorgronden van de constructie en de werking van de klok. Tegenwoordig zijn er uitstekende bouwpakketten verkrijgbaar voor traditionele Duitse klokken van hout en metaal – een prachtige zaak! De klokken met een balansregeling (foliot) zijn het meest fascinerend. We schaften een bouwpakket aan en zetten de klok met een klein groepje in elkaar; na enig gepuzzel liep hij daadwerkelijk. Het zichtbare mechanisme toonde de pal die door het gewicht werd aangedreven; we doorzagen de overbrengingen naar de wijzers en het echappement, leerden technische termen als ‘gangwiel’, ‘spil’ en ‘kroonwiel’ kennen, en kregen zo volledig inzicht in de werking van het mechanisme.

*Rudolf Steiner, bespreking tijdens het 13e seminar, 4 september 1919, Stuttgart: Waar moeten al deze bewegingsberekeningen – de vraagstukken rond cirkelbewegingen in machines met wielen van verschillende afmetingen – eigenlijk toe leiden? De beste aanpak zou zijn om vervolgens de werking van de klok aan de kinderen uit te leggen, in de verschillende verschijningsvormen daarvan: slingerklokken, zakhorloges, enzovoort.
GA 295/141 e.v.
Vertaald/130
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Het unieke van deze benadering bij de introductie van de mechanica ligt in de sterkere nadruk op de directe, persoonlijke ervaring van de jongere – een aanpak die prominenter aanwezig is dan gebruikelijk.

Om de kinderen zelf bij het experiment te betrekken, is een grootschalige opzet vereist. Individuele kinderen, die de klas vertegenwoordigen, ervaren de kracht van de hefboom met hun hele lichaam; dit bevordert een intense betrokkenheid bij het vraagstuk. Soms bleken levendige beschrijvingen – zoals de eerder genoemde voorbeelden van de bakker of de metselaar – nuttig. Gaandeweg maakte deze subjectieve ervaring plaats voor een objectiever perspectief: de aanvankelijke directe deelname werd gevolgd door een stap terug naar een kleinschalig modelexperiment, een abstractie die leidde tot wetten en formules. Dit proces laat zich bij uitstek realiseren met de wip en de hefboom. Waar dit minder eenvoudig mogelijk is, vormt het kleinschalige modelexperiment dat elk kind zelf uitvoert een soort noodoplossing; denk bijvoorbeeld aan kleine houten tandwielen, die uiteraard niet dezelfde krachten van ruwe jongenshanden kunnen overbrengen als grote gietijzeren tandwielen. – In de zeer kleine machines die we altijd bij ons dragen, werken zwakke krachten op een zinvolle, evenwichtige wijze samen. Wie begrijpt de werking ervan? Het is waardevol als de jongere het besef met zich meedraagt ​​ook de werking van het uurwerk te hebben doorgrond.
.

Tekeningen: Mara Kraul

.

De laatste opmerking zou je in verband kunnen brengen met het begrip ‘levenskunde’, zoals daarvan hier voorbeelden worden gegeven.

De auteur geeft in dit artikel adressen waar je op schaalmodel bouwpakketten van uurwerken kan kopen. Hij heeft die dus ook daadwerkelijk in de klas.
In andere artikelen van hem pleit hij voor een methode die de leerlingen dicht bij het onderwerp brengt of houdt. Dan moeten ze kunnen experimenteren.
In Nederland zijn deze volop te koop (2026)

7e klas natuurkunde: alle artikelen

Natuurkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3610-4003

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 6e klas -natuurkunde (1-5)

.

Walter Kraul, Erziehungskunst jrg. 37 nr. 9 1973

.

Over experimenteren in het eerste natuurkundeonderwijs
.

Dit artikel belicht aan de hand van enkele eenvoudige voorbeelden het belang van ‘subjectieve’ experimenten in het natuurkundeonderwijs. Subjectieve experimenten zijn experimenten die men ‘aan den lijve’ ondervindt; ze worden door het kind zelf uitgevoerd en vereisen een min of meer bewuste keuze. ‘Objectieve’ experimenten worden gedemonstreerd; men observeert ze slechts. Subjectieve experimenten in deze zin sluiten direct aan bij de eigen ervaring, en daarin schuilt hun pedagogische waarde voor het inleidend natuurkundeonderwijs. Uiteraard moet deze aanvankelijk subjectieve ervaring worden omgevormd tot een zekere objectiviteit, wat uiteindelijk leidt tot wetenschappelijke nauwkeurigheid. Daarom zijn hier voorbeelden gekozen waarbij hetzelfde natuurkundige proces zowel op subjectieve als op objectieve wijze kan worden gepresenteerd. Een filosofische beschouwing van beide benaderingen blijft hier achterwege.

Akoestiek

De eerste verkenningen van de akoestiek hebben meestal betrekking op de subjectieve waarneming; daarom wordt de natuurkunde vaak via dit vakgebied geïntroduceerd. Subjectieve gehoorervaringen houden verband met objectieve getalsverhoudingen. Aangezien dit algemeen bekend is, kijken we hier naar een ander verband.
De fysieke basis van een geluid is een voorwerp dat trilt of oscilleert – zo luidt de regel. De afzonderlijke trillingen volgen elkaar zo snel op dat we ze doorgaans niet met het oog kunnen volgen. Een eenvoudig experiment verduidelijkt dit: we slaan een stemvork aan en houden een van de benen tegen onze lippen. Het kriebelende gevoel dat hierdoor ontstaat, bevestigt de trilling. Dit gevoel kan alleen subjectief door een persoon worden waargenomen, en het voelen ervan verstoort het geluid – of zwakt het althans aanzienlijk af. Wie de trilling van een klinkende stemvork heeft ervaren, zal waarschijnlijk verder kijken en hetzelfde verschijnsel bij andere voorwerpen ontdekken. Bekende voorbeelden zijn de trilling van een kam waarover men met de vingers strijkt, of de resonantie van een gong. Ook de trilling van grotere klokken die lang doorklinken, kunnen we met onze vingers voelen; dergelijke klokken zouden in onze natuurkundecollecties aanwezig moeten zijn.

We maken deze ervaring objectief door een naald aan een grote, laagklinkende stemvork te bevestigen en de aangeslagen vork snel over een met roet bedekte glasplaat te bewegen, zodat de naald de plaat raakt en het roet wegschraapt (Fig. 1).

Met een beetje oefening kan men verrassend mooie golvende lijnen in de roetlaag tekenen – een bekend experiment. Het toont aan dat de vork trilt. Deze golvende lijnen zien er werkelijk fascinerend uit wanneer ze sterk vergroot op een muur worden geprojecteerd; elke standaardprojector (zonder automatische functies) is hiervoor geschikt. De subjectieve, directe ervaring is daarmee omgezet in een objectieve waarneming – een waarneming waaruit we, met enig redeneerwerk, kunnen concluderen dat de klinkende stemvork trilt. De beweging over de met roet bedekte plaat rekt de heen-en-weergaande trillingen uit tot een golvende lijn. De amplitude van de golven neemt af; ook hier kunnen we waarnemen hoe het experiment zelf het geluid beïnvloedt. Ook de beroemde klankfiguren van Chladni vormen in die zin een objectief experiment. Beide experimenten leggen het verband bloot tussen geluid en meetkunde – een relatie die niet zichtbaar wordt door louter subjectieve ervaring.

Optica

Beelden die door optische lenzen op witte oppervlakken worden geprojecteerd, zijn objectief van aard; een hele klas kan ze tegelijkertijd bekijken. Een beeld echter dat men in de lens – of in de lucht – ziet wanneer men door de lens kijkt, is uitsluitend voorbehouden aan de waarnemer; niemand anders kan het op
hetzelfde moment op dezelfde manier zien.
Het is een subjectief beeld. De eenvoudigste lens is een glazen bol.

Er bestaat een mooi verhaal over een boer die naar Wenen kwam en de Stephansdom bewonderde. Omdat hij zijn gezin een glimp van deze pracht wilde laten zien, kocht hij in een nabijgelegen winkel een glazen bol waarin het imposante bouwwerk zichtbaar was.
Eenmaal thuis lachte zijn gezin hem uit, want in het glas was geen kathedraal te zien.
Woedend keerde de boer terug naar Wenen en beklaagde zich bij de winkelier
over het bedrog. Maar wat bleek: de Stephansdom was weer duidelijk in de bol
te zien, net als voorheen… Wie dit experiment uitvoert, zal merken dat de Stephansdom (of welk object dan ook dat wordt bekeken) op zijn kop in de bol verschijnt.

Als men in plaats van een glazen bol een verzamellens gebruikt, merkt men
dat het beeld niet in het glas verschijnt, maar in de lucht tussen het glas
en de waarnemer. Het vergt enige oefening om dit op te merken. — Overigens:
Glazen bollen kunnen meer dan dat.
Ze vergroten het oppervlak waarop ze liggen, net als elke waterdruppel; met andere woorden: ze fungeren als vergrootglas.
We kunnen de glazen bol ook als brandglas gebruiken; dit vormt een objectief experiment. Als de zon niet schijnt, verduisteren we de ruimte, steken we een kaars aan en projecteren we de vlam met behulp van de glazen bol – of beter nog: een grote lens – op de muur, zodat iedereen hem goed kan zien. Het beeld van de brandende kaars wordt vergroot weergegeven. We kunnen ook een verkleind beeld van de kaars opvangen – een beeld dat niet alle kinderen in de klas tegelijk kunnen zien – maar dat komt simpelweg doordat het beeld zo klein is, niet door enige subjectiviteit.

Warmteleer

We nemen een glazen staaf en een koperen staaf van ongeveer dezelfde afmetingen – buizen zouden net zo goed werken – en vragen twee kinderen om ze in een vlam (van een Bunsenbrander) te houden. We geven de glazen staaf aan een verlegen meisje en de koperen staaf aan een robuuste, energieke jongen. Al snel zal de jongen moeite hebben om de taak vol te houden, terwijl het meisje het gloeiende, buigende glas bij de vlam kan blijven vasthouden: koper geleidt warmte (en kou) beter dan glas. — We nemen dezelfde staven (nadat ze zijn afgekoeld), klemmen ze in statieven, bevestigen er kleine wasbolletjes aan en plaatsen de uiteinden van de staven in de vlam.
De kleine stukjes was op het koper zullen er een voor een afvallen (afb. 3), terwijl er met het glas niets gebeurt.


Naar mijn ervaring volgt de klas het eerste, subjectieve experiment met grote belangstelling, ook al zijn slechts twee kinderen rechtstreeks bij het experiment betrokken.
Tijdens het tweede, objectieve experiment heeft de klas de neiging om melig te worden.
Het is de moeite waard om op twee interessante neveneffecten te wijzen:
Het glas kleurt de vlam oranje nog voordat het zelf in die kleur begint te gloeien.
Het koper zorgt er soms voor dat de vlam groen kleurt, hoewel dit effect niet heel duidelijk is. Men kan echter ‘aanloopkleuren’ op de staaf zien – voornamelijk groen en paars – mits het koper vóór het verhitten blank was.

Mechanica

Een treffend voorbeeld hiervan is snel gevonden. Bij elke meting van kracht hoort de ervaring van die kracht. Denk aan een hefboom, waarmee we gemakkelijk een zwaar voorwerp over een korte afstand kunnen optillen. Een dergelijk experiment wordt beschreven in het artikel “natuurkundeperiode in een 7e klas in Erziehungskunst november 1972: een leerling houdt het vrije uiteinde van de balk vast, terwijl er een last op het andere uiteinde rust, vlak bij het vaste draaipunt. Het is telkens weer verbazingwekkend hoe licht de last aanvoelt. De leerling die het uiteinde van de balk vasthoudt, kan worden vervangen door een tweede steunpunt of door een touw dat aan het plafond is bevestigd. We kunnen een veerweegschaal in dit touw opnemen. De leerling is nu niet meer nodig; we kunnen de uitgeoefende kracht direct op de veerweegschaal aflezen – heel objectief. Toch is deze waarde pas echt interessant als een leerling de kracht eerder zelf heeft ervaren; pas dan weten we hoeveel hij “te verduren kreeg”. Voor een natuurkundige betekende het oorspronkelijke experiment niets – het leverde immers geen meetresultaat op – maar voor kinderen die voor het eerst met deze wetten kennismaken, zegt de wisselende inspanning van een klasgenoot meer dan een uitgerekte veer met een wijzer die een getal aangeeft.

Magnetisme

De industrie produceert zeer sterke magneten van keramisch materiaal in uiteenlopende vormen. Afbeelding 4 toont twee van dergelijke magneten die zijn voorzien van een boorgat en op een verticale staaf (van niet-ferromateriaal) zijn geplaatst.

Bij het plaatsen op de staaf wordt erop gelet dat gelijke polen naar elkaar toe zijn gericht. Gelijke magnetische polen stoten elkaar af; daardoor zweeft de ene magneet boven de andere. Ingenieurs werken momenteel aan de toepassing van dit effect bij grootschalige magneetzweeftreinen. Om het betreffende principe te demonstreren, volstaat het eigenlijk om deze opstelling – waarbij de magneet zo opvallend zweeft – simpelweg aan de hele klas te tonen als objectieve demonstratie. Als de twee magneten na de les echter op de experimenteertafel blijven liggen, zal er al snel een groepje kinderen omheen staan ​​en ermee gaan spelen. Dat is een goede zaak: het objectieve experiment wekte de belangstelling, terwijl het subjectieve experiment – ​​dat daarna plaatsvindt – voldoening geeft. Nog verbazingwekkender is het om te proberen, enkel met de handen, twee gelijke polen naar elkaar toe te brengen of twee ongelijke polen – die elkaar sterk aantrekken – op korte afstand van elkaar te houden. Helaas zijn keramische magneten niet bijzonder duurzaam; de randen ervan brokkelen gemakkelijk af.

Elektriciteit

Er is een hele reeks objectief waarneembare effecten van elektrische stroom: een lamp die gaat branden, een wijzer die uitslaat, een motor die draait, een draad die warm wordt, een chemische stof die van kleur verandert, enzovoort. De fundamentele effecten worden doorgaans aangeduid als het thermische effect, het magnetische effect en het chemische effect. Ook het lichteffect kan hierbij worden gerekend. Geen van deze verschijnselen introduceert iets nieuws – er is geen sprake van een uniek ‘elektrisch’ effect. Elektriciteit openbaart zich niet rechtstreeks, maar via geleende, uiterlijke verschijnselen. Tegenover deze objectieve verschijningsvormen staat een subjectieve – maar wel specifiek elektrische – ervaring: het gevoel onder stroom te staan, oftewel de elektrische schok. Hoewel dit bij spanningen van 40 V en hoger gevaarlijk kan zijn, zijn er manieren om een ​​hele klas veilig onder stroom te zetten. Een handgenerator – zoals die bij veldtelefoons worden gebruikt – maakt dit mogelijk. De klas vormt een kring en houdt elkaar bij de hand – daar is moed voor nodig – terwijl twee kinderen de aansluitklemmen van de generator vasthouden en de leerkracht aan de zwengel draait (afb. 5),


eerst heel langzaam en daarna sneller… Als een kind bang wordt en de hand van de buurman of buurvrouw loslaat, wordt de stroomkring onderbroken en voelt niemand iets. De dapperen vlak bij de generator voelen niet meer dan de angstige kinderen midden in de kring. Het is het beste om dit experiment vlak voor de pauze uit te voeren.

Beelden en films staan ​​nog verder af van subjectieve menselijke ervaringen dan de eerder beschreven objectieve experimenten. Het is de moeite waard dit hier op te merken, aangezien op televisie vaak programma’s worden uitgezonden die met een budget zijn gemaakt dat geen enkele school kan evenaren. Toch zijn dergelijke programma’s – hoe “goed” ze op zichzelf ook mogen zijn – ongeschikt om leerlingen met natuurkunde kennis te laten maken, juist omdat de persoonlijke ervaring uit de eerste hand volledig ontbreekt. Het resultaat is vaak een houding van onverschilligheid en een gebrek aan wilskracht. Ik herinner me een leerling die weigerde mee te gaan met een groep om een ​​zonsverduistering te bekijken; hij meende dat hij die ’s avonds op televisie beter zou kunnen zien.
Niet elk verschijnsel kan op subjectieve wijze worden gepresenteerd. Levendige verhalen over de ontdekkers – en de voor- en tegenspoed die zij ondervonden – vormen een goed alternatief. De gebroeders Montgolfier observeerden vaak de wolken. Uiteindelijk bouwden zij, als papierfabrikanten in Lyon, een papieren ballon, staken er een vuur van stro onder aan en lieten hem los; hij steeg op in de lucht. Later vlogen er ook mensen mee. In Parijs werden ze jaloers op deze provincialen en gaf professor Charles opdracht om ook ballonnen te bouwen; hij vond de gasballon uit. De vroege vluchten leidden tot boeiende avonturen: zo vernietigden boeren een onbemande ballon die was geland, in de veronderstelling dat het de duivel was – het gas rook immers verdacht vies!
Uit deze enkele voorbeelden blijkt duidelijk dat subjectieve experimenten meer tijd en materiaal vergen dan objectieve. Het is waardevol als elk kind de tijd en rust krijgt om zich met een glazen bol bezig te houden, naar hartenlust met magneten te spelen en de trillingen van een stemvork te voelen. De vraag rijst wanneer de overgang van de elementaire, subjectieve ervaring naar objectieve waarneming moet plaatsvinden: direct daarna, de volgende dag of in het daaropvolgende lesblok. Dit bepaalt de aard van de lessituatie. Het is een boeiende uitdaging om een ​​volledig inleidend blok natuurkunde op strikt subjectieve wijze te verzorgen! Het is zeer interessant om te zien hoe zelfs subjectieve experimenten – die slechts door enkele kinderen namens de hele klas worden ervaren – een diepere indruk kunnen maken dan de bijbehorende objectieve experimenten die door de hele klas tegelijkertijd worden waargenomen. Subjectieve experimenten wekken direct enthousiasme op en spreken de hele mens aan; meten en rekenen komen pas later, zodra de kennismaking met het nieuwe vakgebied succesvol is verlopen via een rijke, doorleefde ervaring.

 

Tekeningen: Mara Kraul
.

Natuurkunde: alle artikelen

 6e klas: alle artikelen

 Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas

.

3609-4002
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300B – Vergadering 16 juni 1921

.

Zie ‘het woord vooraf

Bij de gegeven antwoorden is in het Duits telkens de naam van Steiner gegeven.
Ik heb dat niet gedaan, zolang er geen verwarring kan ontstaan.
De voetnoten die in de uitgave op aparte bladzijden staan, v.a. blz. 300, heb ik direct bij het verwijzende woord toegevoegd.

In deze vergadering gaat het over:

Er wordt gezocht naar een vaste vorm om het schooljaar te openen. Iedere klassenleerkracht spreekt zijn/haar klas toe <1>
Een eerste aanzet om in de 10e klas EHBO te geven <2>
Over de werkdruk bij leerkrachten. Steiner vindt 22 uur al erg zwaar. <3>
Het onderwijs mist nog vitaliteit; het moet kunstzinniger; er is wat lusteloosheid: durf eens van je lesstof af te wijken, een kwinkslag e.d. <4>

 

RUDOLF STEINER

.

Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart

1919 bis 1924

Zweiter Band

Das dritte und vierte Schuljahr

Vergaderingen met de leerkrachten van de vrije Waldorfschool in Stuttgart

Band 2

Het derde en vierde schooljaar

Van de vergaderingen die de leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart hielden, zijn verslagen bewaard gebleven van díe vergaderingen waarbij Rudolf Steiner aanwezig was.

Toevoegingen in blauw zijn van mij.

GA 300B

 

Konferenz vom Donnerstag 16. Juni 1921, 16 Uhr

Vergadering van donderdag 16 juni 1921, 16u

Blz. 17

Dr. Steiner: Nun wäre es gut, wenn heute damit begonnen würde, daß Sie alles vortrügen, was Sie auf der Seele haben. Morgen wird die Schulvereinskonferenz nicht so lange dauern, dann kann vielleicht nachher noch gesagt werden, was gesagt werden muß. Ich möchte herausbekommen, was aus dem Lehrerkollegium selbst hervorgeht.

Het zou goed zijn om vandaag te beginnen met het bespreken van alles wat jullie bezighoudt. De vergadering van de schoolvereniging* morgen duurt niet zo lang, dus wellicht kunnen de resterende punten daarna aan de orde komen. Ik wil graag horen welke ideeën er vanuit het lerarenteam zelf naar voren komen.

*Schulvereinskonferenz: Eerste ledenvergadering van de Vereniging „Freie Waldorfschule”.
Vgl. „Rudolf Steiner in der Waldorfschule”, GA 298/93 Op deze blog vertaald/93
Inleiding 1/20-22.

X.: Wir haben Samstag Schuleröffnungsfeier. Darüber ist noch nicht gesprochen worden.

X.: Zaterdag vindt de openingsceremonie van de school plaats. Dat is nog niet besproken.

Dr. Steiner: Die Sache ist schwierig, daß diese zwei Dinge rasch aufeinander folgen, Schluß und Eröffnung. Haben Sie irgend etwas gedacht, wie Sie es beginnen möchten?

Het feit dat deze twee gebeurtenissen – de afsluiting en de opening – zo kort op elkaar volgen, maakt de situatie lastig. Hebben jullie al nagedacht over hoe jullie willen beginnen?

X.: Wenn wir Herrn Doktor bitten dürften zu sprechen.

X.: Als we u zouden mogen vragen om te spreken, dokter.

Dr. Steiner: Ich werde das ganz gerne tun, daß ich etwas sage. Aber
ich halte es für unbedingt notwendig, wenn wie in der Antwort zur
Frage auch wieder die Klassenlehrer die Kinder ganz kurz empfangen
würden. Und ich weiß nicht, ob man nicht überhaupt das sichtbare
Symbolum des Schulanfangs entwickeln soll.

<1> Ik zeg graag een paar woorden. Ik acht het echter absoluut noodzakelijk – net als bij de beantwoording van de vraag – dat de klassenleerkrachten de kinderen kort verwelkomen. En ik vraag me af of we niet eigenlijk een zichtbaar symbool voor de start van het schooljaar zouden moeten ontwikkelen.

Es macht doch einen gewissen Eindruck auf die Kinder, wenn die Klassenlehrer ihre Kinder empfangen, und auch Repräsentanten für nicht klassenmäßige
Unterrichtsgegenstände, ein Sprachlehrer, ein Eurythmielehrer, ein
Handfertigkeitslehrer, eine Handarbeitslehrerin. Es ist eine etwas lange Galerie. Es macht einen gewissen Eindruck, wenn man ihnen ein beherztes Wort am Anfang sagt. Sie werden sehen, es macht einen Eindruck. Ich will die Ansprache zuerst machen, dann könnte sich das daranschließen, und dann — wäre es ganz unmöglich, daß doch irgend etwas den Kindern auch musikalisch entgegenklingt? Daß man etwas spielt als Schluß der Feier? Es wäre schön, wenn die Feier musikalisch ausklingen würde.

Het maakt zeker indruk op de kinderen wanneer de klassenleerkrachten hen verwelkomen, samen met de leraren voor vakken buiten het vaste klassenprogramma: een taaldocent, een euritmiedocent, een docent handvaardigheid en een docent handwerken. Het is een hele rij. Het maakt indruk wanneer ze bij de opening met een bezield woord worden toegesproken. U zult zien, het maakt indruk. Ik ben van plan eerst het woord te richten tot de aanwezigen; daarna zouden de voorstellingen kunnen volgen, en vervolgens… zou het mogelijk zijn om ook wat muziek voor de kinderen te hebben? Om iets te spelen aan het slot van de plechtigheid? Het zou mooi zijn als de plechtigheid met muziek zou eindigen.

X..’ Wir können etwas singen.

X…: We zouden iets kunnen zingen.

Dr. Steiner: So würde ich es schon meinen.

Dat is precies wat ik in gedachten had. <1>

Es wird nach der Klassenverteilung gefragt.

Er wordt een vraag gesteld over de toewijzing van de klassen.

Dr. Steiner: Das ist keine leichte Frage. Einige der neuen Klassenlehrer haben wir schon ganz fest, andere werden erst später eintreten können. Fräulein Düberg wird die Klasse la übernehmen, Fräulein v. Grunelius die 3b und Herr Ruhtenberg die 5b. Dann käme die 8., 9. und 10. Klasse.

Dat is geen eenvoudige vraag. We hebben voor sommige nieuwe klassen al definitief leerkrachten vastgelegd, terwijl anderen pas later kunnen beginnen. Juffrouw Düberg neemt klas 1a voor haar rekening, juffrouw v. Grunelius klas 3b en de heer Ruhtenberg klas 5b. Dan zijn er nog de klassen 8, 9 en 10.

Blz. 18

Es wird sich nicht leicht machen lassen, auch da, wie es sonst wünschenswert wäre, das bisherige System beizubehalten.
(Zu Herrn X.): Würde es Ihnen möglich sein, da auch Mechanik und Feldmessen mit Situationszeichnen zu machen? Es wäre doch wohl wünschenswert, wenn wir es so einrichten könnten, daß wir in der 10. Klasse drei Lehrer hätten; das würde nach sich ziehen, daß wir auch in der 9. Klasse drei Lehrer hätten. Es wäre gut, wenn wir die letzten drei Klassen so fuhren, daß drei Lehrer sie versorgen.
Bei Dr. Schwebsch ist es so, daß wir ihn noch ersetzen müssen bis Anfang Juli. Wir haben sehr wenig Lehrkräfte. Es fehlt der Englert. Dr. Kolisko wird erst im Herbst eintreten.
Wie wir den Stoff verteilen, das würde so sein, daß — ich hätte eigentlich am liebsten vier Lehrer für diese drei Klassen. Es wird vorläufig nicht gehen. Was möchten Sie am liebsten unterrichten, Dr. Stein?

Het zal niet eenvoudig zijn om het bestaande systeem te handhaven – ook al zou dat op zich wenselijk zijn.
(Tot de heer X): Zou het voor u mogelijk zijn om ook mechanica en landmeten inclusief topografisch tekenen te verzorgen? Het zou zeker wenselijk zijn als we het zo konden regelen dat we drie leraren voor de tiende klas hadden; dat zou betekenen dat we ook drie leraren voor de negende klas zouden hebben. Het zou goed zijn om de laatste drie klassen zo in te richten dat ze door drie leraren worden verzorgd.
Wat dr. Schwebsch betreft: we moeten nog een vervanger voor hem vinden tot
begin juli. We hebben maar weinig onderwijzend personeel. Englert ontbreekt.
Dr. Kolisko komt pas in de herfst bij ons.
Wat de verdeling van de lesstof betreft – tja, eigenlijk zou ik de voorkeur geven aan vier leraren voor deze drie klassen.
Dat zal voorlopig niet mogelijk zijn. Wat zou u het liefst willen geven, dr. Stein?

X.: Mir wäre am liebsten, wenn Herr Doktor mir eine Aufgabe stellen würde.

X.: Ik zou het prettig vinden als u, dokter, mij een taak zou toewijzen.

Dr. Steiner: Ich meine, Sie sollten bei diesen Dingen bleiben, bei denen Sie gewesen sind: die Literaturgeschichte übernehmen und dazu noch die Geschichte in der 10. Klasse. Also Literatur und die deutsche Sprache in allen dreien, Geschichte in der 10. Klasse. Dann würde ich meinen, die Geschichte für die 8. und 9. Klasse übernimmt der Dr. X., und Sie, Herr Y., die Fächer, die da sind Mathematik, Physik und Naturwissenschaften für die drei Klassen, und dann für die 10. Klasse Mechanik und Feldmessen, Situationszeichnen. —
Nur ist da eine Schwierigkeit, das ist nur der dritte Teil der Zeit. Wir machen keinen Stundenplan, bestimmen nur die Zeit für jedes Fach. — Ich habe vier Lehrer gewollt, es läßt sich jetzt noch nicht einrichten. Für Turnen den jungen Englert ausprobieren.

Ik denk dat u zich moet beperken tot de vakken die u al deed: literatuurgeschiedenis en geschiedenis voor de tiende klas. Dus literatuur en Duitse taal voor alle drie de klassen, en geschiedenis voor de tiende klas. Verder stel ik voor dat Dr. X. geschiedenis voor de achtste en negende klas op zich neemt, en dat u, meneer Y., wiskunde, natuurkunde en natuurwetenschappen voor alle drie de klassen verzorgt, evenals mechanica, landmeten en topografisch tekenen* voor de tiende klas. — Het enige probleem is dat dit slechts een derde van de beschikbare tijd in beslag neemt. We stellen nog geen volledig lesrooster+ op; we verdelen alleen de tijd per vak. — Ik had graag vier leraren gehad, maar dat is op dit moment niet haalbaar. We zouden de jonge Englert kunnen proberen voor gymnastiek.

*Mechanica, landmeten en topografisch tekenen; verder beneden: spinnen en weven**; gezondheidsleer en verbandleer***: Vgl. wat er op blz. 29 wordt gezegd.

+Geen lesrooster wil hier zeggen : nog geen vastgelegd rooster in welke tijd van het jaar de aparte lesonderdelen in de bovenbouw zouden plaatsvinden, alleen de hoeveelheid tijd.

X.; Ich hatte damit gerechnet, daß ich die Lebenskunde in einer der höheren
Klassen übernehmen sollte oder beim Unterricht für bereits Entlassene.

X.: Ik had verwacht dat ik ‘levenskunde’ zou gaan geven in een van de hogere klassen of aan de leerlingen die de school al hebben verlaten.

18 Levenskunde: Technologie. Zie 1/286. <10>

Dr. Steiner: Die Lebenskunde kommt erst in der 11. Klasse. Sie sind Elektriker. Es müßte jemand Spinnerei und Weberei unterrichten, das ist ein besonderer Lehrgegenstand in der technischen Hochschule. Das können auch unsere Leute vom Forschungsinstitut machen.

‘Levenskunde’ komt pas in de elfde klas aan bod. U bent elektricien. Iemand moet spinnen en weven** onderwijzen; dat is een gespecialiseerd vak aan de technische school. Mensen van ons onderzoeksinstituut zouden dat ook kunnen doen.

X..- Ich kann das lernen.

X.: Ik kan het leren.

Dr. Steiner (zu Dr. Kolisko): Wenn Sie im Oktober eintreten, so könnten Sie doch Gesundheitslehre und Verbandslehre in der 10. Klasse übernehmen; das müssen wir haben.

<2> (tegen Dr. Kolisko): Wanneer u in oktober bij ons komt, zou u gezondheidsleer en verbandleer*** voor de tiende klas op u kunnen nemen; dat moet echt worden ingevuld. <2>

Jetzt bliebe nur noch die Vertretung für die 1b . (Zu Frau Stein, die einige Monate beurlaubt gewesen war:) Sie wollen wieder in die Eurythmie. Könnten Sie nicht einmal für sechs Wochen die 1. Klasse b übernehmen? Ihr Dialekt ist das einzige Bedenken, das nehmen die Kinder an.* Vielleicht ist es die beste Lösung, wenn wir Dr. Schubert bitten, diese Vertretung in der lb zu übernehmen.
* FrauSteinwar Ungarin.
Für den Religionsunterricht habe ich viel gesucht, ich finde niemanden. Es ist notwendig, daß die Kinder nach den Klassen verteilt werden. Ich möchte vermeiden, daß der Religionsunterricht als irgend etwas in die Schule Eingereihtes erscheint.
Es wird die Verteilung des Sprachunterrichts besprochen. Dabei wird erwähnt, daß in einigen Gruppen des altsprachlichen Unterrichts nur wenige Kinder sind.

Nu hoeft alleen de vervangende leerkracht voor klas 1b nog te worden gevonden. (Tegen mevrouw Stein, die enkele maanden met verlof was geweest:) U wilt weer euritmie gaan geven. Zou u klas 1b niet voor zes weken kunnen overnemen? Het enige punt van zorg is uw dialect – dat nemen de kinderen over.* Misschien is de beste oplossing om dr. Schubert te vragen deze vervanging in klas 1b op zich te nemen.
* Mevrouw Stein was Hongaarse.
Ik heb uitgebreid gezocht naar een leerkracht godsdienstonderwijs, maar ik kan niemand vinden. Het is noodzakelijk om de kinderen in hun respectievelijke klassen in te delen. Ik wil voorkomen dat godsdienstonderwijs slechts overkomt als iets dat aan het schoolleerplan is bijgeplakt.
De verdeling van de taallessen wordt besproken. Er wordt op gewezen dat er in sommige groepen voor klassieke talen maar heel weinig kinderen zitten.

Dr. Steiner: Wenn Sie auch nur einen haben, wenn nur einer da ist, muß er unterrichtet werden. Das nutzt nichts, das muß eben sein. Im Herbst kommt Fräulein Dr. Röschl, da werden wir die Sache kräftig in Angriff nehmen können. Über den Lehrplan sprechen wir noch.
Wir werden erst in der 5. Klasse anfangen.
Im Handarbeitsunterricht, da können wir nur die 10. Klasse dazunehmen und müssen es immer künstlerischer und künstlerischer machen.

Zelfs als er maar één is – als er slechts één leerling aanwezig is – moet er les worden gegeven. Daar is geen ontkomen aan; het moet gewoon gebeuren. Dr. Röschl komt in de herfst; dan kunnen we deze zaak voortvarend aanpakken. Het leerplan bespreken we later.
We beginnen pas in de vijfde klas met dit vak.
Wat betreft de lessen handvaardigheid: we kunnen de tiende klas erbij betrekken, maar we moeten het onderwijs steeds meer een artistiek karakter geven.

Es wird über die Belastung der einzelnen Lehrer gesprochen.

<3> De werkbelasting van individuele leraren wordt besproken.

Dr. Steiner: Herr X. hat 22 Stunden, das ist zuviel; ebenso Herr Y.
mit 24 Stunden. Herr Z. könnte noch mehr übernehmen, er hat
16 Stunden. Herr V. hat mit 22 Stunden auch reichlich viel.

Es wird nun gefragt nach dem Zusammenhang der verschiedenen inneren
Organe des Menschen mit anderen Epochen der Geschichte.*
* Vier Tage zuvor hatte Dr. Steiner am Schluß des ersten Vortrages des Kurses über „Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung” gesagt, bei der
Funktion der Leber könne der Lehrer lernen, wie die Geschichte des späteren Ägypten zu behandeln sei.

De heer X. heeft 22 uur – dat is te veel; hetzelfde geldt voor de heer Y.
met 24 uur. De heer Z. zou meer op zich kunnen nemen; hij heeft 16 uur. Ook de heer V. heeft met 22 uur een zeer zware belasting. <3>

Vervolgens komt de vraag aan de orde naar het verband tussen de verschillende
menselijke inwendige organen en andere tijdperken uit de geschiedenis.*
* Vier dagen eerder, aan het einde van de eerste voordracht van de cursus “Menskunde en opvoeding ” [GA 302/23] Vertaald/22, had Dr. Steiner gezegd dat de leraar kon leren hoe de geschiedenis van het latere Egypte te benaderen door de functie van de lever te bestuderen.

Dr. Steiner: Man sollte das nicht furchtbar bewußt machen. Wenn man es zu bewußt macht, dann würde man etwas Erzwungenes tun.
Ich würde das lieber dem überlassen, daß der Geschichtslehrer sich eine Kenntnis des menschlichen Organismus anschaffen soll. Dann wird er schon auf das Organ kommen, das die Stimmung gibt.
Es ist noch nicht überall genug Lebendigkeit im Unterricht darin.

Men moet er geen groot, bewust punt van maken. Als je het te bewust aanpakt, wordt het resultaat geforceerd.
Ik laat het liever aan de geschiedenisleraar over om kennis van het menselijk organisme op te doen. Hij zal dan vanzelf uitkomen bij het orgaan dat de stemming bepaalt.
<4> Er zit in nog niet genoeg vitaliteit in het onderwijs.

Blz. 20

Sie haben in den meisten Klassen Schwierigkeiten in bezug auf die Mitarbeit der Kinder. Sie sind nicht alle aufmerksam, es arbeiten nicht alle mit. Das ist etwas, was noch überwunden werden muß.
Es ist mir zum Beispiel aufgefallen, wie bei dieser Jean-Paul-Besprechung die Kinder etwas lethargisch gewesen sind.

U ervaart moeilijkheden bij de deelname van de kinderen aan de meeste lessen. Niet allemaal zijn ze aandachtig; niet iedereen doet mee. Dat is iets wat nog overwonnen moet worden.
Ik merkte bijvoorbeeld hoe lusteloos de kinderen waren tijdens die bespreking over Jean Paul.

X.: Es war immer nur dann, wenn ich zu abstrakt war, wenn ich versucht
habe, zu stark Begriffliches zu bringen. Wenn ich selbst Beispiele gebildet
habe und Ähnliches, dann waren sie ganz dabei.

X.: Dat gebeurde alleen wanneer ik te abstract was – toen ik probeerde concepten te introduceren die te zwaar waren. Telkens als ik zelf met voorbeelden kwam, of iets dergelijks, waren ze volledig betrokken.

Dr. Steiner: Es ist nötig, daß Sie nicht die Teilnahme überspannen, sondern wirklich manchmal etwas wie „Rührt euch!” eintreten lassen, ohne daß dadurch die Kinder ausarten. Und das erreicht man dadurch, daß man an bestimmten Stellen die gespannte Aufmerksamkeit so etwas entschlüpfen läßt und irgend etwas einfügt, indem man eine Kleinigkeit bespricht oder einen Spaß macht oder dergleichen. Das ist für die Kinder ungeheuer gut, wenn Sie etwas einfließen lassen, was nicht zur Stunde gehört, so daß man ein menschliches Verhältnis hineinbringt. Nicht Spaßvogel für die Klasse werden, aber ein menschliches Verhältnis entstehen lassen, das ist sehr wichtig; daß man das menschliche Verhältnis der Kinder untereinander einbezieht.

Je moet vermijden dat je hun betrokkenheid te zwaar belast; in plaats daarvan moet je ruimte bieden voor momenten van ontspanning – een soort fase van ‘even op adem komen’ – zonder dat de kinderen uit de bocht vliegen. Dit bereik je door die gespannen aandacht op bepaalde momenten wat te laten verslappen en er iets anders tussendoor te gooien: een klein detail bespreken, een grapje maken, of iets dergelijks. Het is enorm waardevol voor de kinderen als je iets in de les verweeft dat er niet direct mee te maken heeft, en zo een menselijke verbinding tot stand brengt. Je moet niet de clown van de klas worden, maar het toelaten van een menselijke verbinding is erg belangrijk – ook wat betreft de menselijke onderlinge relaties tussen de kinderen. <4>

Dr. Steiner liest einen Brief des Stadtarztes vor, worin er unter anderem
schrieb, daß die Schüler der Waldorfschule schlechte Zähne hätten.

leest een brief voor van de gemeentarts, waarin deze onder meer schreef dat de leerlingen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Dr. Steiner: Das ist ein Bluff! Das ist etwas, was nur festgestellt werden könnte, wenn man der Sache nachginge. Das ist Blech! Da müßte man feststellen, welche Kinder schlechte Zähne haben. Das müßte gemacht werden. Man hat festzustellen, wieviele Kinder schlechte Zähne haben; die gute Zähne haben, scheidet man aus. Bei denen, die schlechte Zähne haben, genau nachforschen, woher sie kommen, ob es Proletarierkinder sind; man müßte auf die Kinder das
Augenmerk lenken. Die schlechten Zähne sind wirklich auch noch davon herrührend, daß wir viele Proletarierkinder haben, weil die
 roletarier-Stadtkinder ungepflegte, schlechte Zähne haben. Haben
Sie irgendwelche Apercus nach dieser Richtung hin?

Dat is bluf! Dat is iets wat alleen vastgesteld kan worden door de zaak daadwerkelijk te onderzoeken. Het is onzin! Men zou precies moeten vaststellen welke kinderen een slecht gebit hebben. Dat is wat er moet gebeuren. Men moet nagaan hoeveel kinderen een slecht gebit hebben; degenen met een goed gebit worden buiten beschouwing gelaten. Wat betreft degenen die wel een slecht gebit hebben, moet jr precies onderzoeken waar ze vandaan komen – of het kinderen van het proletariaat zijn; op die kinderen zou de aandacht gericht moeten worden. Het slechte gebit komt werkelijk voort uit het feit dat we veel kinderen uit het proletariaat hebben, omdat kinderen van arbeiders uit de stad vaak een verwaarloosd, slecht gebit hebben. Heeft u waarnemingen in die richting?

X.: Ich habe meine Klasse untersucht. Die Zähne sind nicht besonders
schlecht. Am schlechtesten bei K., der aus Amerika kam.

X.: Ik heb mijn klas onderzocht. Het gebit is niet bijzonder slecht. Het ergste geval is K., die uit Amerika kwam.

Dr. Steiner: Daß diejenigen Kinder, die von sehr weit kommen, einen schadhaften Zahn oder mehrere haben, das ist etwas sehr Gewöhnliches. Man müßte das untersuchen auf den Sachgehalt hin dorfschule schlechte Zähne haben.

Het komt vaak voor dat kinderen die van heel ver komen, een of meer gebrekkige tanden hebben. Men zou de feiten moeten onderzoeken. Het is in ieder geval onzin om te beweren dat de kinderen van de Waldorf-school een slecht gebit hebben.

Blz. 21

Die Waldorfschule bestand nicht ganz zwei Jahre, als der Stadtphysikus sie untersuchte. Unter allen Umständen, wenn dämonische Gewalten diese Kinder zusammengetragen haben, so könnte, selbst wenn die Waldorfschule verschlechternd wirken könnte, so könnte das nicht sich zeigen. Selbst wenn man so weit gehen würde, es gäbe etwas in der Waldorfschule, was die Zähne kaputt macht — man könnte beim Eurythmiesaal, bei dem könnte man das denken —, das kann nicht in eindreiviertel Jahren sich zeigen.
Dieser Turnsaal, der ist doch etwas recht Schlimmes, das ist er schon.
Es ist offenbar der Grund, die Grundbeschaffenheit doch nicht gut; es muß etwas Modriges sein. Der Keller, der dünstet aus. Es ist vor allen Dingen ein modriger Geschmack darin. Die Eurythmie wird in andere Räume verlegt. Wie weit stehen wir mit dem Fertigwerden der neuen Räume?

De Waldorf-school bestond nog geen twee jaar toen de gemeentelijke geneesheer haar inspecteerde. Zelfs als men — onder welke omstandigheden dan ook — zou aannemen dat demonische krachten deze kinderen hadden samengebracht, zou een eventueel schadelijk effect van de school zich op dat moment nog onmogelijk kunnen manifesteren. Zelfs als men zo ver zou gaan te beweren dat er iets in de Waldorf-school was dat het gebit van de kinderen aantastte — men zou daarbij bijvoorbeeld aan de eurythmiezaal kunnen denken — dan nog zou een dergelijk effect niet binnen anderhalf tot twee jaar zichtbaar kunnen worden.
Die gymzaal is inderdaad een bijzonder slechte plek; daarover bestaat geen twijfel. De bouwkundige staat is klaarblijkelijk slecht; er moet een muffe sfeer hangen. Er stijgen dampen op uit de kelder. Bovenal hangt er een muffe geur in de lucht. De euritmielessen worden naar andere ruimtes verplaatst. Hoe ver zijn we gevorderd met de nieuwe ruimtes?

Bl. 21

Es wird berichtet.

Er wordt verslag uitgebracht.

Dr. Steiner: Im nächsten Frühjahr kommt die 11. Klasse, da brauchen wir eine Menge neuer Räume. Vor allen Dingen brauchen wir Räume, die noch mehr ausreichen für den musikalischen Unterricht; das brauchen wir wirklich. Im Grunde genommen ist das immer noch ein Surrogat, ein klägliches. Das ist eine furchtbare Sorge. Es fehlt noch etwas zu diesem Fertigwerden, was sehr wichtig ist, das Geld: zwei bis zweieinhalb Millionen. Aus dem Vermögen des Waldorfschulvereins können wir nichts dazugeben.

Komend voorjaar komt de elfde klas erbij; daarvoor hebben we een groot aantal nieuwe lokalen nodig. We hebben vooral behoefte aan lokalen die beter geschikt zijn voor muziekonderwijs; dat hebben we echt nodig. Wat we nu hebben, is in feite nog steeds een noodoplossing – en wel een erbarmelijke. Het baart grote zorgen.
Eén ding dat nog ontbreekt voor de voltooiing van het project is cruciaal: het geld – twee tot tweeënhalf miljoen. We kunnen niets bijdragen vanuit het vermogen van de Waldorfscholenvereniging.

Molt schlägt vor, die Firma solle es machen und dazu eine Hypothek beschaffen.

Molt stelt voor dat de onderneming de zaak op zich neemt en een hypotheek afsluit

Dr. Steiner: Ist das nicht, wie man in Wien sagt, gehupft wie gesprungen?

Is dat geen– zoals ze in Wenen zeggen – lood om oud ijzer?

Molt: Auch bei uns sagt man so.

Molt: Dat zeggen we hier ook.

Es wird noch über die Möglichkeit gesprochen, Geld zu beschaffen.

Er volgt een verdere bespreking over de mogelijkheden om fondsen te werven.
GA 300B/17-21
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3608-4001

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geheugen (5)

.

goede gewoontes aanleren

.

Dat aanleren begint al heel vroeg, eigenlijk al ‘in de wieg’. Als baby en de jaren daarna leert het kind ongelooflijk veel: door de kracht van de nabootsing.
Via de zintuigen – Steiner: het jonge kind is een en al zintuig – neemt het onbewust vrijwel alles over wat er in de omgeving gebeurt, niet alleen aan gebaren, maar ook aan stemmingen.
Dit gebeurt omdat het geest-zielenwezen van het jonge kind zich nog voor een deel ‘om hem heen’ bevindt, nog niet tot binnen de grenzen van het lichamelijke is geïncarneerd.
In de Algemene menskunde wordt dit zo verwoord
:

Das Seelische ist so verbunden mit diesem Kopfe, daß das Kind, indem es geboren wird und auch noch während es sich entwickelt in den ersten Lebensjahren, im Kopfe alles Seelische träumt. Wir haben einen sehr, sehr ausgebildeten Leib als Kopf. Wir haben darin eine träumende Seele, eine deutlich träumende Seele und einen noch schlafenden Geist. . Diese Entwicklung ist ja bis zum Zahnwechsel hin so, daß der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist. Es tut der Mensch alles dasjenige, was er seiner Umgebung absieht. Daß er das tun kann, verdankt er eben gerade dem Umstande, daß sein Kopfgeist schläft. Dadurch kann er mit diesem Kopfgeiste außerhalb des Kopfleibes weilen. Er kann sich in der Umgebung aufhalten. Denn wenn man schläft, so ist man mit seinem Geistig-Seelischen außerhalb des Leibes. Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes. Es ist bei denen, die in seiner Umgebung sind, es lebt mit denen, die in seiner Umgebung sind. Daher ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Daher entwickelt sich auch aus der träumenden Seele heraus die Liebe zur Umgebung, vorzugsweise die Liebe zu den Eltern.

De verbinding van de ziel met het hoofd is zo, dat een kind na de geboorte, en ook nog tijdens zijn ontwikkeling in de eerste levensjaren, in zijn hoofd een droombewustzijn heeft van het gebied van de ziel. En het gebied van de geest slaapt in het hoofd.
Dat betekent een merkwaardige samenvoeging van lichaam, ziel en geest in het hoofd van de mens. We hebben een zeer, zeer ontwikkeld lichaam als hoofd met daarin een dromende ziel, een duidelijk dromende ziel en een nog slapende geest. Nu gaat het erom dit zojuist geschetste feit in overeenstemming te zien met de hele ontwikkeling van de mens. Deze ontwikkeling verloopt tot
de tandenwisseling immers zo, dat de mens in die fase voornamelijk nabootst. De mens doet alles wat hij om zich heen ziet na. Dat hij dat kan doen, heeft hij te danken aan het feit dat zijn geest in zijn hoofd slaapt. Daardoor kan hij met dit geestelijke hoofd buiten zijn lichamelijke hoofd blijven. Deze geest kan zich in de buitenwereld ophouden. Wanneer men slaapt is men met geest en ziel buiten het lichaam. Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd. Het is bij degenen die om hem heen zijn, het leeft met degenen die om hem heen zijn.
Daardoor bootst het kind na. Daardoor ontwikkelt zich vanuit de dromende ziel de liefde tot de omgeving, vooral de liefde tot de ouders.
GA 293/161
Vertaald/155

Ik vraag me weleens af, als ik zoiets lees, waarom tref je dan in de wereld zoveel niet-liefde, zelfs haat, tot de omgeving aan. Is het in deze fase al verkeerd gegaan?

Er is dus een a.h.w. een ‘onbegrensd’ contact met de omgeving, een bepaalde interactie die door het geest-zielenwezen via het hoofd naar de ‘rest van het lichaam’ wordt gestuurd.

Die Erlebnisse der höheren Glieder übertragen sich immer mehr und mehr auf die unteren Glieder. Da sehen wir, wie wichtig es ist für den Menschen, daß er eine Ahnung davon habe, daß die höheren Glieder hineinwirken müssen in die dichteren Glieder. Es ist so in des Menschen Hand gestellt, in gesunder, praktischer Weise hineinzuwirken in die niedern Glieder.

De ervaringen van de hogere wezensdelen worden in toenemende mate overgedragen op de lagere wezensdelen. Hier zien we hoe belangrijk het voor de mens is om enig besef te hebben van het feit dat de hogere wezensdelen moeten inwerken op de dichtere wezensdelen. Het ligt in de macht van de mens om op een gezonde, praktische wijze op de lagere wezensdelen in te werken.

Dem Äther- oder Lebensleib wird von oben herunter eingeprägt, was wir Gewohnheit, Übung oder was wir Gewissen nennen.

Wat wij gewoonte, beoefening of geweten noemen, wordt van bovenaf in dit ether- of levenslichaam ingeprent.
GA 57/273
Niet vertaald

In ons volwassen leven hebben we ook vele gewoontes: we staan meestal dagelijks rond dezelfde tijd op en gaan op een bepaalde tijd weer naar bed; de maaltijden vinden als regel rond dezelfde tijden plaats enz.
Soms moeten we daarvan afwijken, maar dan merken we al gauw dat we daar moeite mee hebben, zoals veel mensen bv. bij de overgang van zomer- naar wintertijd v.v. We raken van slag.
En omdat kinderen deel uitmaken van een gezin, is dat voor hen ook zo.

M.a.w. willen we in onze levenskrachten goed functioneren, dan is ritme daarbij van essentieel belang.

En hoe jonger het kind, des te belangrijker het ritme waarin de dingen gebeuren waarmee het moet opgroeien, is.
En omdat het kind sterk afhankelijk is van ritme, is het ook zinvol om dezelfde dingen bij herhaling, hetzelfde te doen.
(Ritmische) herhaling voor de jongsten, maar ook voor het wat oudere kind, de peuter en de kleuter.
Ook voor hen is het goed dat veel hetzelfde gaat – een soort vast ritueel – het geeft zekerheid, zo gaan de dingen in de wereld.

Als dan voor de periode 7 tot 14 geldt dat hier het etherlijf pas echt kan worden opgevoed, geldt ook zeker dat de al begonnen gewoontevorming moet worden voortgezet.
En hoewel de kracht van de nabootsing afneemt, doet het kind nog gewoon wat jij voorleeft.
Ook daarom in de basisschool vaste patronen bij van alles en nog wat.
Het klaarzetten van de schilderspullen, de volgorde: een vast patroon geeft zekerheid.
Je zou dat ook als ‘iets ritmisch’ kunnen beschouwen.
Ritme neigt hier naar maat: het regelmatige terugkeren.
Het is ook een ‘verloop in de tijd’ en daarmee is het a.h.w. ‘etherlijf-eigen’: ook het etherlijf is in zekere zin een tijdlijf, i.t.t. het fysieke lichaam dat een ruimtelichaam is. 

Het eigen voorbeeld

Met in het achterhoofd de ‘pedagogische wet’ weet je, dat je eigen astraalwezen – het openstaan voor allerlei indrukken, het daarop (direct) reageren, het a.h.w. ‘kortstondige’ bij ons is, terwijl gewoontevorming ontstaat door het ‘langdurige’.
Hier moet je dus als leerkracht ook je eigen gewoontevorming cultiveren.
Hoe doe jij de dingen (voor)?
Heb je in de gaten of je planten in de klas hun regelmatige zorg krijgen?
Hoe hangen de jassen aan de kapstok en hoe staan de kaplaarzen?


Hoe liggen de krijtjes in de bak onder het bord?
Hoe is het handschrift op het bord?

 

 

Hoe hangen de schilderingen aan de muur? Slordig of verzorgd?

Deze kan echt niet. Jammer dat zoiets op Pinterest terechtkomt!

Dat ziet er heel wat verzorgder uit! 

Als je na een dag voor de klas de moeite neemt naar jezelf te kijken  – alsof je die dag achter in de klas had gezeten – zie je, tenminste zo verging het mij, veel gedragingen waarvan je je kan afvragen: ‘Waarom doe ik dat zo?’
En dan is vaak het antwoord niet makkelijk te vinden. Veelal kwam ik uit bij mijn eigen schooltijd of jonge jaren en soms wist ik: ‘O ja, die deed dat ook’. 
Zo diep kan iets zich in je nestelen wat je onbewust hebt opgenomen.

Er kan nog oneindig veel meer gezegd worden:
Ga je op je eigen tafel zitten als je vertelt; of op een kindertafel; hoe opgeruimd is je tafel steeds; hoe is het met de kastjes van de kinderen; hoe begin en eindig je de dag, zoveel, zoveel.
Toen ik pas begon, was het op dit gebied bij mij ook zeker niet, zoals ik het hier idealiter beschrijf, maar toen ik het belang ervan ging zien, kon ik er ook veel bewuster mee omgaan. 

En met Goethes woorden:

Wie altijd strevend zijn best,

Die kunnen wij verlossen.

vastberaden voorwaarts!

 

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinnerenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3607-4000

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over mythen en sagen (GA 101)

.
GA 101

Deze hele voordrachtenreeks staat in het teken van wat zijn de diepere betekenissen van sagen en mythen.
Deze voordrachten waren bestemd voor leden van de Antroposofische Vereniging en vooronderstellen een zekere inhoudelijke antroposofische kennis.

Omdat wij op de vrijeschool in klas 4, 5 en 6 mythen vertellen – het is het vertelthema van die klassen, kan het een verrijking zijn om van deze achtergronden te weten.
Niet om ze aan de leerlingen te vertellen – die krijgen alleen de overgeleverde verhalen te horen – maar als verdieping voor de leerkracht, bv. in de zin van wat vertel ik eigenlijk.

Hieronder vind je gedeelten van deze voordrachtenreeks vertaald. Niet ieder woord, maar alleen die stukken die ik zelf relevant vind als achtergrond.
Ik geef wél de volledige Duitse tekst weer in groen en de onvertaalde passages in een andere tint.
De tekst in blauw is van mij. Hier en daar zal ik e.e.a. aanvullen, naar iets verwijzen e.d.

iNHOUD:

Oudnoordse mythen en saga’s.
De betekenis van occulte tekens en symbolen.
Oude helderziendheid en de ontwikkeling van nieuwe vermogens (waarneming van de buitenwereld, tellen, rekenen, oordelen) tijdens het Atlantische tijdperk. Verbanden tussen de fysieke menselijke constitutie en de astrale wereld, geïllustreerd aan de hand van de Germaanse scheppingsmythe.
Niflheim en Muspelheim.
De vorming van het zenuw-zintuigstelsel en de systemen voor bloedsomloop en voeding.
Het bereiken van het ‘Ik’-bewustzijn doordat het etherhoofd in het fysieke hoofd trekt.
De wereldas Yggdrasil.
Ymir en Audhumbla: de denkende mens, het geslachtsprincipe, hart, spraak.
.

RUDOLF STEINER:

                                               Mythen und Sagen
                                        Okkulte Zeichen und Symbole

                                                 Mythen en sagen
                                       Occulte tekens en symbolen


Nog altijd roept het woord ‘occult’ voor veel mensen een gevoel op van ‘daar kun je je beter niet mee bezig houden; het riekt naar (zwarte) magie, naar sekte-achtige toestanden.
De veel neutralere betekenis is ‘verborgen of geheim’ en afkomstig van het Latijnse woord occultus, dat verborgen of bedekt betekent.

Wanneer bij Steiner sprake is van ‘het occulte’, bedoelt hij daarmee ‘dat wat met de gewone zintuigen niet direct waarneembaar is’, wat voor de zintuigen verborgen is, waar voor de zintuigen a.h.w. een sluier over hangt en in die zin iets mystieks heeft.
‘Occult’ is dan ‘bovenzintuiglijk’.

Wanneer wij iemand zien lachen, weten we uit eigen ervaring, dat er een of andere vorm van plezier in het spel is, een gevoel van pret.
De uitingen ervan kunnen we zien, het gevoel dat die uitingen veroorzaakt niet.
De wereld van de ziel waartoe het gevoel behoort, kunnen we dus met ‘gewone’ zintuigen niet zien, evenals de mentale wereld van gedachten, een geestelijke wereld.
Steiner zegt, dat om die werelden te kunnen zien, er scholingsoefeningen zijn, waardoor je ook ‘helderziend’ kan worden en dus ook kan ‘schouwen’ in die werelden van ziel en geest.
Daaruit haalt Steiner zijn weten dat hij in zijn boeken en voordrachten verwoordt.

Een mooi voorbeeld van hoe anders er over ‘het occulte’ wordt gedacht vind je bv. hier

Blz. 15

Voordracht 1, Berlijn 7 oktober 1907

Oudnoordse mythen en sagen

Wir wollen in dieser und in den nächsten Stunden das betrachten, was man nennen könnte: Okkulte oder auch mystische Sinnbilder in ihren Beziehungen zur astralen und geistigen Welt. Immer wieder treten vor Ihnen diese und jene Zeichen, Symbole, Erzählungen auf; und nun kommen diejenigen, die materialistisch gesinnt sind und sagen, das sei alles Dichtung. Es wird als irgendwie aus der Volksphantasie entlehnt angenommen und nur betrachtet als eine leere Phantasterei. Oder es kommen die Gutgesinnten und spekulieren alles mögliche über das, was zum Beispiel das Pentagramm und andere Symbole bedeuten. Bei unserem Kongreß in München haben wir sogar Zeichen und Symbole zur Ausschmückung unseres Saales gebraucht und damit schon angedeutet, daß wir den okkulten Zeichen eine gewisse Bedeutung beimessen. Aber der wahre Okkultist spekuliert nicht darüber, sondern er sucht die wirklichen Tatsachen.

In deze en de komende bijeenkomsten willen we onderzoeken wat men occulte of mystieke symbolen zou kunnen noemen, en hun verhouding tot de astrale en spirituele werelden.
Telkens weer verschijnen er allerlei tekens, symbolen en verhalen; en dan zijn er mensen met een materialistische instelling die beweren dat het allemaal slechts fictie is. Zij gaan ervan uit dat deze zaken op de een of andere manier uit de volksverbeelding voortkomen en beschouwen ze als niets meer dan ijdele fantasie.

In het dagelijks spraakgebruik komen we dit tegen bij wat dan bv. de mythe van ‘een goedkoper wordende gezondheidszorg’ is of ook wel met ‘sprookje van… …’wordt aangegeven.

Of er zijn goedbedoelende mensen die eindeloos speculeren over de betekenis van het pentagram en andere symbolen. Toch speculeert de ware occultist daar niet over; hij zoekt veeleer naar de werkelijke feiten. [achter de zintuiglijke waarnemingen]

Durch eine philosophische Spekulation können Sie nie und nimmer auf die Bedeutung eines okkulten Zeichens kommen, und vieles, was gesagt und geschrieben wird über okkulte Zeichen und ihre Bedeutung, ist vergeblich geschrieben, weil es nur aus der Spekulation, dem mehr oder weniger geistreichen Darüber-Nachdenken heraus geschrieben ist.

Je kan de betekenis van een occult teken nooit door middel van
filosofische speculatie doorgronden; sterker nog, veel van wat er over
occulte tekens en hun betekenis wordt gezegd en geschreven, is zinloos, omdat het louter voortkomt uit speculatie – uit een min of meer vernuftig denkproces.

Als we – en ik beschik er niet over – zelf niet die helderziende vermogens hebben, blijft het ‘denken over’ een bepaald teken, of mythologisch figuur, steken in dit nadenken. Dat kan best verrassende gedachten brengen, maar met bovenstaande in het achterhoofd kan het die mate van terughouding opleveren bij de vraag: ‘is het waar wat ik denk’. 

Doch diese okkulten Zeichen sind für uns wichtig, denn sie sind etwas wie Instrumente, durch die wir hinaufkommen können in die höheren Welten.
Wir haben schon manches über die Bedeutung wichtiger Symbole gehört, so zum Beispiel über das Symbolische, das sich auf die Zahl 666 bezieht, und wir haben da tief in die religiöse Urkunde der Apokalypse eindringen können.
Heute soll uns etwas ganz anderes aus der Symbolik beschäftigen. Es sind Symbole, die Ihnen schon öfter vor die Seele getreten sind, die wir nun ihrem Ursprung und ihrem wirklichen Wert nach kennenlernen wollen. Bevor wir zur Besprechung dieser Symbole übergehen, müssen wir eine Vorbetrachtung
über den Menschen anstellen. Sie werden gleich sehen, warum etwas
scheinbar ganz und gar Entlegenes angeführt wird, um gewisse Zeichen und Symbole zu erklären.

Blz. 16

Wir versetzen uns zurück an den Zeitpunkt unserer Menschheitsentwickelung, den Sie alle aus früheren Vorträgen kennen. Sie wissen, daß unserer jetzigen Zeit vorangegangen ist eine Zeit, die wir die atlantische Zeit nennen. Wo jetzt der Boden des Atlantischen Ozeans ist, zwischen Amerika und Europa, war vor Urzeiten Land, während unsere Gebiete weithin mit Wassermassen bedeckt waren. In diesem Lande wohnten unsere Vorfahren. In Wahrheit stammt
der größte Teil der europäischen Bevölkerung nicht etwa aus dem Osten, sondern aus dem Westen und ist die Nachkommenschaft der atlantischen Bevölkerung. Von jenem Lande, der alten Atlantis, wo unsere Vorfahren und wir selbst in früheren Inkarnationen gewohnt haben, wanderten sie weit hinein nach Osten, als die Fluten, die jetzt den Atlantischen Ozean bilden, diesen früheren Erdteil verschlungen hatten.

Wanneer antroposofie nieuw voor je is, kan de onderstaande evolutiebeschrijving vreemd op je overkomen. Er is immers geen geschreven bron die dit als ‘geschiedenis’ bevestigt. Sterker: in geschiedkundige kring wordt het naar het rijk der fabelen verwezen. [waarbij ‘fabel’, evenals ‘sprookje of legende’ synoniem is aan ‘verzinsel, verdichting, zelfs leugen’.

Laten we ons terugverplaatsen naar dat punt in de evolutie van de mensheid dat u allen bekend is uit eerdere voordrachten. U weet dat aan ons huidige tijdperk een periode voorafging die we het Atlantische tijdperk noemen. Waar nu de bodem van de Atlantische Oceaan ligt – tussen Amerika en Europa – bevond zich in lang vervlogen tijden land, terwijl onze eigen gebieden grotendeels onder uitgestrekte watermassa’s lagen. Onze voorouders woonden in dat land. In werkelijkheid was het merendeel van de Europese bevolking niet afkomstig uit het oosten, maar juist uit het westen; zij zijn de nakomelingen van het Atlantische volk. Vanuit dat land – het oude Atlantis, waar onze voorouders en wijzelf in eerdere incarnaties leefden – trokken zij ver naar het oosten, nadat het water dat nu de Atlantische Oceaan vormt, dat voormalige continent had verzwolgen.

Im letzten Drittel der atlantischen Zeit gliederte sich im Nordosten – in der Gegend des heutigen Irland – ein kleines Häuflein heraus aus der Bevölkerung, die als die damals vorgeschrittenste sich darstellt. Das ganze atlantische Land war bedeckt mit schweren, dichten Nebelmassen und wird deshalb in der Erinnerung der germanischen Völkerschaften «Niflheim» genannt. In diesen alten Zeiten, als die Luft fortwährend mit dichten Wassermassen geschwängert war, da war das Seelenleben auch ein ganz anderes.
Es war immer noch ein altes Hellsehen vorhanden; die Menschen haben damals hineingesehen in die geistige Welt. Wenn sie sich einem Menschen genähert haben, sahen sie vor ihrer Seele gewisse Farbenerscheinungen aufsteigen, die ihnen sagten, ob ihnen dieser Mensch sympathisch oder unsympathisch war. Ebenso war es mit den Tieren; wenn sie sich einem Tiere näherten, konnten sie sehen, ob es ihnen schadete oder nicht. Ein primitives Hellsehen war also in gewisser Beziehung in der atlantischen Zeit vorhanden.

Over Nevelheim

In het laatste derde deel van het Atlantische tijdperk ontstond in het noordoosten – in de regio van het huidige Ierland – een kleine groep uit de bevolkingsgroep die destijds als de meest ontwikkelde gold. Het gehele Atlantische land was gehuld in zware, dichte nevelmassa’s; daarom staat het in de overlevering van de Germaanse volkeren bekend als ‘Niflheim’. In die oertijden, toen de lucht voortdurend verzadigd was met dichte vochtigheid, was ook het zielenleven totaal anders. Er bestond nog een vorm van oude helderziendheid; mensen konden in de geestelijke wereld kijken. Wanneer ze een ander mens naderden, zagen ze bepaalde kleuren voor hun ziel oprijzen die onthulden of ze een verwantschap dan wel een afkeer ten opzichte van die persoon voelden. Hetzelfde gold voor dieren; bij het naderen van een dier konden ze waarnemen of dit al dan niet een bedreiging voor hen vormde. Er bestond in het Atlantische tijdperk dus, in bepaalde opzichten, een vorm van primitieve helderziendheid.

Steiner heeft vele malen over Atlantis gesproken en er in een boek over geschreven: GA 11 vertaald

In de verschillende Noordse mythologieën wordt Nevelheim, of Neveloord, Niflheim, beschreven als een oord van mist en donker, het Land van Mist.

Wat we daar vertellen over het ‘nevelland’ is dus een herinnering aan die Atlantische fase. Die beschrijft Steiner vaker, zoals gezegd:

In der alten Atlantis gab es noch nicht eine Verteilung von Regen und Sonnenschein, von Luft und Wasser wie heute. Da war eine ganz andere, von Wasser gesättigte Luft da. Regen gab es damals noch nicht. Mythen und Sagen halten diese Dinge in anschaulicher Weise fest. Daher sprechen die nordischen Sagen auch von «Nifelheim»> «Nebelheim». Dem liegt eine wirkliche Tatsache zugrunde.

In het oude Atlantis was de verdeling van regen en zonneschijn, van lucht en water, nog niet zoals die tegenwoordig is. De lucht was totaal anders: verzadigd met water. Regen bestond er destijds niet. Mythen en legenden bewaren deze zaken in levendige beelden; daarom spreken de Noordse sagen over ‘Niflheim’ – het ‘Thuis van de Nevel’. Hieraan ligt een werkelijk feit ten grondslag.
GA 54/143
Niet vertaald

In de ene voordracht staat Steiner er kort bij stil, in een andere langer, waarbij dan ‘en passant’ weer andere mededelingen volgen:

Nun will ich aus der rationalen Mystik heraus eine An­schauung darlegen, die für diejenigen, welche die anderen Vorträge nicht gehört haben, etwas Groteskes haben, aber für die anderen etwas Mathematisch-Sicheres bekommen wird. Dasjenige, was heute in Europa lebt als heutiges klares Tagesbewußtsein, hat sich aus einer uralten Mensch­heit entwickelt, der atlantischen Menschheit, die der uns­rigen vorangegangen ist und da gelebt hat, wo heute die Fluten des atlantischen Ozeans sind. Diejenigen, welche achtgeben auf das, was in der Welt vorgeht, werden wissen, daß selbst die Naturwissenschaft schon von einem atlan­tischen Kontinent spricht. Auch in der naturwissenschaft­lichen Zeitschrift «Kosmos» erschien ein Artikel darüber.
Da lebten die Vorfahren der Menschen, die heute Europa bewohnen, unter anderen physikalischen Bedingungen. Sie lebten noch in Luft und Wasser. Der Boden war weithin bedeckt mit großen, mächtigen Nebelmassen. Damals sah man nicht die Sonne, wie man sie heute sieht. Sie war um­geben von mächtigen Farbenhöfen, weil alles bedeckt war mit mächtigen Nebelmassen. Die germanische Sagenwelt hat das Gedächtnis an jene alten Lande in dem Ausdruck Niflheim, Nibelungenheim bewahrt. Das sind die Erinne­rungen an jenes alte Nebelland, und es ist eine feine, intime Wendung in dem, was sich aus jener Urzeit als Sage erhalten 

Ik wil nu een perspectief uiteenzetten dat geworteld is in rationele mystiek – een perspectief dat voor wie de voorgaande lezingen niet heeft bijgewoond wellicht enigszins grotesk aandoet, maar dat voor anderen wiskundig zeker zal lijken. Wat in het huidige Europa bestaat als ons heldere waakbewustzijn, is voortgekomen uit een oeroude mensheid – de Atlantische mensheid – die aan de onze voorafging en leefde op de plek waar zich nu de wateren van de Atlantische Oceaan bevinden. Wie de wereldgebeurtenissen volgt, zal weten dat ook de natuurwetenschap spreekt van een Atlantisch continent; in het wetenschappelijke tijdschrift *Kosmos* is hierover een artikel verschenen.

[dat doet de natuurwetenschap in het algemeen nu niet, al wordt er af en toe een poging gedaan]

*Theodor Arldt, Heft 10, 1904/05

De voorouders van de huidige bewoners van Europa leefden daar onder andere fysieke omstandigheden. Ze leefden te midden van lucht en water. Het land was grotendeels bedekt met uitgestrekte, massieve mistbanken. In die tijd verscheen de zon niet zoals nu; ze werd omringd door machtige kleurhalo’s, omdat alles in die enorme nevels gehuld was. De Germaanse mythologie heeft de herinnering aan die oude landen bewaard in de termen *Niflheim* en *Nibelungenheim*. Dit zijn herinneringen aan dat oude nevelrijk, en er schuilt iets subtiels en intiems in wat er uit dat oertijdperk in de vorm van legenden bewaard is gebleven,

hat, daß, als die Flut allmählich die atlantischen Lande überspülte, dieselbe Flut auch die Flüsse der deutschen Tief­ebene gebildet hat, so daß das Wesen des Rheins angesehen wird wie ein Überbleibsel jenes Wesens, das als das atlan­tische Nebelwesen einstmals weithin die Lande bedeckt hat. Es ist so, wie wenn das Rheinwasser abgeflossen wäre aus den Nebelmassen der alten Atlantis, des Nebelheims, des Nibelungenheims. So stellt die Sage das in dumpfem, ahnungsvollem Bewußtsein dar. Und indem die Völker ostwärts zogen, weil die physischen Verhältnisse so wurden, daß sie die Gegenden verlassen mußten, verließ sie das dumpfe Bewußtsein. Dieses wurde heller und heller, der Egoismus wurde aber auch größer.
Das alte dumpfe Bewußtsein hatte eine gewisse Selbstlosigkeit zur Folge. Mit dem Reinigen der Luft zog der Egoismus herauf. Der Nebeldunst der alten Atlantis bildete rings um den Menschen eine Atmosphäre von Weisheit, die erfüllt war von Selbstlosigkeit, von Liebe. Das strömte in die Wasser des Rheins und ruhte da unten als Weisheit, als Gold. Wenn das aber vom Egoismus erfaßt wird, dann gibt es zu gleicher Zeit die egoistische Macht. So sahen die Re­präsentanten der alten Bewohner von Nibelungenheim, als sie ostwärts zogen, den Rhein den Hort in sich schließen, der aus dem Gold der Weisheit bestand, die einstmals in selbstloser Art gewirkt hat. Das alles ruhte – nicht so ausgesprochen – in der Sagenwelt, deren sich Richard Wagners Seele bemächtigte.

dat, naarmate de vloed geleidelijk de Atlantische landen overspoelde, diezelfde vloed ook de rivieren van de Noord-Duitse laagvlakte vormde; zo wordt de wezensaard van de Rijn gezien als een overblijfsel van die entiteit die — als het Atlantische nevelwezen — ooit de landen wijd en zijd bedekte. Het is alsof de wateren van de Rijn waren weggevloeid uit de nevelmassa’s van het oude Atlantis — het rijk van de nevel, de woonplaats van de Nibelungen. De legende beeldt dit uit in een schemerig, intuïtief bewustzijn. En toen de volkeren naar het oosten trokken — gedwongen door veranderende fysieke omstandigheden om die streken te verlaten — liet dat schemerige bewustzijn hen los. Het werd steeds helderder, maar tegelijkertijd nam het egoïsme toe.
Dat oude, schemerige bewustzijn had een zekere zelfloosheid gevoed. Met het opklaren van de lucht ontstond het egoïsme. De nevelsluier van het oude Atlantis had een sfeer van wijsheid rond de mensheid gecreëerd — een sfeer doordrongen van zelfloosheid en liefde. Dit wezenlijke element vloeide in de wateren van de Rijn en rustte daar in de diepten als wijsheid, als goud. Wanneer dit echter door egoïsme wordt gegrepen, roept het tegelijkertijd egoïstische macht op. Toen de vertegenwoordigers van de oude bewoners van Nibelungenheim* naar het oosten trokken, zagen zij dus hoe de Rijn de schat in zich besloot — een schat gevormd uit het goud van die wijsheid die ooit in een geest van zelfloosheid had gewerkt. Dit alles sluimerde — zij het niet expliciet verwoord — in de wereld van de legende die de ziel van Richard Wagner zich eigen had gemaakt.
GA 55/226-227
Niet vertaald

*Im Nibelungenhort haben wir nichts anderes zu sehen als eine sprachliche Umbildung des alten Wortes Nifelheim, Nebelheim. Es ist also dasjenige, was man im Norden kannte als die physische Erde, die Erde im Augenblicke des Physischwerdens.

In *Nibelungenhort* zien we niets anders dan een taalkundige transformatie van het oude woord *Nifelheim* (of *Nebelheim*). Het is derhalve datgene wat in het Noorden bekendstond als de fysieke aarde – de aarde op het moment dat zij fysiek werd.
GA 92/39
Niet vertaald

Die Druidenpriester nährten das Bewußtsein, daß einmal fern im Westen eine hohe Kultur da war. Diese Kultur war in einem Lande, das man als Nifelheim oder Nibelungenheim bezeichnete. Dieses Nifelheim war die alte Atlantis. Sie war früher ein Nebelheim wegen ihrer eigentümlichen atmosphärischen Verhältnisse, die ganz anders waren als die unsrigen. Die germanische Stammsage gibt damit wirklich die Wahrheit wieder. Sie weist hin auf ein uraltes Land, das es einst gab zwischen Europa und Amerika, da, wo jetzt der atlantische Ozean ist. Dieses uralte Land Atlantis ist untergegangen und mit ihm Schätze der Macht und Weisheit. Diese Schätze bezeichnete man als Gold, und ihr Untergehen wird in der Sage erzählt als das Versenken des Goldes des Nibelungenhortes. Der Schatz der Nibelungen soll in neuer Weise gehoben, auferweckt werden, mehr im Osten, in Europa.

De druïden hielden de herinnering levend dat er lang geleden, in het verre westen, een hoogstaande beschaving had bestaan. Deze beschaving bevond zich in een land dat bekendstond als Nifelheim of Nibelungenheim. Dit Nifelheim was het oude Atlantis. Het was ooit een ‘land van nevels’ vanwege de bijzondere atmosferische omstandigheden, die sterk afweken van de onze. De Germaanse overlevering weerspiegelt dus de werkelijkheid; ze wijst op een oud land dat ooit tussen Europa en Amerika lag, in het gebied dat nu door de Atlantische Oceaan wordt ingenomen. Dit oude land Atlantis ging ten onder, en daarmee ook schatten van macht en wijsheid. Deze schatten werden aangeduid als goud, en het verlies ervan wordt in de legenden beschreven als het zinken van de Nibelungenschat. Het is de bestemming van de Nibelungenschat om opnieuw te worden geborgen – om weer tot leven te worden gewekt – en wel verder naar het oosten, in Europa.
GA 92/148
Niet vertaald

Wir leben in der Zeit nach der großen atlantischen Flut. Vor dieser Zeit lebten unsere uralten Vorfahren, Menschen ganz anderer Art. Heute stellt man sich vor, die Menschen damals seien so gewesen, wie sie jetzt sind. Die äußeren physischen Verhältnisse waren jedoch ganz anders. So war Atlantis ein Land, das immer dunkel war, gehüllt in dichte Nebelmassen. Es ist wichtig, daß Sie das wissen. Die alte deutsche Mythologie hat die Erinnerung behalten in den Worten Nifelheim, Nebelheim, Nibelungen. Diesen Verhältnissen ent­sprechend war die menschliche Organisation eine ganz andere. Ebenso haben die Atlantier eine ganz andere Kultur gehabt. Sie würden eine Vorstellung davon bekommen, wenn ich Ihnen im einzelnen schildern könnte, wie die Menschen damals in allen Dingen artikulierte Laute vernommen haben.

Wij leven in het tijdperk na de grote Atlantische vloed. Daarvoor leefden onze verre voorouders – mensen van een totaal andere aard. Tegenwoordig stelt men zich voor dat de mensen uit die tijd net zo waren als wij nu. De uiterlijke fysieke omstandigheden waren echter totaal anders. Atlantis was bijvoorbeeld een land dat voortdurend in duisternis gehuld was, omgeven door dichte mistmassa’s. Het is belangrijk dat u dit weet. De oude Germaanse mythologie heeft de herinnering hieraan bewaard in begrippen als *Nifelheim*, *Nebelheim* en *Nibelungen*. In overeenstemming met deze omstandigheden was de menselijke constitutie totaal anders. Ook kenden de Atlantiërs een totaal andere cultuur. U zou zich hier een voorstelling van kunnen maken als ik u in detail zou beschrijven hoe de mensen destijds in alle dingen gearticuleerde klanken waarnamen.
GA 97/239 

Niet vertaald

Blz. 17

Die Menschheit machte nun verschiedene Entwickelungszustände durch; sie konnte nicht stehenbleiben bei jenem alten dumpfen
Hellsehen; es mußte die heutige Art des Wahrnehmens durch die Sinne eintreten. Da mußte für eine gewisse Zeit das Hellsehen zurücktreten, das aber in der Zukunft wieder zu dem heutigen hellen Tagesbewußtsein hinzuerobert werden wird. Was die Menschen heute als Grundlage unserer äußeren Kultur haben, den Gebrauch der Vernunft, den Verstand, das war nicht den alten atlantischen Hellsehern eigen, das mußte erst erobert werden. Der Mensch mußte seine Augen und Ohren, seine Sinneswahrnehmungsorgane nach
außen richten; das innere geistige Auge trat für eine Zeit zurück. Als unsere Vorfahren aus der alten Atlantis nach dem Osten hinüberwanderten, da war dieses Ereignis zugleich verknüpft mit dem Verlust des alten Hellsehens und mit dem Erringen der äußeren sinnlichen Wahrnehmung, mit dem Erringen von Fähigkeiten wie Zählen, Rechnen, Urteilen.

De mensheid doorliep verschillende ontwikkelingsstadia; ze kon niet op het niveau van die oude, schemerige vorm van helderziendheid blijven steken; de moderne wijze van zintuiglijke waarneming moest tot ontwikkeling komen. Bijgevolg moest de helderziendheid tijdelijk wijken – al zal deze in de toekomst opnieuw worden verworven, naast ons huidige, heldere waakbewustzijn. Wat de mens van tegenwoordig bezit als fundament van onze uiterlijke cultuur – het gebruik van het verstand en het intellect – was de oude Atlantische helderzienden niet eigen; het moest worden verworven. De mens moest zijn ogen en oren – zijn zintuiglijke waarnemingsorganen – op de buitenwereld richten; het innerlijke geestesoog trad tijdelijk op de achtergrond. Toen onze voorouders vanuit het oude Atlantis naar het oosten trokken, was deze gebeurtenis onlosmakelijk verbonden met het verlies van die oude helderziendheid en het verwerven van uiterlijke zintuiglijke waarneming, evenals met de beheersing van vermogens zoals tellen, rekenen en oordeelsvorming.

Bei jenem kleinen Häuflein in der Nähe des heutigen Irland hatte sich zuerst die Fähigkeit des Rechnens, Zählens und so weiter ausgebildet. Diese Menschen zogen zunächst nach dem Osten hinüber, und mit den hereinbrechenden Fluten des Ozeans zogen ihnen immer andere Völkerschaften nach; sie bevölkerten den Boden des heutigen Europa. So war ein zweifaches Anschauen der Dinge beidiesen Völkerschaften da: die äußere Beobachtung der Sinneswelt, das Zählen, Rechnen, Kombinieren, was dazu führte, daß die heutigen technischen Fortschritte, Maschinen, Verkehrsmittel und so weiter, errungen werden konnten.
Im Herzen trugen diese Völker aber noch etwas anderes: die Erinnerung an jene Welten des Geistes, in die sie hineingeschaut hatten, und die Sehnsucht, durch irgendwelche Mittel diese geistigen Welten wieder zu erobern.
Nun stellen wir uns einmal recht lebhaft diese Vorfahren im alten Europa vor. Nicht gleichzeitig haben sie alle mit dem Herüberwandern die Gabe des alten Hellsehens verloren. Viele, ja zahlreiche Leute, die herübergewandert waren, haben noch vollgültige Reste des alten Hellsehens auch nach Europa mitgebracht. Es gab viele unter diesen Vorfahren, die, wenn sie sich in der Dämmerung des Abends oder in der Nacht still hinsetzten, in ein lebhaftes Träumen versanken, das mehr als das heutige Träumen bedeutete; sie sahen
noch hinein in die geistige Welt.

Binnen die kleine groep in de nabijheid van het huidige Ierland ontstond voor het eerst het vermogen tot rekenen, tellen en dergelijke. Deze mensen trokken aanvankelijk in oostelijke richting, en – naarmate het oceaanwater oprukte – volgden andere volkeren in hun spoor, om uiteindelijk de gebieden van het huidige Europa te bevolken. Zo beschikten deze volkeren over een tweeledige blik: enerzijds de uiterlijke waarneming van de zintuiglijke wereld – het tellen, rekenen en combineren – wat de weg vrijmaakte voor de technologische vooruitgang, de machines en de vervoersmiddelen die we vandaag de dag zien. Toch droegen deze volkeren diep in hun hart iets anders met zich mee: de herinnering aan die spirituele werelden waarin zij ooit hadden kunnen kijken, en het verlangen om die spirituele sferen op de een of andere manier te herwinnen. Laten we ons deze voorouders in het oude Europa levendig voor de geest halen. Zij verloren niet allemaal de gave van de oude helderziendheid op het moment van hun migratie; integendeel, velen – ja, zelfs grote aantallen – van degenen die migreerden, namen werkelijke overblijfselen van die oude helderziendheid mee naar Europa. Onder deze voorouders waren er velen die, wanneer ze in de schemering of ’s nachts rustig neerzaten, in een staat van levendige droombeelden raakten – een ervaring die veel diepgaander was dan het dromen dat wij tegenwoordig kennen – omdat zij nog steeds in staat waren om in de spirituele wereld te kijken.

Blz. 18

Noch hatten sich unzählige Menschen nicht nur die Erinnerung daran bewahrt, sondern sogar die Fähigkeit, in gewissen Ausnahmezuständen des Lebens in die geistigen Welten hineinzublicken. Und die anderen, die diese Fähigkeit verloren hatten, hatten dafür eine Eigenschaft, die im Laufe der Entwickelung viel mehr abhanden gekommen ist, als man gewöhnlich denkt: Es gab in alten Zeiten, namentlich in der Bevölkerung Mittel- und Osteuropas, eine Eigenschaft, die weit verbreitet war, in einer Intensität, von der man sich heute keine Vorstellung macht, und das war das Vertrauen, der treue Glaube. Diejenigen, die etwas über die geistigen Welten zu sagen wußten, die fanden Gehör, sie fanden Glauben, weil Liebe und Vertrauen gerade in jenen europäischen Ländern eine große, eine bedeutsame Kraft hatten.
Jenes Kritisieren und Pochen auf die eigene Überzeugung, wie man es heute findet, war etwas, woran damals überhaupt kein Mensch dachte.

Ontelbare mensen bewaarden niet alleen de herinnering hieraan, maar zelfs het vermogen om in bepaalde uitzonderlijke levensfasen in de geestelijke werelden te blikken. En zij die dit vermogen hadden verloren, bezaten in plaats daarvan een eigenschap die in de loop van de evolutie in veel sterkere mate verloren is gegaan dan algemeen wordt beseft: in vroeger tijden – met name onder de bevolking van Centraal- en Oost-Europa – bestond er een wijdverbreide eigenschap, aanwezig met een intensiteit die we ons vandaag de dag nauwelijks kunnen voorstellen, namelijk vertrouwen – een standvastig geloof. Wie over de geestelijke werelden sprak, vond gehoor en geloof, omdat liefde en vertrouwen krachtige, wezenlijke krachten waren in juist die Europese gebieden. De neiging tot kritiek en het vasthouden aan de eigen overtuiging – tegenwoordig zo alomtegenwoordig – was iets dat destijds bij niemand opkwam.

Diese Dinge aber sind es, die es heute notwendig machen, daß ein jeder selber zur geistigen Welt geführt wird. Das war in jener Zeit wegen des starken, großen Vertrauens nicht notwendig. Wenn wir die alte Bevölkerung Europas überblicken, sehen wir auf dem Grunde der Seelen dieser Leute, daß sie ein volles Bewußtsein hatten von den hinter der sinnlichen Welt stehenden geistigen Welten.
Und nun wollen wir uns einmal das Werden der neuen Anschauung des nun durch seine Sinne zu den Gegenständen hinblickenden Menschen klarmachen. Ich habe schon angedeutet, daß bei jenem kleinen Häuflein im Norden, in der Nähe des heutigen Irland, ein Ereignis eintrat, durch welches das Rechnen, das Zählen und Kombinieren eine Fähigkeit des Menschen geworden ist. Ich habe schon früher angedeutet, daß dazumal des Menschen Ätherkopf hineingerückt ist in den physischen Kopf. Während früher der Teil des Ätherkopfes in der Nähe der Augenbrauen außerhalb des physischen Gehirnes war, rückte er jetzt hinein, und beide wurden eine Einheit.

Toch zijn dit juist de zaken die het vandaag de dag noodzakelijk maken dat ieder individu persoonlijk naar de geestelijke wereld wordt geleid. In vroegere tijden was dit niet nodig, dankzij een diep en krachtig vertrouwen. Wanneer we terugblikken op de oude bevolkingsgroepen van Europa, nemen we – diep in hun ziel – een volledig bewustzijn waar van de geestelijke werelden die achter de zintuiglijke wereld liggen.
Laten we nu verduidelijken hoe de nieuwe zienswijze ontstond: het perspectief van de mens die via de zintuigen naar de dingen om zich heen kijkt.
Ik heb er al op gewezen dat er in een kleine groep in het noorden – nabij het huidige Ierland – een gebeurtenis plaatsvond die het rekenen, tellen en combineren omvormde tot menselijke vermogens. Ik heb eerder vermeld dat in die tijd het menselijke etherhoofd in het fysieke hoofd verschoof. Waar het deel van het etherhoofd ter hoogte van de wenkbrauwen voorheen buiten de fysieke hersenen bestond, bewoog het zich nu naar binnen en smolten de twee samen tot één geheel.

Blz. 19

Dadurch erlangte der Mensch die Fähigkeit des Selbstbewußtseins, des Ichbewußtseins, er erlangte die Fähigkeit, zu urteilen und hinzuschauen zu den Gegenständen. Der Atherkopf, der heute mit der Form des physischen Kopfes zusammenfällt, stand bei den alten Atlantiern weit vor der Stirn hervor, daher ihr Hineinsehen in die geistige Welt, ihr Hellsehen. Nun versetzen wir uns einmal in die Seele der atlantischen Bevölkerung, versetzen wir uns in jene alten Zeiten, wo die Menschen noch ihren Atherkopf weit außerhalb ihres physischen Kopfes hatten, und versetzen wir uns dann in jene Zeiten gegen Ende der Atlantis, wo die beiden schon zusammengefallen waren. Der Atlantier konnte schauen, wie der Atherkopf nach und nach hineinrückte, er war ja noch hellsehend, er sah das.
Wie sah er nun dieses Hineinrücken des Ätherkopfes in den physischen Kopf? Als etwas ganz besonderes kam dem Atlantier dieses Hineinrücken des Ätherkopfes vor. Das wollen wir uns einmal vor die Seele rücken; ich will es Ihnen beschreiben.

Hierdoor verwierf de mens het vermogen tot zelfbewustzijn – tot een besef van het ‘Ik’ – en het vermogen om oordelen te vellen en objecten waar te nemen. Het etherische hoofd, dat tegenwoordig samenvalt met de vorm van het fysieke hoofd, stak bij de oude Atlantiërs ver voor het voorhoofd uit; dit verklaart hun vermogen om in de geestelijke wereld te kijken – hun helderziendheid. Laten we ons nu verplaatsen in de ziel van de Atlantiërs – in die oude tijden waarin het etherische hoofd van de mens nog ver buiten het fysieke hoofd uitstak – en vervolgens in de tijd tegen het einde van het Atlantische tijdperk, toen de twee reeds in elkaar waren opgegaan. De Atlantiër kon waarnemen hoe het etherische hoofd zich geleidelijk naar binnen verplaatste; als helderziende kon hij dit proces zelf zien voltrekken. Hoe nam hij deze inwaartse beweging van het etherische hoofd in het fysieke hoofd dan waar? Voor de Atlantiër deed deze inwaartse beweging zich voor als iets werkelijk buitengewoons. Laten we ons dit levendig voor de geest halen; ik zal het u beschrijven.

Woher, fragte sich der Atlantier, kommen denn die Kräfte, die mir jetzt zuteil werden? – Vorher hatte der Mensch um sich herum eine geistige Welt gesehen. Was zeigte ihm diese geistige Welt um ihn herum? Machen Sie sich das einmal ganz klar. Wenn Sie jetzt plötzlich hellsehend werden könnten, bis zu dem Grade, wie es der Atlantier war, was würde da in Ihrer Seele vorgehen? Sie würden geistige Wesenheiten um sich herum sehen. Die physische Welt
würde sich bevölkern mit Wesenheiten des astralischen, des geistigen Planes, und die würden Sie sehen. Woher würde das kommen?
Durch Ihre eigenen Fähigkeiten, die jetzt in Ihrer Seele schlummern, die Sie dann aber entwickelt hätten. Es würde Ihnen so erscheinen, wie wenn etwas aus Ihnen selbst herausstrahlte. Was heute aus Ihnen herausstrahlt in die Welt, das war ja damals zur Zeit der alten Atlantis erst in Sie hineingestrahlt. Alle Anschauungen, die der Mensch heute sich bilden kann in bloßen Begriffen von der geistigen Welt, das waren zu jener Zeit lebendige Wesenheiten für ihn, und
der Atlantier sah, wie etwas hineinzog in ihn und in ihm Fähigkeiten anregte. Er sagte sich: Ich fange an, mit meinen Augen die Dinge zu sehen, mit meinen Ohren Geräusche, Töne zu hören, ich fange an zu sehen, was draußen sinnlich wahrnehmbar ist.

“Waar,” zo vroeg de Atlantiër zich af, “komen de vermogens vandaan die mij nu worden geschonken?” Voorheen namen mensen een geestelijke wereld om zich heen waar. Wat openbaarde deze omringende geestelijke wereld hun? Probeer je dit helder voor de geest te halen. Als je plotseling helderziend zou worden – in dezelfde mate als de Atlantiër –, wat zou er zich dan in je ziel afspelen? Je zou geestelijke wezens om je heen zien. De fysieke wereld zou bevolkt raken met wezens uit de astrale en geestelijke sferen, en jij zou ze zien. Waar zou dit vandaan komen? Uit je eigen vermogens – vermogens die nu in je ziel sluimeren, maar die je dan ontwikkeld zou hebben. Het zou voor jou lijken alsof er iets vanuit je innerlijk naar buiten straalde. Wat tegenwoordig vanuit jou de wereld in straalt, was in de tijd van het oude Atlantis iets dat in jou binnenstraalde. Alle begrippen over de geestelijke wereld die een mens zich tegenwoordig kan vormen – louter abstracte ideeën – waren voor de mensen van die tijd levende wezens; de Atlantiër zag iets dat zijn wezen binnenstroomde en vermogens in hem deed ontwaken. Hij zei tegen zichzelf: “Ik begin dingen te zien met mijn ogen en geluiden en tonen te horen met mijn oren; ik begin waar te nemen wat in de wereld om mij heen zintuiglijk waarneembaar is.”

Blz. 20

Woher kommen diese Fähigkeiten? Sie strahlten von außen in den Menschen
hinein.
Wir wollen die alte Atlantis noch einmal so recht ins Auge fassen.
Das Land war bedeckt mit weiten Wassernebelmassen; diese Wassernebelmassen waren von verschiedener Dichte in der ersten und in der letzten atlantischen Zeit, namentlich waren sie in der Nähe des heutigen Irland anders als in den sonstigen Gegenden. Die Wasser- und Nebelmassen waren zuerst warm und heiß. Im südlichen Teil der Atlantis waren sie noch warm, zum Teil heiß, wie warme, heiße Rauchmassen; gegen Norden zu waren sie kälter. Insbesondere gegen das Ende der atlantischen Zeit trat eine mächtige Abkühlung ein. Nun war es gerade diese Abkühlung der Nebelmassen, diese
nordische Kälte, welche die neue Anschauung, das neue Seelenleben aus den Menschen herauszauberte. Niemals hätten unter den Gluten der Hitze des Südens der Intellekt, die Urteilskraft zuerst sich in der Menschheit entwickeln können. Der Atlantier in der Nähe Irlands fühlte Fähigkeiten in sich hineinströmen, die ihn so durchdrangen, daß er fähig wurde, mit seinen Sinnesorganen die Dinge draußen zu sehen, zu hören und so weiter. Er empfand das so, daß er es der Abkühlung der Luftmassen zu verdanken hatte.

Waar kwamen deze vermogens vandaan? Ze straalden van buitenaf op de mens in.
Laten we het oude Atlantis eens nader bekijken.
Het land was bedekt met enorme massa’s waterige nevel; de dichtheid van deze massa’s varieerde tussen de vroege en late Atlantische periodes – zo verschilden de omstandigheden nabij het huidige Ierland van die in andere regio’s. Aanvankelijk waren deze water- en nevelmassa’s warm tot heet. In het zuidelijke deel van Atlantis bleven ze warm – en op sommige plaatsen heet – en deden ze denken aan massa’s warme, verhitte rook; naar het noorden toe waren ze kouder. Er trad een aanzienlijke afkoeling op, vooral tegen het einde van het Atlantische tijdperk. Juist deze afkoeling van de nevelmassa’s – deze noordelijke kou – riep een nieuwe manier van wereldwaarneming en een nieuw innerlijk leven bij de mens op. Het intellect en het oordeelsvermogen hadden zich bij de mensheid nooit kunnen ontwikkelen in de verzengende hitte van het zuiden. De Atlantiër die nabij Ierland leefde, voelde vermogens in zich binnenstromen – vermogens die hem zo diep doordrongen dat hij in staat raakte om de buitenwereld te zien, te horen en op andere manieren waar te nemen via zijn zintuigen. Hij ervoer dit als iets wat hij te danken had aan de afkoeling van de luchtmassa’s.

Zu dem Wahrnehmen äußerer Gegenstände durch Sinnesorgane gehören Nerven. Zu jedem unserer Sinnesorgane gehen Nerven vom Gehirn aus. Augennerven, Geruchs-, Gehörnerven und so weiter haben wir. Diese Nerven, die heute den Menschen fähig machen, die Sinneseindrücke sich zum Bewußtsein zu bringen, waren untätig, bevor die äußere sinnliche Anschauung der Dinge da war. Sie vermittelten nicht das äußere Anschauen, sie hatten eine innere Aufgabe. Der atlantische Mensch sah damals die Kräfte an sich herankommen, die diese Nerven in ihm zu Sinnesorganen machten. Er empfand diese ganze Situation so, wie wenn in den Kopf von außen hineinfluteten die Strömungen, welche dann seine Nerven im Kopf durchsetzten.
Nun gibt es unter den Nerven im Kopfe, die dazumal tätig wurden und die wir heute noch anatomisch nachweisen können, zwölf Paare, und zwar zehn Paare, die vom Kopfe ausgehend sich gliedern, um die einzelnen Sinnesorgane in Tätigkeit zu setzen.

Zenuwen spelen een rol bij de waarneming van uiterlijke objecten via de zintuigen. Vanuit de hersenen lopen zenuwen naar elk van onze zintuigen; we beschikken over oogzenuwen, reukzenuwen, gehoorzenuwen, enzovoort. Deze zenuwen – die de mens tegenwoordig in staat stellen zintuiglijke indrukken tot bewustzijn te brengen – waren inactief voordat de uiterlijke zintuiglijke waarneming van dingen bestond. Ze dienden niet voor uiterlijke waarneming; ze hadden veeleer een innerlijke functie. In die tijd nam de Atlantische mens de krachten waar die op hem afkwamen en die deze zenuwen in hem tot zintuigen omvormden. Hij beleefde deze hele situatie alsof er stromingen van buitenaf zijn hoofd binnenstroomden – stromingen die vervolgens de zenuwen in zijn hoofd doordrongen.
Tot de zenuwen in het hoofd die in die tijd actief werden – en waarvan we het bestaan ​​ook nu nog anatomisch kunnen aantonen – behoren twaalf paren; meer specifiek zijn er tien paren die vanuit het hoofd uitwaaieren om de afzonderlijke zintuigen te activeren.

De wetenschap meldt dit:

Bron: ChatGPT

Wenn Sie zum Beispiel die Augen bewegen, so sind dazu die Augenmuskelnerven da und nicht der Sehnerv. Also zehn Paare, die zu den einzelnen Sinnesorganen gehen, und zwei Paare, die tiefer hinuntergehen und die den Verkehr vermitteln zwischen dem sinnlichen Wahrnehmen und der Gehirntätigkeit. Der Atlantier fühlte zwölf Strömungen in sich hineingehen, in sein Gehirn und hinunter in seinen Leib. Das sah er. Was Sie jetzt als Nerven in sich haben, wurde für sein Wahrnehmen erzeugt durch zwölf in ihn hineingehende Ströme. Wenn nun diesem Umstände, daß die Luft sich abkühlte und das ganze Niflheim ein kaltes Land wurde, die zwölf Nervenstränge verdankt werden, so war doch noch etwas anderes dazu notwendig, um die menschlichen Sinnesorgane zu gestalten. Bevor die menschlichen Sinnesorgane gestaltet waren, hatte auch das Herz noch eine ganz andere Aufgabe. Die Blutzirkulation muß eine andere gewesen sein bei einem Wesen, das sich hellseherisch, geistig die Farben und Töne der Umgebung vor die Seele zaubert, als bei dem atlantischen Menschen, dem die äußere Welt allmählich für die äußeren Sinne wahrnehmbar auftauchte.

Wanneer u bijvoorbeeld uw ogen beweegt, zijn het de zenuwen die de oogspieren aansturen die dit mogelijk maken, en niet de oogzenuw. Er zijn dus tien paren die verbonden zijn met de afzonderlijke zintuigen, en twee paren die dieper reiken en de wisselwerking tussen zintuiglijke waarneming en hersenactiviteit bemiddelen. De Atlantiër voelde hoe twaalf stromen zijn wezen binnenstroomden – zijn hersenen in en omlaag zijn lichaam in. Hij nam dit waar. Wat u nu in u draagt ​​als zenuwen, ontstond voor zijn waarneming doordat er twaalf stromen zijn wezen binnenstroomden. Hoewel de twaalf zenuwbanen hun bestaan ​​te danken hebben aan het feit dat de lucht afkoelde en het hele rijk Niflheim een ​​koud gebied werd, was er iets anders nodig om de menselijke zintuigen te vormen. Voordat de menselijke zintuigen werden gevormd, had ook het hart een totaal andere functie. De bloedsomloop moet anders zijn geweest bij een wezen dat – door middel van helderziendheid en geestelijke vermogens – de kleuren en geluiden van de omgeving voor zijn ziel opriep, in vergelijking met de Atlantische mens, voor wie de uiterlijke wereld geleidelijk aan in de waarneming van de uiterlijke zintuigen verscheen.

Diese Umgestaltung des Herzens hat niemals kommen können von den kalten Teilen der Atlantis. Sie mußte dadurch kommen, daß die menschliche Organisation von anderswoher angefacht wurde. Die Umgestaltung des Herzens hat der wärmere, südliche Erdstrich der Atlantis bewirkt.
Sie müssen sich das so vorstellen, daß beide Strömungen auf den Atlantier eingewirkt haben, die kalten Ströme des Nordens und die warmen Ströme des Südens. Die warmen Ströme haben in das Herz Feuer hineinkommen lassen, sie haben es auflodern lassen zu Enthusiasmus, während der andere Teil der Menschennatur angefacht wurde vom kalten Norden. Die Strömungen, die von Norden kamen, haben des Menschen Stirn [andere Nachschrift: Hirn] so weit
umgebildet, daß der Mensch ein Denker, ein sinnlich Anschauender werden konnte. Der Kopf des Atlantiers war ganz anders gebildet als der Kopf des Menschen von heute. Gerade was diese Kräfte der zwölf Ströme des Nordens bewirkt haben, das hat den Menschen zum Denker gemacht. Und die warme Strömung des Südens hat ihm sein Gefühl, seine Empfindungsart und auch seine heutige Sinnlichkeit gegeben.

Deze transformatie van het hart had nooit kunnen ontstaan ​​in de koude streken van Atlantis. Ze moest tot stand komen doordat de menselijke constitutie van elders werd gestimuleerd. Het was de warmere, zuidelijke streek van Atlantis die deze transformatie van het hart teweegbracht.
Men moet zich dit als volgt voorstellen: beide stromingen werkten in op de Atlantiër – de koude stromingen uit het noorden en de warme stromingen uit het zuiden. De warme stromingen brachten vuur in het hart, waardoor het in geestdrift ontvlamde, terwijl het andere aspect van de menselijke natuur door het koude noorden werd gestimuleerd. De stromingen uit het noorden transformeerden het menselijk voorhoofd [alternatieve transcriptie: de hersenen] in zo’n mate dat de mens een denker kon worden en een wezen dat tot zintuiglijke waarneming in staat was. Het hoofd van de Atlantiër was heel anders gevormd dan dat van de moderne mens. Juist de werking van deze krachten uit de twaalf noordelijke stromingen maakte de mens tot een denker. Tegelijkertijd schonk de warme stroming uit het zuiden hem zijn vermogen tot voelen, zijn wijze van gewaarworden en zijn huidige zintuiglijke natuur.

Blz. 22

Das, was das Blut dadurch erhielt, strömte in das Herz ein, das dadurch ein ganz anderes Organ geworden ist. Dadurch, daß das Blut, der den Menschen ernährende Saft, die ganze Blutzirkulation, anders geworden ist, mußte auch die äußere Ernährung des Leibes eine andere werden. So können wir sagen: Von zwei Seiten her ist an dem Menschen gearbeitet worden in jener Zeit. Es ist sein physischer Leib so umgeschaffen worden, daß er auf der einen Seite der Träger des Gehirnes werden konnte, und auf der anderen Seite so, daß der Leib mit dem Blute versorgt worden ist, das dieser umgestaltete Mensch nötig hatte.
Diese Vorgänge stellten sich der Anschauung des Atlantiers im Bilde dar. In der astralen Anschauung stellt sich ja alles im Bilde dar.
Das Einfließen der geistigen Strömungen, die unsere Nerven heranbildeten, stellte sich ihm dar als zwölf aus dem kalten Norden herunterkommende Ströme; und das, was das Herz umbildete, stellte sich ihm dar als das Feuer, das von Süden heraufkam. Das, was den physischen Kopf umbildete zu dem des heutigen anschauenden Menschen, stellte sich ihm dar als das Bild des Urmenschen, und das Ernährende im Menschen stellte sich ihm dar als ein anderes Bild, als das Bild des sich ernährenden Tieres.

Wat het bloed op deze wijze ontving, stroomde naar het hart, dat daardoor een totaal ander orgaan werd. Omdat het bloed – de vloeistof die de mens voedt – en de gehele bloedsomloop waren veranderd, moest noodzakelijkerwijs ook de wijze waarop het fysieke lichaam werd gevoed, veranderen. We kunnen dus zeggen dat er in die tijd vanuit twee richtingen op de mens werd ingewerkt. Zijn fysieke lichaam werd zodanig omgevormd dat het enerzijds de drager van de hersenen kon worden, en anderzijds werd voorzien van het specifieke bloed dat deze getransformeerde mens nodig had.
Deze processen deden zich aan de waarneming van de Atlantiër voor in de vorm van beelden; immers, bij astrale waarneming verschijnt alles als beeld. De instroom van de geestelijke stromingen die onze zenuwen vormden, verscheen hem als twaalf stromen die uit het koude noorden neerdaalden, terwijl de kracht die het hart omvormde, verscheen als vuur dat uit het zuiden opsteeg. De kracht die het fysieke hoofd omvormde tot dat van de moderne, waarnemende mens, verscheen hem als het beeld van de oermens, terwijl het voedende principe in de mens als een ander beeld verscheen: dat van het dier dat voedsel tot zich neemt.

Wie trat nun derjenige vor das Volk hin, der dies alles gesehen hatte? Wie drückte er sich aus? Er drückte sich in Bildern aus. Denn das, was wir jetzt hier gesagt haben, das würden die Leute dazumal nicht verstanden haben. Aber sie hatten sich ja noch ein altes Hellsehen bewahrt; wenn man zu ihnen in Bildern sprach, so konnten sie die großen bedeutsamen Wahrheiten verstehen. Diese Methode wurde auch an den druidischen Schulen ausgeübt. Die alten Priesterweisen sprachen zu dem Volke auf folgende Weise: Bevor ihr habt hineinsehen können in diese Welt, die erfüllt ist von Pflanzen und Tieren, von all den Gegenständen, die ihr jetzt draußen unterscheiden könnt, war nichts da als ein finsterer, gähnender Raum, wie ein Abgrund. Ihr sähet die Bilder in den Raum hinein. Aber alles das, was jetzt da ist, ging hervor aus diesem Abgrund, aus Ginnungagap, – das ist das alte germanische Chaos. Nun erzählte man weiter:

Hoe presenteerde degene die dit alles had aanschouwd, zich vervolgens aan het volk? Hoe drukte hij zich uit? Hij sprak in beelden. Want de mensen van die tijd zouden niet hebben begrepen wat wij hier zojuist hebben beschreven. Toch bezaten zij nog een vorm van oude helderziendheid; wanneer er in beelden tot hen werd gesproken, waren zij in staat grote en diepzinnige waarheden te doorgronden. Deze werkwijze werd ook in de druïden-scholen toegepast. De oude priester-wijzen spraken het volk op deze wijze toe:
Voordat men in deze wereld kon kijken – vol planten en dieren en alle voorwerpen die u nu om u heen kunt onderscheiden – was er niets anders dan een donkere, gapende ruimte, als een afgrond. In die ruimte zag men beelden. Toch kwam alles wat nu bestaat voort uit deze afgrond, uit Ginnungagap – de oude Germaanse chaos. Vervolgens ging het verhaal verder:

Blz. 23

Von Norden her flössen zwölf Ströme, und von Süden her kamen die Feuerfunken. Dadurch, daß die Feuerfunken des Südens sich verbanden mit den zwölf Strömen des Nordens, entstanden zwei Wesen: der Riese Ymir und die Kuh Audhumbla.
Was ist nun der Riese Ymir? Ymir ist der denkende Mensch, der entstanden ist, sich herausgebildet hat aus dem Ghaos – aus Ginnungagap; und die Kuh Audhumbla ist das neue Ernährende und das neue Herz. In der menschlichen Gestalt sind vereinigt der Riese Ymir und die Kuh Audhumbla.
Wie müssen wir uns vorstellen, daß der alte Druide, der Priesterweise zu den Menschen sprach? Er hatte die Weisheit, er wußte von dem was geschehen war. Er sprach zu solchen Menschen, die sich entweder ein altes Hellsehen in Ausnahmemomenten noch erhalten hatten, oder zu solchen, die Vertrauen hatten. Er wußte, er wird verstanden, wenn er den Vorgang der Menschwerdung so erzählt, wie er sich dem astralen Sehen darbietet. Die zwölf Ströme, die aus dem Norden kommen und die zwölf Nervenpaare bilden, verbinden sich mit den Feuerfunken, die aus dem Süden hervorsprühen, die das Herz und das Ernährungssystem bilden.

Twaalf stromen vloeiden vanuit het noorden, en vuurvonken kwamen vanuit het zuiden. Door de vereniging van de vurige vonken uit het zuiden met de twaalf stromen uit het noorden ontstonden twee wezens: de reus Ymir en de koe Audhumbla.
Wat is dan de reus Ymir? Ymir is de denkende mens die ontstond – die tevoorschijn kwam – uit de chaos, uit Ginnungagap; en de koe Audhumbla vertegenwoordigt het nieuwe voedende principe en het nieuwe hart. De reus Ymir en de koe Audhumbla zijn verenigd in de menselijke gestalte.
Hoe moeten we ons de oude druïde – de wijze priester – voorstellen terwijl hij tot het volk spreekt? Hij bezat wijsheid; hij wist wat er was gebeurd. Hij sprak tot hen die ofwel een rest van oude helderziendheid hadden behouden tijdens momenten van verhoogd bewustzijn, ofwel tot hen die geloof hadden. Hij wist dat hij begrepen zou worden als hij het proces van menselijke incarnatie vertelde
zoals het zich aan de astrale blik openbaart. De twaalf stromen die vanuit
het noorden komen – en die de twaalf zenuwparen vormen – verenigen zich met de vurige vonken die vanuit het zuiden naar buiten spatten, en die het hart en het voedingssysteem vormen.

Das sind die beiden Kräfte, die als Riese Ymir und als Kuh Audhumbla sich darstellen – wie schön wird das erzählt in der germanischen Genesis! Zwei Welten entstanden – so hören wir -: das kalte Niflheim und das heiße,
flammensprühende Muspelheim. Niflheim entläßt die zwölf Ströme,
Muspelheim entläßt die Feuerfunken.
Und jetzt gehen wir ein Stück weiter. Wir wissen, daß damals, in
jenem Moment, wo sich der Ätherleib des Kopfes mit dem physischen Kopf vereinigte, das Ich entstand als ein klares, selbstbewußtes
Ich. Vorher konnte der Mensch zu sich nicht «Ich» sagen. Der
Mensch fühlte sich zwar schon als ein Ich-Wesen, aber es war ihm
noch nicht das Ich-Bewußtsein aufgegangen. Mit diesem Ich-Werden
zusammen mußte der Mensch erkennen, was sich da umgestaltet und
herausgebildet hatte. Er war im höheren Sinne ein Ich geworden.
Nun betrachten wir das einmal, was alles entstanden war im Menschen. Es war das entstanden, was von den zwölf Strömen kam, das
ist das, was seinen Kopf mit den Gehirnnerven durchsetzte. Es war
aber auch das entstanden, was seiner Natur nach nicht mit dem
Kopf zusammenhängt, dasjenige, was seiner Natur nach abstammt
von der Kuh Audhumbla.

Dit zijn de twee krachten die zich manifesteren als de reus Ymir en de koe Audhumbla — hoe prachtig wordt dit verteld in het Germaanse scheppingsverhaal! Er ontstonden twee werelden — zo wordt ons verteld —: het koude Niflheim en het hete, vlammen spuwende Muspelheim. Niflheim brengt de twaalf stromen voort; Muspelheim brengt de vuurvonken voort.
En laten we nu een stap verder gaan. We weten dat destijds, op het moment dat het etherlijf van het hoofd zich verenigde met het fysieke hoofd, het “Ik” tevoorschijn kwam als een helder, zelfbewust “Ik”. Daarvoor kon de mens niet “Ik” tegen zichzelf zeggen. De mens voelde zich weliswaar een “Ik”-wezen, maar
het “Ik”-bewustzijn was nog niet in hem ontwaakt. Tegelijk met dit “Ik”-worden
moest de mens herkennen wat daar was omgevormd en gevormd. Hij was een “Ik” in hogere zin geworden.
Laten we nu beschouwen wat er in de mens was ontstaan.
Er was datgene ontstaan ​​wat afkomstig was uit de twaalf stromen — datgene wat zijn hoofd doordrong met de hersenzenuwen.
Maar er was ook datgene ontstaan ​​wat naar zijn aard niet verbonden is met het hoofd — datgene wat naar zijn aard voortkomt uit de koe Audhumbla.

Blz. 24

Diese zwei Naturen haben sich dazumal zusammengefügt; das können Sie förmlich sehen. Versuchen Sie, sich klarzumachen, wie alles, was von den zwölf Strömen des Nordens kam, eingeschlossen ist im Schädel und im Rückenmark. Alles andere ist angesetzt; die Rippen und die darunterliegenden Organe sind das, was von Süden her kam aus den Feuerfunken, die Kuh Audhumbla; es hat sich herausgebildet aus einem ganz anderen Menschheitszustande und angegliedert an das Frühere. Was hat sich da gebildet? Das eine, das sich gebildet hat aus einem ganz anderen Menschheitszustande heraus ist das geschlechtliche Prinzip. Zwar war das Geschlechtsprinzip schon gebildet im alten Lemurien, aber erst mit dem Auftreten des Ich-Bewußtseins ist es dem Menschen auch zum Bewußtsein gekommen. Vor diesem Zeitpunkte war der
Mensch mehr oder weniger unbewußt; der Geschlechtsakt ging wie in einem Traumzustande, einem dämmerhaften Zustande vor sich.
Das zweite, was dem Menschen gegeben wurde, war die Gestalt des
Herzens selber.

Deze twee naturen versmolten destijds; dat kun je letterlijk zien. Probeer
te doorgronden hoe alles wat uit de twaalf stromen van het Noorden voortkwam, besloten ligt in de schedel en het ruggenmerg. Al het andere werd daaraan toegevoegd; de ribben en de daaronder gelegen organen zijn afkomstig uit het Zuiden – uit de vurige vonken, uit de koe Audhumbla; dit kwam voort uit een totaal andere staat van mens-zijn en werd verbonden met wat reeds bestond. Wat werd daar gevormd? Het ene dat voortkwam uit een totaal andere staat van mens-zijn, is het seksuele principe. Hoewel het seksuele principe reeds in het oude Lemurië was gevormd, trad het pas met de opkomst van het “Ik-bewustzijn” ook in het menselijk bewustzijn binnen. Vóór dat tijdstip
waren mensen min of meer onbewust; de seksuele daad vond plaats als in een droomtoestand, een schemertoestand.
Het tweede dat de mensheid werd geschonken, was de vorm van het
hart zelf.

Und ein drittes, das ihm gegeben wurde, das nach und nach in dieser Zeit sich herausbildete, das war die Sprache.
Die Sprache ist auch ein Geschöpf der Atlantis. Ohne die Sprache können Sie sich nicht die Entwickelung des Denkens, der höheren Geistigkeit vorstellen. Und auch ohne das umgestaltete Herz und ohne das veränderte, das bewußte geschlechtliche Prinzip können Sie sich dies nicht vorstellen. So erscheint der Mensch merkwürdig gegliedert. Sein Denken, sein äußeres Anschauen sind
eingegliedert worden seinem Kopfe. Beigegeben ist diesem ein dreifaches: das bewußte Geschlechtsprinzip, das bewußte Herzprinzip und die bewußte Sprache, die der Ausdruck seiner inneren Wesenheit ist.
Machen wir uns nun gegenwärtig, wie sich dies der astralen Anschauung darstellt. Der astrale Seher sieht dies wiederum in einem Bilde, wie ein Baum stellt es sich ihm dar, ein Baum, der drei Wurzeln hat. Die eine Wurzel ist die Geschlechtlichkeit, die zweite ist das Herz und die dritte die Sprache. Diese drei Wurzeln sind in Korrespondenz mit dem Geistigen, dem Kopfe. Fortwährend gehen Nervenströmungen hin und her.

En een derde element dat hem werd geschonken – en dat in die tijd geleidelijk ontstond – was de taal. Ook de taal is een schepping van Atlantis. Zonder taal is de ontwikkeling van het denken of van een hogere spiritualiteit niet denkbaar. Evenmin is dit denkbaar zonder het getransformeerde hart en het gewijzigde, bewuste principe van de seksualiteit. De mens blijkt dus op een merkwaardige wijze te zijn opgebouwd. Zijn denken en zijn uiterlijke waarneming zijn in zijn hoofd geïntegreerd. Daarmee hangen drie elementen samen: het bewuste principe van de seksualiteit, het bewuste principe van het hart en de bewuste taal – die de uitdrukking vormt van zijn innerlijke wezen.
Laten we ons nu voor de geest halen hoe dit zich aan de astrale waarneming voordoet. De astrale ziener neemt dit waar in de vorm van een beeld: namelijk als een boom met drie wortels. De ene wortel is de seksualiteit, de tweede is het hart en de derde is de taal. Deze drie wortels corresponderen met het geestelijke element, het hoofd. Voortdurende stromen zenuwimpulsen heen en weer tussen deze elementen.

Blz. 25

Der Hellseher kann das so sehen, wie wenn ein Wesen fortwährend von unten nach oben und von oben nach unten läuft. Es erscheint so, wie wenn das Obere, das Geistige, fortwährend bekämpft würde durch das, was von unten kommt. Es widerstreiten sich diese beiden Strömungen. Der Mensch würde niemals in seinen unteren Gliedern leben können, ohne durch die vom Kopf kommenden zwölf Nervenströme befruchtet zu werden. Im Blute tropfen die geistigen Ernährungssäfte von oben nach unten. So sieht der Hellseher im Bilde das Werden des neuen Menschen, wie es sich in der letzten Zeit der atlantischen
Epoche vorbereitet hat für die nachatlantische Zeit.
Der alte Druidenweise mußte so sprechen, daß er den Menschen sagte: So sieht man die Sache. – Die Menschen hatten ja noch das astrale Hellsehen, und so konnte er ihnen noch schildern, was er auf dem astralen Plane sah. Daher lehrte er: Was im Menschen entstanden ist und heute in ihm lebt – die Ich Persönlichkeit -, entspringtaus drei Quellen.

De helderziende kan dit waarnemen als een wezen dat zich voortdurend van beneden naar boven en van boven naar beneden beweegt. Het lijkt alsof het hogere – het geestelijke – voortdurend wordt bestreden door dat wat van beneden opstijgt; deze twee stromingen zijn met elkaar in conflict. De mens zou nooit in zijn lagere wezensdelen kunnen leven zonder bezield te worden door de twaalf zenuwstromen die vanuit het hoofd afdalen. Geestelijke voedingsstromen druppelen van bovenaf in het bloed. Zo ziet de helderziende in dit beeld het ontstaan ​​van de nieuwe mens – een proces dat zich tijdens de laatste fase van het Atlantische tijdperk voorbereidde op het post-Atlantische tijdperk.
De oude Druïden-wijze moest zo spreken dat hij de mensen kon zeggen: “Zo ziet de zaak eruit.” Want de mensen beschikten nog over astrale helderziendheid, waardoor hij hun kon beschrijven wat hij op het astrale vlak waarnam. Daarom onderwees hij dat wat in de mens is ontstaan ​​– en vandaag de dag in hem leeft als de ‘Ik-persoonlijkheid’ – voortkomt uit drie bronnen.

Das Ich, das früher schon da war, aber jetzt erst zum Bewußtsein gekommen ist, stammt aus Niflheim. Es ist aber eine Schlange da, die fortwährend an der Wurzel nagt, die aus dieser Quelle stammt, Niddhögr ist ihr Name. Hellseherisch kann man tatsächlich diese Schlange nagen sehen. Die Ausschreitungen des Geschlechtsprinzipes, das nicht im Zaume gehalten wird, nagen an dieser Wurzel des Menschen.
Die zweite Wurzel ist das Herz. Aus ihm stammt das neue Leben des Menschen. Alles, was der Mensch tut, tut er unter dem Antrieb des Herzens. Er fühlt, was ihn glücklich oder unglücklich macht. Er fühlt die Gegenwart, er fühlt aber auch dasjenige, mit dem er in die Zukunft hineinwächst; das eigentliche Schicksal des Menschen wird vom Herzen empfunden. Darum sagten die Priesterweisen: An der Quelle, aus der diese Wurzel stammt, sitzen drei Nornen und spinnen die Fäden des Schicksals. Die Nornen sind Urd, die Herrin des Vergangenen, Verdhandi, die um die Gegenwart, um das Seiende und Werdende weiß, und Skuld, die kennt, was in der Zukunft sein soll. «Skuld» ist dasselbe Wort wie «Schuld». Die Zukunft entsteht dadurch, daß aus der Gegenwart etwas weiter hinausgeht, das abgetragen werden muß.

Het ‘Ik’ – dat er al eerder was, maar pas nu tot bewustzijn is gekomen – vindt zijn oorsprong in Niflheim. Er is echter een slang die onophoudelijk knaagt aan de wortel die uit deze bron ontspringt; Nidhogg is haar naam. Door middel van helderziendheid kan men deze slang daadwerkelijk zien knagen. Wanneer het seksualiteitsprincipe ongebreideld zijn gang kan gaan, knaagt dit aan deze wortel van de mens.
De tweede wortel is het hart. Daaruit ontspringt het nieuwe leven van de mens. Alles wat een mens doet, doet hij vanuit een impuls van het hart. Hij voelt wat hem gelukkig of ongelukkig maakt. Hij voelt het heden, maar ook datgene waarheen hij in de toekomst groeit; de ware bestemming van de mens wordt door het hart aangevoeld. Daarom zeiden de wijze priesters: bij de bron waaruit deze wortel ontspringt, zitten drie Nornen en spinnen zij de draden van het lot. De Nornen zijn Urd, de meesteres van het verleden; Verdandi, die weet van het heden – van dat wat is en dat wat aan het worden is; en Skuld, die weet wat er in de toekomst zal zijn. ‘Skuld’ is hetzelfde woord als ‘Schuld’. De toekomst ontstaat doordat er vanuit het heden iets naar buiten treedt dat ingelost of vereffend moet worden.

Blz. 26

An der dritten Wurzel ist Mimirs Quelle, Mimir, der den Weisheitstrank trinkt. Das ist dasjenige, was sich als Sprache ausdrückt.
Und oben ragen die Wipfel des Baumes ins Geisterland hinein, und aus dem Geistigen herunter kommen Tropfen des befruchtenden Nervenfluidums. Das drückten die Priesterweisen so aus, daß sie sagten: Da oben in den Wipfeln der Weltesche weidet eine Ziege, von deren Geweih es fortwährend heruntertropft. – So wird das Untere fortwährend von dem Oberen befruchtet. Und ein Eichhörnchen läuft von oben nach unten und von unten nach oben und trägt
Zankesworte hin und her: der Kampf der niederen gegen die höhere Natur.
So stellt es die germanische Sage dar. Sie sagt: Der neue Mensch in der neuen Welt gleicht einem Baum, einer Esche, die drei Wurzeln hat. Die erste Wurzel geht nach Niflheim, in das eiskalte düstere Urland. Inmitten von Niflheim war der unausschöpfhche Brunnen Hwergelmir; zwölf Ströme entsprangen aus ihm, sie flössen durch die ganze Welt.

Bij de derde wortel bevindt zich de bron van Mimir – Mimir, die de drank der wijsheid drinkt. Dit staat voor datgene wat zich als spraak manifesteert.
Daarboven rijst de kruin van de boom op in het rijk van de geest, en uit het geestelijke rijk vallen druppels van de bevruchtende zenuwvloeistof naar beneden. De wijze priesters drukten dit uit door te zeggen: Hoog in de kruin van de wereldes graast een geit [in de mythe is sprake van vier herten], uit wier gewei voortdurend vocht naar beneden druppelt. Zo wordt het lagere voortdurend bevrucht door het hogere. En een eekhoorn [Ratatosker] rent op en neer en draagt ​​woorden van twist heen en weer – een symbool voor de strijd van de lagere natuur tegen de hogere.
Zo wordt het in de Germaanse sage voorgesteld. Er wordt gezegd: De nieuwe mens in de nieuwe wereld lijkt op een boom – een es – met drie wortels.
De eerste wortel reikt tot in Niflheim, het ijskoude, sombere oerrijk.
Midden in Niflheim lag de onuitputtelijke bron Hvergelmir; twaalf stromen ontsprongen eraan en stroomden door de gehele wereld.

Die zweite Wurzel ging zum Brunnen der Nornen Urd, Verdhandi und Skuld; sie saßen an seinen Ufern und spannen die Fäden des Schicksals. Die dritte Wurzel ging zu Mimirs Brunnen. Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».
Nun versuchen Sie einmal, sich zu vergegenwärtigen, was alles für gelehrte und ungelehrte, für geistreiche und ungeistreiche Erklärungen zu dieser germanischen Mythe gegeben worden sind. Alle diese Erklärungen haben für den Okkultismus keinen Wert. Denn für den Okkultisten gilt der Satz, daß alles, was Zeichen sind – und auch eine Erzählung ist Zeichen -, eine reale Wirklichkeit hat in der geistigen Welt; und erst, wenn wir wissen, was einem solchen Zeichen in der geistigen Welt entspricht, erst dann erkennen wir die wahre Bedeutung der Zeichen und Mythen.

De tweede wortel strekte zich uit tot de bron van de Nornen – Urd, Verdandi en Skuld – die aan de oever ervan zaten en de draden van het lot sponnen. De derde wortel reikte tot de bron van Mimir. Yggdrasil was de naam voor de wereldes, waarin de krachten van de werelden samenkwamen. De boom verbeeldt de mens op het moment dat hij zich bewust wordt van zijn ‘Ik’ – het moment waarop het woord ‘Ik’ vanuit zijn binnenste opklinkt. ‘Yggdrasil’ betekent ‘drager van het Ik’. Deze boom draagt ​​het ‘Ik’: ‘Ygg’ correspondeert met ‘Ik’, en ‘drasil’ heeft dezelfde wortel als het woord voor ‘dragen’.
Stel u nu eens de enorme verscheidenheid aan verklaringen voor – geleerde en ongeleerde, briljante en alledaagse – die over deze Germaanse mythe zijn gegeven. Geen van deze verklaringen is van waarde voor het bovenzintuiglijke. Want de helderziende gaat uit van het principe dat alles wat als teken dient – ​​en ook een verhaal is een teken – een werkelijk bestaan ​​heeft in de geestelijke wereld; pas wanneer we weten wat in het geestelijke rijk met zo’n teken overeenkomt, doorgronden we de ware betekenis van deze tekens en mythen.

Blz. 27

Niemand kann die Kräfte für die menschliche Entwickelung, die in den alten nordischen Mythen liegen, heben und anwenden, der sich nicht in dieser Weise dem tieferen Sinn dieser Mythen nähert. Gerade durch den Okkultismus erringen wir uns die Erkenntnisse der Welt und des Menschen, die von den alten Druiden hineingelegt worden sind in die Bilder der germanischen Mythe, nicht etwa, weil sie aus einer blühenden Phantasie heraus Bilder erfinden wollten, sondern weil sie diese Bilder schauten. Kein Zeichen hat eine Berechtigung im
Okkultismus, das nicht in den höheren Welten geschaut werden kann. Die alten Sagen und Mythen sind Zeichen in der physischen Welt für eine höhere Wirklichkeit. Sie sind eine Schrift, die wunderbar verzeichnet die vergangenen Zeiten. Wenn wir diese Schrift lesen können, dann blicken wir tief hinein in die Vorzeit, und zu gleicher Zeit befruchtet uns die Mythe selber.

Niemand kan de krachten voor menselijke ontwikkeling die in de oude Noordse mythen besloten liggen, benutten en toepassen zonder de diepere betekenis van die mythen op deze wijze te benaderen. Juist door middel van occultisme verkrijgen we inzichten in de wereld en de mens – inzichten die de oude druïden in de beeldtaal van de Germaanse mythen hebben verweven; zij hebben deze beelden niet louter aan een levendige fantasie ontleend, maar ze daadwerkelijk aanschouwd. In het occultisme is geen enkel symbool geldig, tenzij het in de hogere werelden kan worden waargenomen. Oude legenden en mythen fungeren in de fysieke wereld als tekens die naar een hogere werkelijkheid verwijzen. Ze vormen een schrift dat op wonderbaarlijke wijze verslag doet van vervlogen tijden. Wanneer we dit schrift kunnen lezen, krijgen we een diepe blik in de oertijd, terwijl de mythe zelf ons tegelijkertijd verrijkt.

Erkennen wir die Mythen in dieser Weise, so erkennen wir viel tiefer als die abstrakte Wissenschaft. Die Wissenschaft kann uns die zwölf Paar Nervenstränge zeigen; der Okkultist macht die Entstehung und den ganzen Weltenzusammenhang erkennbar.
Was ist der Mensch? Ein Symbolum des Geistes, denn er ist herausgeboren aus
der geistigen Welt. Er ist eine Zusammensetzung geistiger Kräfte.
Erkennt sich der Mensch recht, so erkennt er sich selbst als ein Symbolum für das in ihm liegende Ewige. Dies wollen wir mitnehmen und heute in acht Tagen die Betrachtungen fortsetzen. Wir wollen darüber nachdenken im Sinne des Goetheschen Wortes «Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis». Der Mensch selbst ist ein Gleichnis für das unvergängliche Geistige im Vergänglichen. Wenn der Mensch dies erkennt, geht ihm die Erkenntnis auf für seinen eigenen
geistigen unvergänglichen, ewigen Wesenskern.

Als we mythen op deze wijze begrijpen, verkrijgen we een veel dieper inzicht dan de abstracte wetenschap kan bieden. De wetenschap kan ons de twaalf paren zenuwstrengen tonen; de occultist onthult hun oorsprong en hun plaats binnen het kosmische geheel.

Wat is de mens? Een symbool van de geest, want hij is geboren uit de geestelijke wereld. Hij is een samenstelling van geestelijke krachten. Wanneer de mens zichzelf werkelijk begrijpt, herkent hij zichzelf als een symbool van het eeuwige element dat in hem woont.
Laten we hierover nadenken in de geest van Goethe’s woorden: “Alles wat vergankelijk is, is slechts een symbool.”
De mens zelf is een symbool van de onvergankelijke geestelijke essentie binnen het vergankelijke.
Wanneer de mens dit inziet, daagt het besef van zijn eigen geestelijke, onvergankelijke en eeuwige wezenskern bij hem.
GA 101/15-27
Niet vertaald

Verklarende namenlijst Germaanse mythologie

Rudolf Steiner over mythe, sagen en sprookjes

4e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3606-3399

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – rekenen – tafels (3-3)

.
Onderstaand artikel gaat over rekenen aan een hulpklas. 
Soms is een bijzondere aanpak ook nuttig voor je eigen klas en misschien moet je hier zeggen: voor bepaalde kinderen, wellicht niet voor de hele klas.
Er wordt veel bewogen, wat op zich een goede zaak is in het beginstadium, maar veel en gecompliceerde bewegingen kunnen ook het leren in de weg zitten: dan zien de kinderen door de bomen het bos niet meer.
Dat geldt zeker voor kinderen die – in dit geval – het leren van de tafels snel oppikken. Wanneer die te vaak en te veel moeten bewegen voor iets wat ze al kunnen en kennen, wordt ook bewegen saai. En menskundig gezien: dat wat door beweging en ritme in het hoofd moet komen, hoeft niet meer geoefend te worden als het daar al zit’
Let ook op de werking van samen spreken: een tafel klassikaal opzeggen lukt altijd wel, maar hoe is het met de individuele kinderen? Dus op den duur: veel controleren hoe ver ieder is.  

.
Berenike Aisenpreis, Erziehungskunst jrg. 40 nr. 10 1976
.

Doen in plaats van leren



Een weg naar de tafels van vermenigvuldiging
.
Dit artikel is geschreven door een ervaren leerkracht in het speciaal vrijeschoolonderwijs. De daarin beschreven oefeningen voor het leren van de tafels zijn met succes getest bij kinderen in voorzieningen voor speciaal vrijeschoolonderwijs. Met de juiste aanpassingen zouden ze zeker ook waardevol zijn voor kinderen in grote klassen en ideeën bieden die op vele manieren verder kunnen worden uitgewerkt.
Hans Rehmann
.

Bijna alle kinderen hadden grote moeite met concentreren. Ze waren niet in staat om simpelweg een reeks getallen uit het hoofd te leren; de opgave was daarom om via liedjes en versjes een brug van kleur en melodie te slaan. Voor de tafel van 2 werd het volgende versje bedacht:

1 x2 = 2        Ich esse gerne Brei.
2×2 = 4        Beine hat das Tier
3 x2 = 6       Im Walde wohnt die Hex
4 X 2 = 8     Wer hätte das gedacht!.
5 X 2 = 10   Das kann doch jeder sehn!
6 X 2 = 12Im Walde hungern die Wölf.
7 X 2 = 14   Die Eins muß vor der Vier st~hn.
8 X 2 = 16  Im Dunkeln kann man schlecht sehn.
9 X 2 = 18  Willst du’s einmal nachsehn?
10 X 2 = 20 Im Sommer wird die Butter ranzig.

Ik heb de teksten niet vertaald. Het is leuk om dat zelf te doen.
Je kan hier ook nog denken aan het omgekeerde, zoals bij het touwjespringvers ‘Karel 1, brak zijn been‘, dus hier: Ik drink graag thee – 1 x 2 = 2
Daarna omgekeerd en op den duur de tekst weg en alleen maar 1 x 2 = 2.

Hiervoor wordt eenvoudig geteld binnen het bereik van 1 tot 20 – zowel vooruit als achteruit – terwijl je loopt of stilstaat. Ook kan je de veelvouden van twee al stampend markeren of in het ritme meeklappen. Het is belangrijk om de lastige gedeelten herhaaldelijk achteruitlopend te doorlopen. Er schuilt een verborgen kracht in achteruitlopen; een kracht die, wanneer deze de nacht in wordt meegenomen, een versterkende en vitaliserende uitwerking heeft. Zodra dit versje enigszins verankerd is, kan zonder aarzeling het “lied van de drie” worden geïntroduceerd. Als de ruimte het toelaat, laat de kinderen dan in een kring staan. Bij het beklemtoonde veelvoud van drie (zie de melodie) wordt een stap naar het midden gezet. Iedereen pakt elkaars hand vast, en de melodie en het ritme zorgen voor een sterk gevoel van verbondenheid. Ik heb altijd gemerkt dat iedereen wil meedoen – niemand wil aan de kant blijven staan ​​– en dat er totaal geen problemen zijn met de discipline. Bij een klas van 40 leerlingen liet ik de kinderen staand zingen en hun armen kruisen – volledig gestrekt in het eurytmiegebaar voor de klank “E” – bij de veelvouden van drie. Om ervoor te zorgen dat ze hun armen echt goed strekken, kun je het beeld van twee zwaarden gebruiken. Het “E”-gebaar versterkt dit versterkende effect vervolgens nog eens extra.

Ritme voor 3

Het lijkt erop dat de A verlaagt moet worden, maar dan klingt de melodie niet makkelijk, het zal dus gewoon om de Bes gaan.

De volgende stap is om het liedje los te koppelen van zijn ritmische context en het om te zetten in direct beschikbare mentale kennis. De vingers spelen hierbij een rol. Elk kind steekt de vingers duidelijk omhoog en telt de veelvouden van drie achter elkaar op. Ik ga graag bij de deur staan ​​en laat alleen de kinderen door die de veelvouden van drie kunnen opzeggen; dit fungeert als een soort toegangsbewijs. Voor leerlingen die moeite hebben met rekenen, vormt de tafel van drie een belangrijke basis; het is de moeite waard om hier ruim de tijd voor te nemen, aangezien deze tafel andere tafels ondersteunt en tegelijkertijd binnen een overzichtelijk getallenbereik blijft. In het speciaal onderwijs wordt de tafel van vier vaak ingeoefend aan de hand van auto’s. Aanvankelijk sprak deze aanpak me erg aan – je wilt immers bij de tijd blijven – maar in de praktijk vielen de resultaten tegen. Een kind kan de wielen van drie auto’s nog wel in het hoofd tellen, maar daarboven wordt het onmogelijk. Bovendien heeft een kind geen behoefte om telkens de uitkomst van de vermenigvuldiging te berekenen; in plaats daarvan wil het de getallenreeks uit het hoofd leren en vervolgens snel op de vingers natellen hoe vaak bijvoorbeeld 4 in 20 gaat. Hoe leer je zo’n getallenreeks dan snel uit je hoofd?

Ritme van 4

Ik nam een ​​melodie die in ieder mens leeft: het muzikale drieklankmotief. Ter begeleiding introduceerde ik het beeld van een bloem die groeit uit een bol in de grond. De kinderen staan ​​in een kring en buigen ver voorover; met hun rechterarm plaatsen ze een denkbeeldige bol in de aarde – ongeveer op kniehoogte. Terwijl ze dat doen, zingen ze de getallen en beelden ze met hun rechterhand het groeiproces uit. De beweging en de melodie moeten min of meer samenvallen: mijn hand beweegt omlaag voor de lage toon en omhoog voor de hogere. Verder kunnen de bewegingen vrij worden uitgevoerd. Het is ook heel effectief om de kinderen het getal vier ritmisch te laten tellen. We deden dit met onze handen en voeten, omdat het getal vier op een kenmerkende manier in de menselijke lichaamsbouw besloten ligt. Dit werkte sterk ordenend op de kinderen. Ik zei dan bijvoorbeeld tegen de klas: “Stel je voor dat we ergens op moeten hameren; dat doen we met onze vuisten en voeten.”

De rechtervuist slaat toe – en terwijl we dat doen, zeggen we: één.
De rechtervoet stampt – en we zeggen: twee!
De linkervoet stampt – we zeggen: drie!
De linkervuist hamert – we zeggen, met sterke nadruk: vier!”
Natuurlijk is de instinctieve reactie, nadat de rechtervoet bij “twee” heeft gestampt, om de linkervuist op te heffen voor de derde tel – dat is nu eenmaal onze natuurlijke neiging.
Maar dat is niet wat we willen.
De volgorde – vuist, voet, voet, vuist – moet bewust worden “beheerst”.
Het is niet nodig om de reeks van vijven uit het hoofd te leren; men kan er simpelweg van “genieten”.
We staan ​​in een kring, de rechtervoet naar voren, de linkervoet iets naar achteren. In gedachten lenen we een deegroller van moeder en rollen we deeg uit. Terwijl we dat doen, wiegen we afwisselend naar voren en naar achteren, en zeggen we de reeks op: 5, 10, 20, 25, 30, enzovoort. Het is niet nodig om veel tijd te besteden aan deze reeks van vijven, al zal men de kinderen uiteindelijk wel moeten begeleiden van het gebruik van de vingers naar een abstract begrip.

Hier is een kringspel voor de tafel van zes, gebaseerd op *Hans en Grietje*. Mijn klas speelde dit spel kort nadat we de tafel van drie hadden geleerd, maar de abstracte begrippen introduceerde ik pas na de tafel van vijf. We deden het als volgt: iedereen stond in een kring, hield elkaars handen vast en zong de openingsregels terwijl we in de maat liepen. Bij de regel “2 x 6 = 12” liepen we heel langzaam, maar bij de volgende regel – “Hun honden roepen luid: ‘De wolf! De wolf!'” – mocht iedereen een stukje rennen. De rest van het spel speelden we staand, begeleid door specifieke bewegingen. Bij “3 x 6 = 18” gingen we op onze tenen staan ​​en reikten we omhoog naar de peperkoek. Bij “4 x 6 = 24” – “de zwarte kater likt zijn staart” – deed iedereen alsof hij een kater was en poetste zijn grote staart aan de linkerkant. Bij het versje voor 30 pookten we het vuur op met een lange stok. Bij 36 werd de sfeer wat rustiger; we kantelden ons hoofd om naar het gezang van de sijs te luisteren. Bij “7 x 6 = 42” – “de heks verbrandt en roert nooit meer” – tekenden we met onze handen een liggende acht in de lucht. Daarna begon de melodie opnieuw terwijl we naar de laatste getallen toewerkten. Zo kwamen we bij het einde van het sprookje, waar de beloningen verschenen. “8 x 6 is 48” – “slakvormig gebak smaakt pittig!” – we maakten spiraalbewegingen met onze rechterarm. “9 x 6 = 54” – “schatten in overvloed; wie er een wil, mag hem pakken!”
We staan ​​daar en maken verzamelende gebaren met onze handen. Sommige kinderen willen op dat moment te veel meenemen en laten zich gemakkelijk meeslepen. We bewaren de orde door iedereen elkaars hand te laten vasthouden, terwijl de energieke finale wordt gezongen en met bewegingen wordt uitgevoerd.

Voordat ik de tafel van zeven – met zijn vier priemgetallen – aanpakte, stelden we de tafel van acht op. Ik ‘verankerde’ deze reeks achten, als het ware, in omgekeerde volgorde. Het mentale beeld dat hierbij wordt gebruikt, is dat van een schuchter konijntje. Met een bonzend hart – maar vol nieuwsgierigheid – hopt het één stapje vooruit, om vervolgens zo te schrikken dat het meteen weer een stapje terug hopt. De bijbehorende bewegingen bestaan ​​uit eenvoudige, kleine boogjes met de handen om de sprongetjes uit te beelden. De kinderen doen dit terwijl ze staan. We maken dus de eerste sprong en zeggen “8”; we springen terug en zeggen weer “8”; we maken twee sprongen en zeggen “8–16”; we springen terug en zeggen “16–8”; we maken drie sprongen – “8–16–24” – enzovoort. Van oudsher is het getal 56 het lastigste in de reeks van de tafel van acht. Het krijgt de plek toegewezen waar het konijntje de heuvel af hopt (omdat de armen niet verder kunnen reiken). Dit heeft als voordeel dat ik nu een geheim teken heb voor dit vervelende getal. Helaas is er op de berghelling alleen nog plaats voor 64, 72 en 80. Het op deze manier oefenen van de tafel van acht vereist veel spreken; zelfs de grootste kletskousen raken er uiteindelijk wat vermoeid van.
Maar nu staan ​​alle kinderen te popelen om de tafel van zeven te leren. Inmiddels zijn ze veel vertrouwder geraakt met de getallenreeksen – elk kind heeft zelfs een favoriete tafel. Dus vertel ik opnieuw het verhaal van ‘Het dappere snijdertje’, en wel heel beeldend. Wat moet zo’n kleermaker toch handig zijn! Ik vraag me af of hij wel zeven knopen tegelijk zou kunnen aannaaien? Laten we het eens proberen! Vorm een ​​kring! Stel je voor dat je naald en draad in je rechterhand houdt, terwijl je linkerhand de stof vasthoudt. Buig bij elke steek diep door je knieën en maak een boogbeweging. Zeg daarbij hardop: 7 – 14 – 21 – 28, enzovoort. Door het doorbuigen van de knieën wordt ook de ‘onderste mens’ bij het leerproces betrokken.

Bij het behandelen van de tafel van negen proberen we de snelle, intuïtieve geest van het kind aan te spreken. Het komt aan op de juiste woordkeuze; idealiter spreek ik zo dat het kind zelf de onderliggende getallenpatronen ontdekt. ​​”Probeer de veelvouden van negen eens in een kolom op te schrijven en ze goed te bekijken – misschien ontdek je dan wel een rekengeheim!” Tegen degenen die het niet konden vinden, zei ik bijvoorbeeld: “Kijk: 9 – 18 – 27 – 36 – 45… Zie je het? Aan de rechterkant worden de cijfers telkens één lager, terwijl ze aan de linkerkant juist met één toenemen. Dit rekengeheim helpt enorm bij het opzeggen van de tafel; als ik ’63’ zeg, moet het volgende getal op een 2 eindigen, enzovoort.” Er was zelfs een kind dat zei: “Ik kan de tafel van negen in twee minuten leren, want ik hoef maar twee nieuwe dingen te onthouden: 9 × 9 = 81 en 10 × 9 = 90; alle andere getallen zijn gewoon de ‘negen-sommen’ uit de andere tafels!” Een ander kind – een pientere leerling – zei: “Ik ga een paar makkelijke, leuke sommen bedenken die als uitkomst een veelvoud van negen hebben!” Hij schreef op: 10 – 1 = 9; 20 – 2 = 18; 30 – 3 = 27; 40 – 4 = 36, enzovoort. Als een kind de tafel van tien moet leren, is het goed om het aan te moedigen dit vaak te oefenen door op de vingers en tenen te tellen. Tot slot kun je voor de berekeningen ook muntjes van tien pfennig gebruiken. Toen ik enige tijd geleden met een groep van elf van dergelijke kinderen aan de slag ging – kinderen die zich kenmerkten door beperkte leercapaciteiten en leerstoornissen – kenden de meesten alleen de getallenreeks van 1 tot 20. Bij drie kinderen was het rekencentrum in de hersenen zo ernstig aangetast (door hersenschade op jonge leeftijd) dat ik hen slechts beperkt kon helpen. Inmiddels beheersen acht kinderen de volledige basis van de tafels; Door zelfstandig te werken, wisten ze met goede resultaten bij het schriftelijke werk vorderingen te maken tot en met de tafel van zestien. Ze kunnen nu getallen van vijf cijfers vermenigvuldigen met een getal van één cijfer, en ook schriftelijk optellen en aftrekken. Eén leerling zal kunnen overstappen naar een reguliere vrijeschool. Delen – die cruciale rekenbewerking – bleek voor hen het lastigst; tot nu toe is het alleen mogelijk geweest om dit mondeling te oefenen, in de context van de tafels en via activiteiten waarbij voorwerpen worden verdeeld of uitgedeeld. Tot slot moet worden benadrukt dat het toverwoord voor het beheersen van de tafels – en eigenlijk voor alle kinderen – ‘herhaling’ is.

.

2e klas rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

vrijeschool in beeld: 2e klas alle beelden

.

3605-3398
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinvolle vertelling

.
Voor deze vorm van verhalen heeft het Duits ‘sinnige’, ‘zinnig’, een verhaal met ‘zin’, met betekenis. Zinvol of zinrijk kan ook.
.

Erhard Fucke, Erziehungskunst nr. 1 jrg. 34 ja. 1970
.

Het verhaal met betekenis

Een pedagogische opgave voor de eerste drie klassen van de basisschool

Rudolf Steiner kende een belangrijke rol toe aan het “verhaal met betekenis” in de eerste drie klassen van de basisschool. De leerkracht moest de gehele wereld in het gesprek betrekken, zodat deze zijn wezen kon onthullen door middel van een schat aan beeldende, individuele verhalen.
In verschillende delen van zijn voordrachten ging hij in op de onderliggende principes met betrekking tot de aard van de mens. Een centraal thema is dat het kind tot de leeftijd van negen jaar “nog geen onderscheid kan maken tussen wat het innerlijke wezen van de mens vormt en wat de uiterlijke omgeving of de natuur vormt.”
“Het kind schrijft dezelfde krachten die het in zichzelf waarneemt bij het ervaren van ongemak of pijn, ook toe aan zon en maan, aan bomen en planten.”*

*In GA 305  hier vertaald weergegeven.

Inspelen op deze situatie betekent dat natuurelementen worden voorgesteld als wezens die spreken, voelen en handelen zoals mensen.
De verbinding van het kind met de omgeving – een band waarvan het zich nog niet kan losmaken – is duidelijk onbewust en natuurlijk van aard. Door de gehele omgeving op menselijke wijze te bezielen, tilt de leerkracht deze verbinding naar het niveau van een droomachtige, gedeelde ervaring. De band wordt bewuster hersteld door de activiteit van de ziel, waardoor een natuurlijk gegeven wordt omgevormd tot de eerste menselijke vermogens en innerlijke verworvenheden van het kind.
Steiner heeft dit proces klaarblijkelijk voor ogen wanneer hij zegt:

“Het gaat erom – vooral in het eerste schooljaar – een zeker ontwaken van het kind ten opzichte van zijn omgeving teweeg te brengen, een ontwaken van de ziel, zodat het leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.”
Dat is het tweede motief.*

*GA 295/156  Vertaald/156

Het derde betreft het effect dat optreedt wanneer het kind zijn relatie tot de omgeving niet op deze antropomorfe wijze heeft ervaren.
“… het (kind) mist een deel van wat het betekent om mens te zijn in het latere leven”. (GA 305 – zie boven)

Wat met dit deel wordt bedoeld, blijft in het midden.
Wanneer de leerkracht “betekenisvolle verhalen” wil bedenken, stuit hij op vele moeilijkheden. Zijn pedagogische instincten verzetten zich ertegen de wereld op antropomorfe wijze vorm te geven. Hij vreest vanuit een beeldende wereld af te dwalen naar een wereld van louter fantasie, en zoekt daarom naar criteria die deze krachten in goede banen kunnen leiden en reguleren. Een dergelijk regulerend principe vindt hij bijvoorbeeld in de opmerking van Goethe dat alles wat vergankelijk is, het karakter van een metafoor draagt.

Zo zoekt hij naar de archetypische aard van elk verschijnsel, met als doel de wereld doorzichtig te maken voor een rijk van archetypen dat erin verborgen ligt en haar tegelijkertijd tot stand brengt. Hij wil, met andere woorden, ontwikkelen wat Goethe ‘exacte verbeeldingskracht’ noemt. Tegen een dergelijk streven is geen bezwaar; er zijn immers juist prachtige verhalen uit voortgekomen. De ervaring leert echter dat er jaren van regelmatige studie nodig zijn om zelfs maar de eerste bescheiden verhalen op dit gebied te kunnen vertellen. Moet men zichzelf in die tijd verbieden om ‘betekenisvolle verhalen’ te vertellen? En volstaat de vrucht van jarenlange studie om een ​​klas – gedurende een periode van drie jaar – te voorzien van verhalen die alle wereldverschijnselen in deze vorm aan het kind onthullen?
Bovendien sluiten sommige uitspraken van Steiner helemaal niet aan bij deze weg van strikt exacte beoefening. Er is bijvoorbeeld de uitspraak die de leerkracht onmiddellijk terugvoert naar het hachelijke terrein van tegenstrijdige indrukken: “Of gebeurtenissen daadwerkelijk plaatsvinden of niet, is in het individuele geval volstrekt onbelangrijk; waar het om gaat, is dat ze betekenisvol zijn.”*

*GA 177/203
Vertaald

Elders spreekt Steiner over de waarde van een verhaal dat zeker niet in strikte zin een archetypisch karakter heeft:
“De grootmoeder van Adalbert Stifter zei tegen de jongen: ‘Kind, wat is  avondrood? Kind, wanneer de avondgloed verschijnt, hangt de Moeder Gods haar gewaden op – want ze heeft er vele – om ze elke avond aan het hemelgewelf te tonen!’

“Dit zijn woorden waaruit de goden kunnen putten voor de verdere evolutie van de wereld.’*

*GA 276/170
Niet vertaald

Op zorgeloze wijze bezielt Stifters grootmoeder het natuurverschijnsel en stelt ze het voor als het werk van de Moeder Gods; daarmee speelt ze in op precies die behoefte aan menselijke bezieling van natuurprocessen die iets in het kind wakker roept. Toch kan dit korte verhaal ons ook helpen de kenmerkende kwaliteit van ‘zinvolheid’ (*Sinnigkeit*) beter te begrijpen.

Volgens Rudolf Steiner draait alles om deze kwaliteit; zij is het – en niet zozeer het archetypische karakter van het verhaal – die bepaalt of het verhaal al dan niet pedagogisch effectief is.

Adalberts grootmoeder moet hem vaak over de Moeder Gods hebben verteld, en het zal haar ongetwijfeld gemakkelijk zijn afgegaan om bij de jongen een gevoel van eerbied en bewondering voor deze geliefde gestalte te wekken. Vervolgens legde zij – op vrije en zelfs meesterlijke wijze – een verband tussen deze ervaringen en de avondgloed. Plotseling raakte de zonsondergang verbonden met de innerlijke gevoelswereld van de jongen; voortaan kon hij de avondgloed niet meer aanschouwen zonder dat die gevoelens in hem opkwamen. En zelfs toen hij later precies begreep hoe natuurwetten de zonsondergang teweegbrengen, verloor het beeld waarmee hij had geleefd – doordrenkt als het was van de herinnering aan een geliefde – niets van de vreugde die het ooit had opgeroepen.
Op dat moment ervaart hij het natuurverschijnsel echter op een zodanige wijze dat zijn innerlijke wereld er volledig mee kan samensmelten. De aldus bezielde natuur wordt voor het kind net zo vertrouwd als zijn eigen wereld van vreugde en pijn.
Wat is dan een verhaal dat de ziel aanspreekt? Het is een verhaal dat de mens aanzet tot reflectie op iets waar hij anders wellicht onopgemerkt aan voorbij zou zijn gegaan. Het beschouwend stilstaan ​​bij een dergelijk gevoel – dat tegelijkertijd een beeld is, en dus beide tegelijk – is een proces van ademhalen dat bij ieder mens, maar vooral bij een kind, een staat van bezinning bevordert. Het straalt een kalmte uit die niettemin de meest intense alertheid in zich draagt, waardoor schijnbare tegenstellingen op een zeldzame en bijzondere wijze met elkaar in harmonie worden gebracht.
De twee verhalen die volgen, en die trachten de aard van een dergelijk verhaal te belichamen, worden hier gepresenteerd om niet slechts abstracte gedachten, maar concrete voorbeelden te bieden.

Ik geloof niet dat ze in deze vorm verteld moeten worden; dat is een schrijfstijl
die streeft naar een zekere beknoptheid – iets wat niet van nature past bij een gesprek tussen volwassenen en jonge kinderen.
Het ideaal zou zijn dat het verhaal zijn uiteindelijke vorm pas vindt door de interactie met de kinderen.

Rudolf Steiners verhaal over het viooltje lijkt mij hier een treffend voorbeeld van, omdat hij de kwaliteit van het aandachtig luisteren lijkt aan te voelen en daaruit de uiteindelijke formulering ontwikkelt, zodanig dat men geneigd is de kinderen een deel van het auteurschap toe te schrijven. Dit vergt dezelfde artistieke benadering die Steiner ook bij het schilderen voorstaat. Het resultaat moet niet zijn wat alleen de leerkracht of alleen het kind wenst, maar een derde element – ​​iets dat tussen beide in ligt en beide partijen evenzeer verrast.
De voorbereiding vervalt zodoende tijdens het vertellen, en het verhaal wordt
in dat proces opnieuw ontdekt. ​​Dit getuigt van een hoog artistiek niveau.
Ik ben ook van mening dat het navertellen van verhalen van anderen slechts een
noodoplossing is. De pedagogische werking lijkt immers juist te schuilen in de
daad van de leerkracht zelf om de natuur tot leven te brengen – en daarmee
innerlijke krachten te wekken die hem in zijn volwassen aard anders niet zo
gemakkelijk ter beschikking staan. Verbeeldingskracht bezielt niet alleen het
verhaal, maar ook de verteller zelf, en dit bezielende effect treedt zelden op
wanneer men een verhaal vertelt dat door iemand anders is bedacht.

.

Vertelstof: alle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3604-3397

.

.

.

.