WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
Alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (1-4)

.

In de cursus voor de leerkrachten die in 1919 met de vrijewaldorfschool beginnen, geeft Steiner voor alle klassen van de onderbouw – dat waren er 8, vanaf klas 1, motieven voor vertelstof.
In de 1e voordracht van GA 295 worden ze opgesomd en voor de 4e klas gaat het om ‘scènes uit de oude geschiedenis.’
GA 295/19
Vertaald/19-20
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Von Heydebrand zegt in haar beschrijving van het leerplan uit 1925 voor de vertelstof van de 4e klas: ‘Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.’

‘Ergens moet er ‘iets’ zijn geweest, waardoor ‘oude geschiedenis’ veranderde in ‘Germaanse mythologie’. (Over die verandering heb ik nog niets gevonden)

Dus is het al die tijd ‘Germaanse mythologie’ gebleven.
Waarom precies is ook niet zo makkelijk te achterhalen.

In 1928 schreef een waldorfleerkracht een stukje over het 9 à 10-jarige kind en deze mythologie. Misschien brengt ons dit verder. En een te beantwoorden vraag zou kunnen zijn: is het kind van 10 van toen, te vergelijken met het huidige kind van 10.

.

J.Burghardt, Erziehungskunst jrg. 2 nr. 1 mei 1928
.

Een levendige beschrijving van de Germaanse mythologie voor kinderen in de 4 klas
.

Ik wil het verhaal van de Germaanse goden vertellen. De negen- tot tienjarige kinderen in de klas kijken me verwachtingsvol aan; deze kinderen, die geboren zijn aan de Ruhr, op de plek waar de grens tussen Franken en Saksen lag.

Hier woonden op de beboste hoogten, de uitdagende Saksen die 1100 jaar geleden trouw Thor, Wotan, (Wodan, Odin) Freia en Baldur aanhingen, de goden van hun vaders, die nog steeds dicht bij hen stonden.

Als de stormwind door de knoestige, massieve eiken van hun thuisland blies
en brulde zodat ze kreunden en steunden, ervoeren de Saksen nog steeds de wilde, woedende jacht van Wod in de huilende hemel; als de bliksem flitste en de donder insloeg, dan voelden ze het stromen van hun eigen bloed: het is waar wat de legenden van onze  vaderen ons vertellen: De roodbaard Thor rijdt door de zware wolken en zwaait met de hamer; en wanneer in de lente de zonnestralen door het heldere gebladerte van de hoge, slanke beukenbomen schijnen, weven ze voor hen de lichte, milde gestalte van de god Baldur, toen hij zwevend voortbewoog en alles tot leven wekte.

Als we op deze manier aan het verleden van dit land denken, is het een bijzonder genoegen om de kinderen, uit wier ogen we dezelfde opstandigheid, maar ook dezelfde loyaliteit en kracht van de Saks zien, de Germaanse godenlegenden te vertellen.
Vooral als we ook de vaders van deze kinderen kennen en hun werk, hoe velen van hen onbevreesd naar de mijnen trokken om de kolen op de zwaarste en gevaarlijkste manier omhoog te halen; hoe anderen voor ovens stonden waarin metalen smelten bij temperaturen van meer dan 1000 graden. Vaak
staan de arbeiders daar, overdekt met een regen van vonken die schitteren in alle kleuren. Met vastberaden kracht en vaak sombere vasthoudendheid beheersen deze mensen hun leven, hun lot. Onverschrokken trotseren ze de dood die overal op de loer lig, in gevecht met de elementen, wiens meester ze willen worden.
De kinderen van deze mensen de legenden van de Germaanse goden vertellen, is iets bijzonders. Want waar worstelen goede en kwade krachten meer met elkaar dan in deze verhalen uit het verre verleden van ons volk?

Ik begon met de schepping van de wereld, zoals ons verteld wordt in de Edda.
Na het verhaal gaf ik de kinderen de volgende verzen, die ik in vorm bracht om te proberen hen volledig in een ervaring van het verhaal te brengen. Ze spraken ze uit en stampten bij elk alliteratie:

De auteur geeft nu een klein stukje van het hele scheppingslied.
Ik gaf er altijd de voorkeur aan een veel groter deel te nemen, omdat dat later van pas komt bij de eerste aardrijkskunde.

In de eerste twee regels wordt getoond hoe de vooruitgang van de wereld plaatsvindt door twee krachten: beweging en vormende kracht. Vervolgens ervaren de kinderen in de volgende verzen intuïtief de differentiatie en de verbinding tussen de fysieke aspecten van de mens en de aarde: in het bloed dat door het vlees stroomt, evenals de vruchtbare aarde bevochtigd wordt met water, openbaart zich het leven. In botten, net zoals in de wereld van het gesteente, heerst de dood. De schedel wordt een beeld van de hemelkoepel.

In andere verzen probeerde ik vervolgens de individuele figuren van de goden levendig tot leven te wekken voor de zielen van de kinderen, te beginnen met Wotan.

Dan probeert de leerkracht de verschillende goden te benoemen in de taal van de Edda:

Het is niet helemaal duidelijk of hij de verzen zelf maakt of uit de Edda haalt (en welke uitgave dan)
In het Nederlands vind je in  ‘Edda‘ van Jan de Vries (uitg. Ankh-Hermes) genoeg allitererende verzen over wat er ook in proza is verschenen.

R.L.Green vertelde de Edda na en een vertaling daarvan in beeldende taal is direct te gebruiken om in de klas te vertellen (uit je hoofd: niet voorlezen!)
Als je deze Prismapocket niet meer kan kopen, kun je hier een (gratis) scan opvragen: vspedagogie@gmail.com)

Wotan, de wijze, heerst als heerser in Valhalla.
Zijn blik reikt ver en breed over alle negen werelden.

Aan zijn voeten hurken twee wolven, Geri en Freki.
Zij zijn snelle boodschappers die Wotans bevelen uitvoeren.

Op zijn schouders zitten twee raven, Herinnering en Gedachte.
Zij fladderen dagelijks neer om de wereld te verkennen.

Zij keren terug en Wotan ontvangt via hen berichten.

Dan neemt Wotan de mantel, de blauwe en wijde.
Hij trekt de slappe hoed diep over zijn gezicht.

Het ontbrekende oog, dat hij voor wijsheid had opgeofferd, mag niet gezien worden.
Dan bestijgt hij Sleipnir, het wolkenpaard, zo snel als de wind, rijdt naar de aarde en doorkruist de wereld als een zwerver.

De kinderen voelen hoe Wotan in hen leeft, hoe ze hun gedachten kunnen uitzenden om de wereld te verkennen door middel van denken, net zoals Wotan zijn raven uitzond om informatie uit de wereld te verzamelen. De zielen van de kinderen worden groots, ruim en vredig contemplatief wanneer Wotans zwervende gestalte in zijn brede, blauwe mantel voor hen verschijnt. Maar ze voelen ook zijn rusteloze verlangen naar kennis in hun eigen ziel wanneer ze zich Wotan voorstellen op zijn wolkenpaard, racend en donderend over de brug naar Hels rijk om van Wala, de wijze Moeder Aarde, te horen over de ondergang van de goden. Hij kan haar uit haar dodelijke slaap wekken met de kracht van zijn woord, want het lot is in de aarde gegrift. De kinderen weten: alleen Wotan kon dit weten, Wotan, die een van zijn ogen had opgeofferd om dieper dan alle andere goden ingewijd te worden in de geheimen van de wereld, in schepping en vernietiging. Ook aan hem onthullen de Nornen, de godinnen van het lot, het verleden en de toekomst van aardse gebeurtenissen.

Verzen zoals de volgende probeerden de Nornen dichter bij de kinderen te brengen:

Aan een van de wortels van de wereldboom Yggdrasil,

Daar vervullen de drie Nornen hun taken.

Zij weven en vormen het lot van de wereld.

Urd, de oudste van de drie, in grijze gewaden, regeert over het verleden.

Werdandi, in vloeiende witte gewaden, leidt het heden.

En Skuld, de jongste van de drie, draagt ​​een zwart gewaad,

met gouden strepen,

Zij weet hoe ze ons de toekomst kan vertellen.

En dan roept Wotan Wala:

Wala, wijze, ontwaak en vertel me wat je weet.

Na driemaal roepen en kloppen, verschijnt Wala in een blauwachtig licht. Met tegenzin, met een holle, grafachtige stem, antwoordt ze (ik las toen verzen uit de Edda voor met de kinderen):

“Wie is deze man, mij onbekend,
die mij op dit zware pad stuurt?
“Bedekt met sneeuw, geteisterd door regen,
doorweekt door dauw; “Ik was lange tijd dood!”

De kinderen voelen een diepe innerlijke huivering: Ja, onbevreesdheid,
vastberadenheid, zelfopoffering en het overwinnen van elke moeilijkheid
en alle verschrikkingen zijn noodzakelijk als we wijs en ervaren willen worden.

Een andere god is Thor, de zoon van Wotan. Ik heb geprobeerd de essentie van deze god voor de kinderen te vatten in de volgende verzen:

Thor, de machtigste van alle goden, rijdt dagelijks van Kraftheim
naar de raad.

Maar vaak bestijgt hij de door geiten getrokken strijdwagen, snelt door de wolken,
Dan grijpt hij naar zijn baard, de rode, zodat de bliksem fel flitst.

Hij zwaait met zijn hamer, de zware, en met een dreun
slaat hij op de wolken.

Maar altijd keert de hamer terug in Thors hand.

Verschrikkelijk klonk Thors hamer in de oren van de reuzen,

Want Donar had hen altijd onheil gezworen.

Toen vertelde ik de kinderen alle legendes over hoe Thor met zijn hamer de boze reuzen doodde die de goden en godinnen zoveel leed hadden berokkend. Het is een genot om te zien hoe een gevoel van macht door de harten van de kinderen stroomt bij het zien van deze beelden.

Alle angst verdween. – Toen er op een dag een onweersbui was, eisten de kinderen ongeduldig dat ze Thors verzen mochten opzeggen, en zelfs de meest verlegen meisjes zongen en stampten de allitererende verzen zo hard als ze konden, tegen de donder in. – Toen ik ze later vroeg of Thor vandaag dood was, was het antwoord een verontwaardigd “Nee”, en verschillende kinderen riepen tegelijk: “Thor zit in onze harten, en als we iets stouts willen doen, dan slaat hij heel hard met zijn hamer in ons.”

De figuur van Baldur, de god van het licht en de lente, maakte bijzonder veel indruk op de kinderen:

Wanneer de lente overal op aarde is aangebroken;

Dan daalt Baidur, de leider van de zon, zo lichtvoetig neer op aarde,

Hij streelt de knoppen van de planten en heft ze op naar de hemel.

Dan raakt hij de knoppen van de planten heel zachtjes aan met zijn staf,

zodat ze zich voor hem openen en geurig in kleuren oplichten.

Hij wekt ook de dieren tot leven en roept de vogels tot zang;

De mensen bovenal houden van de helderste zonnegod,

Ze haasten zich naar de bossen en prijzen wat Baldur hen heeft geschonken.

Dan komen de heilige zangers, de skalden, die door het land trekken.

Ze zingen op de gouden lier wat Brage hun heeft geleerd,

En spoedig heerst er vrede in de wereld.

 

De kinderen ervaren de puurheid en tederheid van Baldur; alle zwaarte wordt van hen afgenomen. Ze voelen iets in zich dat alle aardse lasten kan overwinnen. – Vervolgens vertelde ik de kinderen een andere legende over Baldur, die hen een nieuwe richting in hun innerlijke leven zou kunnen wijzen. Er is een koningszoon die zijn vijand gevangen heeft genomen, die zijn bruid wilde stelen. Het vonnis wordt uitgesproken; de koningszoon moet hem zelf doden. Op weg naar de executieplaats komt hij door een helder berkenbos. Het is lente. Elke boom staat daar als een bruid in haar feestelijke jurk. Een jonge, knappe herder (Baldur) komt zingend door het bos. Hij vraagt ​​de somber kijkende koningszoon naar de reden van zijn ongenoegen. De koning vertelt hem alles. Dan vallen hun ogen op een paar lieveheersbeestjes, bedekt met een kluit aarde, die tevergeefs proberen zich te bevrijden. De herder maakt een beweging alsof hij ze met zijn stok wil verpletteren. Dan springt de koningszoon op, bevrijdt de kever van zijn last en laat hem wegvliegen in de heldere lucht. Dan roept hij in de lentemorgen:

“En mijn vijand zal niet sterven, hij zal mijn vriend worden.” – In dit verhaal leren kinderen: Zelfs slechte mensen hebben een sprankje licht; het is alleen verborgen, begraven, alsof onder een kluit aarde. We willen hen liefhebben en hen zo helpen die kluit aarde te verwijderen.

Er ontstond een nobele wedstrijd tussen de kinderen, Thor en Baldur,
om te bepalen wie de meest bekwame overwinnaar van vijanden was. Zowel krachtige slagen als vergevende liefde zijn immers noodzakelijk
om vijanden te overwinnen.

Toen verscheen Loki, de hatelijke en jaloerse god van het laaiende vuur, voor de kinderen. Ze zagen hoe list en leugens door hem de goden binnenslopen. Sterker nog, hij verleidt mensen tot allerlei slechte daden. Aanvankelijk genoten veel kinderen waarschijnlijk van de slimheid en listigheid waarmee Loki de reuzen bedroog, maar toen ervoeren ze de angstige gedachten van Wotan, de angstaanjagende dromen van Frigga. Ze hoorden van Iduna’s val.

Iduna, de godin van de verjongende kracht, zo mooi als een lenteochtend, was verdwenen. Tot dan toe had ze geleefd in de lichtrijke, vogelgezangrijke kruin van de wereldes, altijd actief, altijd vrolijk, altijd helder van geest. Eindelijk, na lang zoeken, vonden de goden haar bij de wortels van de es, waar de afgunstworm knaagde, dof kreunend en treurend zonder bewustzijn. Geen van de goden kon haar wakker maken. Is dit niet een beeld van de ziel in de loop van de menselijke geschiedenis? Vroeger bruiste ze van goddelijke gedachten, en hoe verstrikt is ze tegenwoordig in het materialisme.

Een groot verdriet overviel de kinderen bij dit beeld; ze werden pas getroost toen ik hen vertelde dat Brage, de god van de poëzie, bij Iduna bleef en haar steeds weer over haar goddelijke afkomst influisterde. Toen zeiden ze, volkomen opgelucht: “Brage zal er vast wel in slagen Iduna weer wakker en vrolijk te maken.”

Vervolgens vertelde ik de kinderen hoe Frigga’s dromen en Iduna’s  val de god Wotan, die naar kennis streefde, ertoe aanzetten om op zoek te gaan naar Baldurs dood en het lang voorspelde einde der goden, Ragnarök. De kinderen waren enorm geschrokken toen Baldur daadwerkelijk stierf, getroffen door zijn blinde broer Hödur, die de maretakpijl, die hij van Loki had gekregen, had afgeschoten. De zielen van de kinderen konden niet geloven dat dit wezen van licht moest sterven. Ze hoopten nog steeds op zijn wederopstanding. Veel later zouden ze het misschien ooit begrijpen: hebben de zielen in de oudheid niet de stralende aanwezigheid van God ervaren, en zijn ze daardoor niet blind geworden voor de geestelijke wereld, en ervaren ze nu alleen nog de wereld van de zintuigen?

Vanaf Baldurs dood neemt de spanning in het innerlijke leven van de kinderen met de dag toe. Aanvankelijk ervaren ze met een zekere voldoening hoe Loki gevangen wordt genomen en vastgebonden, maar ze beseffen de enorme omvang van zijn schuld pas echt door zijn vreselijke straf. Hij is geketend tussen twee rotsen en boven hem hangt een giftige worm, die constant gif op zijn gezicht druppelt, dat erdoor wordt weggevreten. Dan komt Loki’s vrouw en, overmand door medelijden, pakt ze een kom, vangt de gifdruppels op, en pas wanneer ze de kom moet legen, valt het gif op zijn gezicht. Dan schudt hij zo hevig dat de aarde beeft. Hieruit begrijpen de kinderen iets van hoe het menselijk gezicht, ooit geschapen naar Gods beeld, wordt weggevreten door al het kwaad, door afgunst en haat, maar hoe mededogen in de wereld kwam om haar van totale vernietiging te redden. Zweeft er niet een vage echo van een christelijk motief over dit beeld? –

Terwijl ik mijn verhaal vertelde, observeerde ik de kinderen.

Op hun gezichten was zichtbare voldoening te lezen na de gevangenneming van Loki, vervolgens grenzeloze afschuw over de straf, en daarna een wonderbaarlijke verlossing. Iedereen slaakte een zucht van verlichting door Sigune’s daad van mededogen.

En toen brak de laatste dag van dit alles aan. Ik had de indruk dat ik De Schemering der Goden voor de kinderen als een symfonie moest opbouwen. Eerst de voorbereidingen voor de laatste strijd tussen goden en reuzen. Trompetgeschal weergalmt: Heimdall, de bewaker van de Regenboogbrug, blaast op zijn hoorn, eerst waarschuwend en langzaam, dan luider en dringender. De goden roepen elkaar toe, dapper en vastberaden rukken de Einherjar op vanuit de poorten van Valhalla. Een chaos van heldere strijdkreten vult de lucht. Wotan geeft de hordes bevelen. Kalmte en beheersing keren terug. De geluiden klinken in harmonie. –

Op de gezichten van mijn kinderen stonden verwachting en spanning gegrift. Angstige vragen klonken, zoals: Wat zal er gebeuren, zullen de goden omkomen? Een van hen riep stoutmoedig: “Thor kan door niemand verslagen worden.” – Ik vervolgde: De reuzen rukken nu op, ik beschreef het schip met de ijsreuzen en Loki als hun leider. De Fenriswolf huilt met zijn gapende muil vooraan op het schip, de Midgardslang kronkelt achter hem, het zijn geluiden van de meest schrijnende disharmonie. De vuurreus komt met zijn reuzen. Er zijn vlammen en flikkeringen. Eindelijk, de goden en reuzen tegenover elkaar, en de strijd begint. Dan hoor je het gesis van de slang, het gehuil van de wolf, het geknetter van het vuur. Dan flitst de bliksem en slaat Thors hamer neer, die de schedels van de reuzen verbrijzelt. Met fonkelende ogen en rode wangen volgden de kinderen de individuele gevechten. Kreten als: Sla toe, Thor, verbrijzel de schedels van de reuzen! klonken door de klas. Een gejuich vulde de klas toen Thor de kop van de Midgardslang verbrijzelde. Maar direct daarna volgde sprakeloze afschuw toen ze hoorden: Thor doet drie stappen achteruit na het gevecht, zakt dan dood neer op de grond, vergiftigd door de adem van de slang. Ik vertelde verder hoe een vreselijk overwinningsgehuil van de wolf klonk, gevolgd door een ijzingwekkende stilte. Wat was er gebeurd? Thor was weg, verslonden door de wolf. – De kinderen keken me bleek van schrik aan, hun adem inhoudend. – En toen: een kreet van alle goden weerklonk, en Vidar zette zijn voet op de kaak van de wolf en stak zijn zwaard in diens keel.

Inmiddels waren bijna alle goden en reuzen verdwenen, toen de vuurreus de wereldboom in brand stak, en hij en de hele wereld in het water zonken, gehuld in vlammen en rook. Toen viel er een doodse stilte. – Bijna overweldigd door de machtige gebeurtenis zaten de kinderen daar. Op hun gezichten stond de vraag: “Is dit het einde?” Toen begon ik hen te vertellen over de nieuwe, groene aarde die uit het water oprees. Ik beschreef de stralende hal en vertelde hen over de herboren goden die in onschuld wandelden.

Nu haalden de kinderen opgelucht adem. Ten slotte sprak ik met hen over de stralende, de machtige van boven (zoals Hij in de Edda wordt genoemd), die over alle goden heerst. Op dit laatste moment ervoeren de kinderen iets van verlossing en wedergeboorte door Christus.

.

4e klas vertelstof: alle artikelen 

4e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas Edda

.

3552-3337

.

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Mededeling

 

Op deze blog verschenen artikelen in het kader van ‘de wereld is waar’, een motto dat Steiner gaf voor de leerlingen van 14 – 21 jaar.

Leerlingen die aan het begin van hun volwassen worden zien dat de wereld niet zo waar is.
Welk ander mens- en wereldbeeld kun je ze ook meegeven, naast het huidige dat voor o.a. landbouw en veeteelt zoveel nevenschade aan de wereld berokkent: vergiftiging van de aarde, stikstof- en mestproblemen, omgang met dieren enz.

Het kan anders en onderstaande nieuwsbrief getuigt daarvan.

Mooi omdat in de voedingsleerperiode van de 7e klas ook te kunnen behandelen en met een bezoek aan een bd-boerderij te kunnen laten zien.
Laten zien dat daar ‘de wereld waar is’.

Nieuwsbrief Samen voor Grond

Aardpeer – BD Grondbeheer info@bdgrondbeheer.nl

 

 

We zetten graag een bijzondere plek in het zonnetje: Boerderij Ruimzicht in de Achterhoek. Deze biodynamische boerderij is een plek die je raakt zodra je er bent. Hier groeien kalfjes op bij hun moeders in de familiekudde, grazen koeien bijna het hele jaar buiten en wordt met veel zorg gewerkt aan gezonde bodem, natuur en voedsel. Zo maken ze fantastische kaas en andere zuivelproducten!

Gerjo Koskamp en Jara van Rooij maken Ruimzicht compleet, zij werken met heel veel liefde aan een plek die echt hand in hand gaat met de natuur.

Voor Ruimzicht gaan we 4,3 hectare grond vrij te maken, zodat de grond voor altijd beschikbaar blijft voor biodynamische landbouw. Help je mee?

Win – Win

Om de campagne een boost te geven organiseren we de Ruimzicht Loterij. Voor €7 koop je een lootje waarmee je direct bijdraagt aan het vrijmaken van grond en kans maakt op mooie prijzen! De uitreiking zal plaatsvinden op 27 juni.

Doe je mee?

Doe mee met de loterij

Ruimzicht ‘Op de Melkweg’ festival

Van vrijdag 26 juni tot en met zondag 28 juni 2026 organiseert Boerderij Ruimzicht ook een festival: het ‘Op de Melkweg’ festival!

Geniet van goede livemuziek, lekker eten, gezelligheid, rondleidingen en volop ruimte om te ontdekken hoe ze hier werken (van gras en koe tot kaas en alles wat daartussen zit).

Bekijk het programma 

Zaterdag is vrij toegankelijk, dan is ook de trekking van onze Ruimzicht loterij. 

Meer info en tickets

Dit is Abrikoos! 🐮🍑

Lief hè? Abrikoos was dit jaar het eerste kalfje dat geboren werd op Boerderij Ruimzicht. Op Tweede Paasdag kwam hij ter wereld als zoon van koe Anette. Sindsdien geniet deze rustige knuffelkont van het leven aan de zijde van zijn moeder.

En Abrikoos hoeft gelukkig niet alleen door de wei te huppelen. Want ondertussen zijn ook Appeltje en Banaantje geboren! Alle drie zijn het stiertjes, iets wat niet vaak voorkomt.

Omdat de kalfjes zo dicht op elkaar geboren zijn, groeien ze echt samen op. Ze liggen dicht tegen elkaar aan in de stal en rennen speels achter elkaar aan door de wei.  Natuurlijk blijven ze ook dicht bij hun moeders, bij wie ze onbeperkt mogen drinken. Eerst het kalf, dan de rest. Zo hoort dat op Boerderij Ruimzicht.

Iedere dag lopen de drie mee met de kudde naar de melkstal en weer terug naar buiten. Soms wandelt een nieuwsgierig kalfje zelfs even mee naar binnen. Zo raken ze spelenderwijs gewend aan mensen en alles wat er op de boerderij gebeurt.

Alle kalfjes groeien op met veel liefde en aandacht tot nieuwsgierige, vertrouwde en vrolijke dieren.

Je kunt de avonturen van Abrikoos, Appeltje en Banaantje volgen via de social media-kanalen van Boerderij Ruimzicht.

Bekijk de gezellige video’s van Abrikoos

Doe jij al mee met de loterij van Boerderij Ruimzicht?

Voor €7 koop je een lootje waarmee je direct bijdraagt aan het vrijmaken van grond. En natuurlijk maak je ook kans op mooie prijzen.

De prijzen: 

1. Diner voor 2 personen bij Boer’nTafelen t.wv. 60 euro

2. Tegoedbon voor de Ruimzicht winkel t.w.v. 45 euro

3. Ruimzicht kaaspakket t.w.v. 26 euro

De winnaar wordt bekendgemaakt op 27 juni tijdens Ruimzicht op de Melkweg festival*.

*Iedereen is welkom op het gratis festival, je hoeft niet aanwezig te zijn om de prijs te innen

Koop een lot

De grondlegger van Loverendale

“Door mijn bezittingen zoo te verdeelen hoop ik een steentje bij te dragen tot het geluk der menschheid dus ook tot het uwe.” – Marie Tak van Poortvliet

Honderd jaar geleden liep er een bijzondere vrouw rond in Zeeland: Marie Tak van Poortvliet.

Marie groeide op in een welgestelde familie in Den Haag. Na het overlijden van haar ouders erfde ze een groot vermogen en verschillende landgoederen in Zeeland.

In plaats van dat vermogen alleen voor zichzelf te gebruiken, zette ze het in voor ideeën waar ze in geloofde.

Volgens Marie is Loverendale een geschenk aan de mensheid en daarom schonk ze vrijwel haar hele vermogen aan Loverendale.

Leer meer over Marie

Terugblik op BD de boer op

Onder een stralende zomerzon kwamen we op 30 mei samen op Loverendale voor de ‘BD de Boer op’ dag. Het evenement bracht ruim 140 donateurs en betrokkenen van Aardpeer-BD Grondbeheer en de BD Vereniging vanuit allerlei windstreken naar Loverendale in Oostkapelle.

Na een heerlijke lunch volgde een veelzijdig middagprogramma, waarin bezoekers kennismaakten met Loverendale.

Tijdens zijn rondleiding vertelde Tim Moerman hoe hij de afgelopen tien jaar heeft gewerkt aan het toekomstbestendig maken van het bedrijf. Van het opknappen van erf en gebouwen tot de vernieuwing van de winkel en het heropenen van de bakkerij.

Ook de andere excursies boden bezoekers een kijkje achter de schermen. Fleur de Jeu en Ellen Winkel namen hun groep mee door heden en verleden van Loverendale. Thomas Hoedjes vertelde over de zaadteelt en veredeling die op het bedrijf plaatsvinden. Jos Willemse wist met zijn ‘bijenmonoloog’ het fascinerende leven van een bijenvolk tot leven te brengen. En Astrid van Zon liet deelnemers de schilderijen van Jacoba van Heemskerck op een bijzondere manier van binnenuit beleven.

We gingen ook in gesprek over ons grote doel: de grond van Loverendale vrijmaken, voor altijd. Al meer dan 1300 mensen deden mee aan onze campagne voor Loverendale. Doe ook mee er is namelijk nog best een grote som geld nodig!

Bekijk de campagne

Vrije grond voor Loverendale

Doneer
Aardpeer

Samen voor Grond

Campagnes

Boeren

Over Aardpeer

info@aardpeer.nl

www.aardpeer.nl

BD Grondbeheer

Doneer een stukkie grond

Campagnes

Boeren

Over BD Grondbeheer

info@bdgrondbeheer.nl

www.bdgrondbeheer.nl

Volg ons ook op onze socials
Betaalgegevens

IBAN: NL32 TRIO 0198 486 197

RSIN: 007255317

Adres

Stichting BD Grondbeheer, Diederichslaan 25, 3971 PA Driebergen, The Netherlands

Algemene menskundede wereld is waar

Sociale driegeledingalle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Wanneer kan je 1 (één) van 19 aftrekken en tóch 20 overhouden?

 

Oplossing volgt later

 

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Mededeling Nationale Vertelschool

 

De wereld tevoorschijn spreken:
Onze morele verantwoordelijkheid als realiteitsscheppers

In een tijd van mondiale verwarring staan we voor een wezenlijke vraag: wat maakt ons tot mens?

Wat in jou leeft, wordt tot waarheid; jouw denken bepaalt wat je waarneemt. Deze enorme morele verantwoordelijkheid vraagt erom dat we onszelf eerlijk, diep en kwetsbaar durven uitspreken. Het is hét hedendaagse gebaar dat ons de weg wijst door de chaos.
Voordracht Aristoteles

Voordracht “Met welk recht verklaart gij de wereld zonder het denken voor voltooid?”
do. 28 mei – Den Bosch  »
Deze maand verkennen we in een voordracht de prikkelende vraag: “Met welk recht verklaart gij de wereld zonder het denken voor voltooid?” We zullen ontdekken hoe ons kennen samenhangt met de categorieën van Aristoteles en de Filosofie van de Vrijheid. Een diepe duik in het scheppende proces van ons waarnemen.
Op woensdagavond 20 mei verkennen wij de Filosofie van de Vrijheid op de Waldorfschool Auryn te Zutphen  »
Filosofie van de Vrijheid Zutphen

Kennismaking Filosofie van de Vrijheid – 20 mei, Zutphen  »
Daarnaast nodigen we alle mannen uit voor Expeditie Wildeman:
  • • Ga jij mee op avontuur? 14-17 mei 2026
  • • Landgoed De Zonnebloem (Winterswijk)  »
Tot slot: de Intensieve Verteltraining gaat weer van start (zie details in de vorige nieuwsbrief).

Vooruitblik: Triskal Festival

De mooiste en aangrijpendste sprookjes, mythen en inzichten

Als je nog niet wakker bent op deze vroege ochtend, dan word je het wel door de pakkende manier van vertellen van meesterverteller Wim Wolbrink.
Tijdens het Triskal Festival nodigt Wim Wolbrink je uit om vergeten dimensies te herontdekken. Hij legt een verrassende verbinding tussen de monumentale heroïek van Homerus’ Ilias en de louterende sprookjes van de gebroeders Grimm.
Logo Triskal Festival
Wat hebben de toorn van Achilles en het geduld van Assepoester gemeen? Beiden spreken ze een taal die onze rationele geest is vergeten, maar die onze ziel direct herkent.

Maak alvast kennis met de docenten van

de Intensieve Verteltraining najaar 2027

Achter de Intensieve Verteltraining staat een gepassioneerd team. Wim, Margot en Jorn brengen elk hun eigen expertise en bezieling in om jou te begeleiden naar de kern van het vertellen.
Wim Wolbrink

Wim
Wolbrink

Ruim twintig jaren geleden richtte hij samen met Frans de Vette de Nationale Vertelschool op.
Als voordrachtkunstenaar en menskundig adviseur opent Wim de innerlijke wereld van de luisteraar. Met diepe wortels in de antroposofie leert hij je hoe je via innerlijke voorstellingen contact maakt met de Geestelijke Wereld.
Margot Vermeulen

Margot Vermeulen

Wat twintig jaar geleden begon met een cursus bij de Nationale Vertelschool, is voor Margot uitgegroeid tot een levenslange passie. Onder de naam ‘Verhalenderwijs’ brengt zij haar jarenlange ervaring over met een focus op bezieling en verbinding.
Jorn Scholten

Jorn Scholten

Jorn zocht jarenlang naar kleur, tot de Nationale Vertelschool zijn leven veranderde. Nu gebruikt hij verhalen als spiegel en betovering. Hij vond zijn eigen kleur, leerde buiten de lijntjes kleuren en gunt anderen met passie diezelfde transformerende reis.
Flyer voordracht

Wat is het fundament van de Vrijeschool? Maak op een laagdrempelige manier kennis met de filosofie die aan de basis staat van Waldorfschool Auryn.

Meer informatie & aanmelden »

Uitgelicht
Voordracht Den Bosch

Voordracht:
Met welk recht…

Woensdag 28 mei 2026 | 20.00 uur
Den Bosch
Een prikkelende voordracht over de rol van het denken. Is onze wereld wel voltooid zonder onze actieve deelname?

Het levende denken
Wim Wolbrink onderzoekt de menselijke geest.

Kerngegevens:

  • 28 mei | Den Bosch
  • Spreker: Wim Wolbrink
Triskal Festival

Voordracht:
De Westerse Leegte

Vrijdag 19 juni 2026 | Festival
Neede (Gld)
Spelen met vuur
Onderzoek de ‘Westerse Leegte’ als weg naar nieuw inzicht tijdens het Triskal Festival.

Midzomer magie
Verhalen rond het vuur.

Kerngegevens:

  • 19 juni | Neede
  • Spreker: Wim Wolbrink

Urgent

Expeditie Wildeman
14 t/m 17 mei 2026 – Expeditie Wildeman
Landgoed Zonnebloem, De Slingeweg 12, Winterswijk (Achterhoek)
Hé wildeman, ga je mee op expeditie? Tijdens Expeditie Wildeman komen mannen samen om écht te verbinden. Hier kun je jezelf laten zien zoals je werkelijk bent: authentiek, kwetsbaar en krachtig.
Vier dagen lang stap je uit de dagelijkse drukte en neem je de tijd om naar jezelf en anderen te luisteren. Samen.
Openingsprogramma:
Het volledige sprookje van de gebroeders Grimm ‘De Wildeman’ als levende voordracht door Sander Verwer en Wim Wolbrink.
Nationale Vertelschool
Kantoor: Kasbah, Eendengang 75 7552 KN Hengelo
T: 06 – 133 47 333  E: info@nationalevertelschool.nl
KVK: 83.68.51.70

VRIJESCHOOL- actueel – St.-Jan – alle artikelen

.

Sint-Jansfeest: alle artikelen

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan hoort een koppelteken. Ook bij de afkorting St.- Jan.
In samenstellingen vervallen de hoofdletters: sint-jansvlinder; sint-janskruid. Samenstellingen die direct met het feest verband houden zie je weer wel met de hoofdletters: St.-Jansnacht; hoewel Van Dale sint-jansvuur heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – actueel – schoolrijpheid

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

zie ook een interessant gezichtspunt van Ewald Vervaet i.v.m. het leesvaardigheidsvermogen van kleuters.

.

VRIJESCHOOL – actueel – getuigschriften

.

Getuigschriften: alle artikelen

Is het alles goud wat er blinkt….?

..

VRIJESCHOOL – Mededeling – Sociale driegeleding – agenda/activiteiten

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Nieuwsbrief sociale driegeleding

Nr. 8  /  10 april 2026
Een zekere rust én betrokkenheid: dat zijn ingrediënten om de ontwikkelingen in de wereld te kunnen volgen. Inzicht en verbondenheid zijn ingrediënten om te weten wat ons te doen staat. En dan nog de moed om samen in beweging te komen.
Op www.socialedriegeleding.nl proberen we je hiertoe te inspireren!
 
Actueel

Een  gedachte bij stijgende brandstofprijzen
Toen Rudolf Steiner zich in de turbulente jaren na de oorlog van ’14-’18 inzette voor de sociale driegeleding en daar in verschillende kringen (ook) op bijval stuitte, werd er toch gezegd: “Laten we eerst het probleem van de hyperinflatie oplossen… Lees verder »
 

Voorbij de chaosIn  bepaalde kringen wordt gedacht dat uit chaos een nieuwe samenleving kan  ontstaan. In hun verlangen naar die nieuwe samenleving, zijn er ook mensen die  zich actief inzetten om die chaos te laten ontstaan. Afgaande op de huidige  situatie, lukt dat al aardig. Lees verder »
 
Artikelen
 
Voor de aarde zorgen
Gerald Häfner
De grond kan alleen worden verzorgd door de boer die hem bewerkt. Handelen op Wall Street heeft niets te maken met zorgen en niets  met verantwoordelijkheid nemen.
Een fragment uit een interview met Vandana Shiva Lees verder »
‘Giftige uitwassen’: welvaartsverdeling & de sociale hoofdwet
Christopher Schaefer
De Verenigde Staten kent de grootste ongelijkheid in welvaart van alle Westerse landen. Eén procent van de bevolking heeft de financiële controle over 40 procent van de welvaart van het land, terwijl de onderste tachtig procent genoegen moet nemen met zeven procent daarvan Lees verder »
 
Korte, inleidende teksten die snel duidelijk maken waar het in de sociale driegeleding om gaat, bijvoorbeeld:
Vrij geestesleven & democratieEen zone in de samenleving waar mensen zich ontwikkelen. Waar ze (van) elkaar van alles leren. Waar ze elkaar stimuleren  om een volgende stap te zetten. Zo zouden we het ‘geestesleven’ kunnen noemen. Lees verder »
Staat en economie
Economische activiteit is geen opgave voor de staat maar voor ondernemers en hun medewerkers. Het stellen van grenzen aan de economie is wél een opgave van de staat. Lees verder >>
 
Driegeleding in vraag & antwoord
 
Is de sociale driegeleding een haalbare zaak? Lees verder »
 
Agenda
Zomerse driegeleding in Zoetermeer
Een  driedaagse bijeenkomst rond het thema: het bestaande metamorfoseren, met Joost Poel en John Hogervorst
kijk de volledige agenda: KLIK HIER
 
Verschenen:
Luuk Humblet
Samen bouwen aan een nieuwe economie

Nog niet eerder is Rudolf Steiners gedachtengoed over de economie zó helder, omvattend en begrijpelijk beschreven als in dit levenswerk van Luuk Humblet. Veertig jaar lang onderzocht hij de sociale driegeleding en de associatieve economie, niet alleen ‘studerend’ maar ook in de praktijk met de natuurvoedingswinkel De Blauwe Bloem, waar een kring van klanten mee-oefende. In dit boek, dat zo geschreven is dat het lezen geen worsteling maar een genoegen is, komen inzicht en daad samen.
Nearchus CV
ISBN 9789083633411
(paperback, 252p)
€ 24,50

Aanbieding voor de lezers van deze Nieuwsbrief:

Gratis: het nieuwste nummer van tijdschrift Driegonaal (februari 2026)
wanneer u deze titel bestelt
+ thuisbezorgd zonder verzendkosten (binnen NL)
Mail naar: info@nearchus o.v.v. uw naam + adresgegevens
Aanbieding geldt tot en met zondag 19 april a.s.

Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (10-7)

.

*GA 293         Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

MENS EN DIER

Nadat Steiner het motief van hoofd – borst – ledematen met de cirkels, het ronde en het stralende, nog een keer herhaalt, sluit hij dat a.h.w. af met het wijzen op lichaam, ziel en geest.  [10-2]  [10-3]  [10-4]

En via ‘geest’ komt hij nu ook nog eens terug op het concilie van Constantinopel in 869, wat hij al deed in voordracht 3 [3-2]

Hij noemt daar een aantal gevolgen.

Blz. 156    vert. 151

Geist gibt es seit dem Jahre 869 für die vom Katholizismus ausgehende Kultur des Abendlandes nicht mehr. – Aber mit der Beziehung zum Geiste ist abgeschafft worden die Beziehung des Menschen
zur Welt. Der Mensch ist mehr und mehr in seine Egoität hineingetrieben worden. Daher wurde die Religion selbst immer egoistischer und
egoistischer, und heute leben wir in einer Zeit, wo man, ich möchte
sagen, wiederum aus der geistigen Beobachtung heraus die Beziehung
des Menschen zum Geiste und damit zur Welt kennenlernen muß.
Wer hat denn eigentlich die Schuld, daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben? Daß wir einen naturwissenschaftlichen Materialismus bekommen haben, daran hat die Hauptschuld die katholische Kirche, denn sie hat im Jahre 869 auf dem Konzil von Konstantinopel den Geist abgeschafft. Was ist damals eigentlich geschehen?

Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het Avondland. –
Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke
wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.
Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuurwetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voornamelijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft.

Omdat – zoals we zagen – de ledematen het meest ‘geest’ zijn – viel een begrip daarvoor weg en dat opende de weg naar ‘de mens als (hoger)* dier’.

Blz. 157   vert. blz. 152

Gerade indem die katholische Kirche dem Menschen verborgen hat die Natur
seiner Gliedmaßen, seinen Zusammenhang mit der Welt, hat sie verursacht, daß die spätere materialistische Zeit verfallen ist in die Idee, die nur für den Kopf eine Bedeutung hat, die sie aber für den ganzen Menschen anwendet.

Juist doordat de katholieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de hele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd

En dan: 

Die katholische Kirche ist in Wahrheit die Schöpferin des Materialismus auf dem Gebiet der Evolutionslehre. 

In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer gecreëerd.
GA 293/156
Vertaald/152

*In mijn jeugd was het zo: of je geloofde de Bijbel – de mens is door God geschapen, of je nam aan wat wetenschappelijk gemeengoed was: de mens stamt af van de dieren.
Toen ik naar de middelbare school ging, gebruikten we bij biologie een methode: ‘Leerboek der dierkunde – deel 1: de mens’.
Dat ‘afstammen van de dieren’ werd op zeker ogenblik meer specifiek ‘van de apen’.
Met het boek van Desmond Morris ‘De naakte aap – een zoölogische studie van het menselijke dier’ – werd in 1967 concreet wat al lang werd gedacht en uitgesproken.
(In 1931 duidde de Belgische dichter Raymond Herreman in het gedicht Euridice (1931) de mens al aan als ‘naakte aap’).

Ik was laatst in een restaurant waar ik op een kast dit beeldje aantrof:

 

 

 

 

 

 

 


En er zijn allerlei afbeeldingen te vinden in deze trant:

Maar in verschillende wetenschapsdisciplines is deze idee los gelaten en wordt nu aangenomen dat de afstamming van de mens veel eerder dan ‘na de chimpansee’ zich als een aparte tak afsplitste van een gemeenschappelijke voorouder.

Veel mensen denken dat de mens afstamt van de mensapen, zoals de chimpansee. Dat is echter niet waar. We delen weliswaar een voorouder, maar beide soorten hebben miljoenen jaren evolutie doorgemaakt. “Onze gemeenschappelijke voorouder was noch mens, noch chimpansee.”
Kennislink, maart 2023


Voor veel mensen is dit nog ‘de wetenschap’ over de afstamming van de mens, een soort gemeengoed dus.

Tegelijkertijd heeft de mening dat de mens een dier is, zich sterker en met meer overtuigingskracht verspreid.
Telkens kom je wel ergens tegen ‘de mens en de andere dieren’.
Soms twijfelend uitgesproken, soms met een een onwetenschappelijke zekerheid, zoals bij Trouw-columnist Jelle Reumer: ‘De mens is een dier. PUNT UIT!
Dan is het niet vreemd dat de grote verschillen die er tussen mens en dier bestaan, niet meer worden gezien. Deze zelfde Reumer zegt vervolgens: ‘‘Niets menselijks is de dieren vreemd. (…)’.

Wie zich verdiept in het mensbeeld dat in de Algemene menskunde verschijnt, of ruimer, in de antroposofie, ziet meteen dat mensen die de kreet ‘de mens en de andere dieren’ bezigen, alleen naar al datgene kijken wat hier ‘astraallijf wordt genoemd.
Het Ik – de geestelijke kern van de mens die bij de dieren ontbreekt – wordt niet gezien: de geest is immers al in 869 afgeschaft!

Nu kan ik me goed voorstellen dat als je – nog weinig wetend van de vrijeschoolpedagogie – laat staan de menskundige achtergronden – als nieuwe vrijeschoolleerkracht biologie, net afgestudeerd aan de universiteit, wel even moet slikken als je met die andere visie geconfronteerd wordt.
Stel je je ervoor open of kijk je meewarig naar een stelsel van gedachten dat door jouw studie al lang achterhaald lijkt te zijn…..

Voordracht 10 laat geen ruimte om je aan de de inhoud ervan te onttrekken:

Blz. 158  vert. blz. 152

Es geziemt insbesondere dem heutigen Lehrer der Jugend, solche Dinge zu
wissen. Denn er soll sein Interesse verknüpfen mit dem, was in der
Welt geschehen ist. Und er soll die Dinge, die in der Welt geschehen,
aus den Fundamenten heraus wissen.

Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware
achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die
un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise
erziehen will.

Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil
hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken.

Over dit ‘vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen’ heeft Steiner vaker gesproken. 
Hij gebruikt dan dikwijls ook het woord ‘imponderabel’.

Zie Steiner over het imponderabele.

Hier vind je de meeste van die opmerkingen die er allemaal op neerkomen dat het van wezenlijk belang is voor de verhouding met je leerlingen hoe je over de opgroeiende mens denkt.
Dat is de mens als geestelijk wezen.
Dus niet een mens bij wie de geest ontbreekt.
Zoals het zo kernachtig in de morgenspreuk wordt verwoord:

‘(de wereld) waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft.

De drieledige mens dus!

Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben.

Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping.

Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebildetes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen Illusionen darüber hingibt,
er tritt mit dem deutlichen Bewußtsein vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mensch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die Natur schon entwickelt hat.

Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft.

Door Steiners mededelingen kunnen vrijeschoolleerkrachten tot die stemming geraken die hier wordt bedoeld.
Dat wil voor mij niet per definitie zeggen dat leerkrachten die deze gezichtspunten niet kennen, geen goede opvoeders en lesgevers zouden kunnen zijn. [Opspattend grind]
Evenals dat mensen die het standpunt huldigen dat ‘de mens ook een dier is’. per definitie hun medemens anders behandelen dan iemand die over ‘de kroon van de schepping’ spreekt. 

Toch – en dat is een eigen ervaring – kunnen deze gezichtspunten je dieper doordringen van het gegeven hoe uniek ieder mens, dus ook iedere leerling is. Je kan nog meer recht doen aan het feit dat deze een individuele geest is/heeft, een volkomen uniek Ik waarvoor je als opvoeder moet zorgen.

Anders wird er fühlen, wenn er sagt:
Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganzen Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich etwas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ganzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimmer: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom Makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja viele Mittelpunkte für den Makrokosmos. –

Hij (de opvoeder) zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos

Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen.

Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld
zien.

Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, übertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder.

Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen.

Blz. 159  vert. 153

Gehen Sie in die Schule hinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinderganzen. Aus solchen Gefühlen heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein.

Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden – woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communiceren.
Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins
een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn.

Andere plaatsen waar Steiner iets soortgelijks opmerkt:

Als Frage der übersinnlichen Welt an die sinnliche, so sollte eigentlich vor dem Gemüte des Lehrenden  oder Erziehenden jedes Kind stehen.

In het gemoed van de leraar of de opvoeder zou eigenlijk ieder kind gezien moeten worden als een vraag van de boven­zinnelijke wereld aan de zintuiglijke wereld.
GA 296/70
Vertaald/81

( ) für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß.

Voor de vrijeschoolpedagoog is iedere leerling een raadsel; iets wat in iedere individuele leerling tot uiting komt en wat op een levendige manier elke dag, elk uur opgelost moet worden.
GA 297/136  
Op deze blog vertaald/136

Denn durch die Geburt bringen wir aus der geistigen Welt unsere Anlagen mit. Jedesmal, wenn ein Mensch geboren wird, kommt eine Botschaft aus der geistigen Welt in die physisch-sinnliche Welt herunter.

Met de geboorte brengen wij uit de geestelijke wereld onze aanleg mee. Iedere keer, wanneer er een mens wordt geboren, komt er een boodschap uit de geestelijke wereld in de fysiek-zintuigelijke.
GA 297a/34
Op deze blog vertaald/34

Man soll sich nicht sagen: du sollst dies oder jenes in die Kinderseele hineingießen, sondern du sollst Ehrfurcht vor seinem Geiste haben. Diesen Geist kannst du nicht entwickeln, er entwickelt sich selber. Dir obliegt es, ihm die Hindernisse seiner Entwicklung hinwegzuräumen, und das an ihn heranzubringen, das ihn veranlaßt, sich zu entwickeln.

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
GA 305/74
Vertaald/80

Wenn uns der Mensch in diesem Erdendasein das wertvollste Geschöpf der Götter ist, dann müssen wir vor allen Dingen fragen: Was haben die Götter in dem Menschen vor uns hingestellt? Wie haben wir dasjenige, was sie uns überlassen haben, hier auf Erden an dem Menschen zu entwickeln?

Als de mens in dit aardebestaan voor ons het waardevolste schepsel van de goden is, dan moeten we voor­al vragen: wat hebben de goden in de mens voor ons neerge­zet? Hoe moeten we dat wat zij aan ons hebben toevertrouwd, hier op aarde aan de mens ontwikkelen?
GA 307/132    
Vertaald/169

Er (der Lehrer) soll mit einer ungeheuren Ehrfurcht vor dem Kinde stehen und wissen: da ist ein Göttlich-Gei­stiges auf die Erde heruntergestiegen. Daß wir dieses wissen, mit diesem unser Herz durchdringen und von da aus Erzieher werden, darauf kommt es an.

De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.
GA 311/19
Op deze blog vertaald/19

Voordracht 10 sluit af met:

Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.

En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens
GA 293/156-158
Vertaald/151-153

Zie ook
H.Poppelbaum: Mens en dier
Leen Mees: Dieren zijn wat mensen hebben
Leen Mees: De aangeklede engel

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3551-3336

.

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Oplossing volgt later

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (3)

.
Een functie van het astraallijf

We kwamen er in de vorige artikelen achter dat Steiner herinneren ziet als een ‘lezen van het etherlijf door het astraallijf’.
Gebeurtenissen, waarnemingen die bij ons ‘binnen’komen – of we daar een bewust aandeel in hebben of niet – maken een indruk op ons – we gebruiken heel vaak het woord ‘indrukwekkend(e)’.
Als Steiner het woord ‘lezen’ gebruikt, denken we misschien te snel aan een boek, dus aan een concreet, vast ding.
Maar dat is het etherlijf allerminst: er wordt over gezegd dat het beweegt, stroomt, fluctueert. Ook dat het krachten zijn, vormende, (groei)-krachten.
En dát zou het astraallijf dan lezen.

Uit andere mededelingen weten we dat het astraallijf de drager is van het bewustzijn.
Als we dus door ons iets te herinneren ‘er weet van hebben’, heeft het astraallijf dus iets kunnen lezen.
Om even in dit beeld te blijven: hoe duidelijk is dan dát wat ingeschreven werd, is het een duidelijke tekst, eventueel in hoofdletters of is het een vaag, a.h.w. verbleekt schrift. M.a.w. hoe staat/zit het in het etherlijf (gegrift).

Het etherlijf

Op verschillende plaatsen noemt Steiner het etherlijf  ‘de drager van het geheugen, de herinneringen’.
Stel dat we in dit geval eens zouden zeggen: als ‘iets’ ‘iets’ moet dragen, moet het sterk genoeg zijn om dat te kunnen doen.

En voor vrijeschoolleerkrachten zou dus de vraag kunnen zijn: ‘Als ik mijn leerlingen iets wil leren dat ze zich moeten blijven herinneren, moet ik dan niet eerst het instrument zo sterk maken dat het de kracht, het vermogen krijgt om te dragen. 

De ontwikkeling van het geheugen is voor Steiner iets zeer belangrijks, wat uit deze woorden blijkt:

Eine Seelenkraft, auf welche in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung besonderer Wert gelegt werden muß, ist das Gedächtnis.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen.

In deze ontwikkelingsfaseis de 2e fase, die tussen tandenwisseling en puberteit.

Die Entwicklung des Gedächtnisses ist eben an die Umbildung des Ätherleibes gebunden.

De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de verandering van het etherlijf.

Da dessen Ausbildung so erfolgt, daß er gerade zwischen Zahnwechsel und ­Geschlechtsreife frei wird, so ist diese Zeit auch diejenige, in der von außen bewußt auf die Fortentwicklung des Gedächtnisses gesehen werden muß. Das Gedächtnis wird bleibend einen geringeren Wert haben, als es hätte für den betreffenden Menschen haben können, wenn in dieser Zeit das Entsprechende versäumt wird. Das Vernachlässigte kann später nicht mehr nachgeholt werden.

Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid het etherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust gewerkt worden aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuimde kan later niet meer worden ingehaald.
GA 34/333-334
Vertaald

Dat betekent dat we pas rond of na de tandenwisseling gericht aan het geheugen moeten gaan werken. 

En vóór de tandenwisseling dan?

In de 1e zeven jaar werkt het etherlijf nog aan het fysieke lichaam: het is er a.h.w. nog zo mee verbonden dat het nog niet zelfstandig is. 
Steiner maakt wat dit ‘nog niet zelfstandig’ betreft, een vergelijking met het fysieke lichaam van het ongeboren kind: ook dit is nog niet zelfstandig en wordt indirect – van binnenuit – ontwikkeld. 
Na de geboorte van het fysieke lichaam is het etherlijf daarin nog niet zelfstandig; het werkt er ‘van nature’; we moeten het z’n gang laten gaan, zoals we een bloem die wil gaan bloeien haar gang laten gaan. Alvast wat blaadjes eruit peuteren o.i.d. levert alleen schade op en zeker niet de bloem die op weg was ‘zichzelf’ te worden.  

Als het etherlijf dan ‘klaar’ is met het opbouwwerk, komt dit tot een zichtbare afsluiting in de tandenwisseling. Dit gezichtspunt verwoordt Steiner in vele voordrachten: over de tandenwisseling.

Als je al die passages bestudeert, krijg je een indruk van de werkzaamheid van het etherlijf in de eerste zevenjaar. 
Voor een gezonde ontwikkeling kunnen we niets anders doen dan voorwaarden scheppen waaronder het etherlijf zijn opbouwende werk kan verrichten.
Zie bv. in GA 34.

En zoals we na de fysieke geboorte het fysieke lichaam verzorgen, zo moeten we na de geboorte van het etherlijf dit prille zelfstandig wordende etherlijf ook verzorgen.

Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden.

Van het zevende tot het veertiende jaar mag de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen.

Steiner spreekt hier over ‘opvoeding’ van het etherlijf. Een andere vorm van wat we voor het lichaam ‘voeding’ noemen.

Steiners ‘pedagogische wet’

Vóór een aantal aanwijzingen op te sommen, lijkt het me hier zinvol Steiners zgn. ‘pedagogische wet’ te noemen, die inhoudt dat de volwassene met zijn Ik inwerkt op het astraallijf van het kind, met zijn astraallijf op diens etherlijf en met zijn etherlijf op diens fysieke lichaam.
Als wij dus op het etherlijf van het kind een positieve invloed willen uitoefenen – in het kader van dit artikel nog steeds met de achterliggende gedachte het sterk te maken als geheugen/herinneringskracht – zullen we – opvoeding is zelfopvoeding – aan ons astraallijf moeten werken. Dat gaat niet zonder de ‘inschakeling’ van ons Ik.
Het een is niet los te zien van het ander, ook in groter verband niet:

Die ganze Kulturentwickelung drückt sich für den Menschen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Gliedern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinunter. Unter dem Einflüsse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen
des physischen Leibes. Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kultur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der menschlichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kulturfaktoren wirken auf den Empjßndungsleib; sie bringen diesem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprünge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Veredelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Impulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.
Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Ergebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Einsicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het etherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.
Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.

Es kann aber das Ich noch zu einer höheren ureigensten Arbeit an der eigenen Wesenheit des Menschen kommen. Dies geschieht, wenn nicht bloß der Astralleib bereichert, sondern der Äther- oder Lebensleib ­umgestaltet wird. Der Mensch lernt so manches im Leben; und wenn er von irgendeinem Punkte aus auf dieses Leben zurückblickt, so kann er sich sagen: ich habe vieles gelernt; aber er wird in einem viel geringeren Maße von einer Umwandlung von Temperament, Charakter, von einem Besser- oder ­Schlechterwerden des Gedächtnisses während des Lebens sprechen können. Das Lernen betrifft den Astralleib; die letzteren Umwandlungen dagegen betreffen den Äther- oder Lebensleib. Es ist daher kein unzutreffendes Bild, wenn man die Veränderung des Astralleibes im Leben mit dem Gang des ­Minutenzeigers der Uhr, die Umwandlung des Lebensleibes mit demjenigen des Stundenzeigers vergleicht­.

Het is echter mogelijk, dat het ‘ik’ komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van ’s mensen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn temperament, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van temperament, karakter enzovoort echter met het ether- of levenslichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.
GA 34/318-319
Vertaald

Aber es gibt andere Kulturmittel, wodurch das Ich an sich arbeitet, und das sind die religiösen Impulse der Menschheit. Was aus der Religion stammt, ist ein arbeitender Motor des Geisteslebens, ist mehr als äußere Rechtsgrundsätze und Moralgrundlagen. Wenn das Ich auf Grund religiöser Impulse arbeitet, dann arbeitet es in den Ätherleib hinein. Ebenso wenn das Ich aufgeht in Betrachtung eines Kunstwerkes und eine Ahnung erhält, daß hinter dem sinnlichen Dasein ein Ewiges, Verborgenes verkörpert sein kann, dann wirkt die künstlerische Vorstellung nicht nur in den Astralleib, sondern der Mensch veredelt und läutert den Ätherleib. Könnten Sie einmal als praktischer Okkultist beobachten, wie eine Wagnersche Oper auf die verschiedenen Glieder der menschlichen Natur wirkt, es würde Sie überzeugen, daß besonders die Musik es ist, die ihre Vibrationen tief hineinsenken läßt in den Ätherleib. Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur.

Maar er zijn andere culturele middelen waarmee het Ik aan zichzelf werkt, en dat zijn de religieuze impulsen van de mensheid. Wat voortkomt uit religie is een werkende motor van het spirituele leven, meer dan externe wetmatige principes en morele grondslagen. Wanneer het Ik werkt op basis van religieuze impulsen, werkt het in op het etherisch lichaam. Evenzo, wanneer het Ik verzonken is in de beschouwing van een kunstwerk en een vermoeden krijgt dat er iets eeuwigs en verborgens belichaamd kan zijn achter het zintuiglijke bestaan, dan werkt de artistieke conceptie niet alleen in op het astrale lichaam, maar veredelt en zuivert de mens ook het etherisch lichaam. Als u, als praktisch occultist*, zou kunnen observeren hoe een Wagneriaanse opera de verschillende delen van de menselijke natuur beïnvloedt, zou u ervan overtuigd zijn dat het vooral de muziek is die haar trillingen diep in het etherisch lichaam laat doordringen. Nu is het etherisch lichaam ook de drager van alles wat min of meer permanent is in de menselijke natuur.

*te begrijpen als iemand die zijn helderziende vermogens ontwikkeld heeft of aan het ontwikkelen is.

Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes. Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwicklung ein kleines Beispiel gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

Je moet je het verschil realiseren tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astrale lijf. Laten we eens terugdenken aan onze eigen levensloop. Denk eens aan wat je allemaal hebt geleerd sinds je achtste; het is enorm veel. Denk eens aan de inhoud van je ziel: principes, ideeën, enzovoort. Dit zijn veranderingen, transformaties van je astrale lijf. Maar bedenk nu eens hoe weinig veranderingen er bij de meeste mensen plaatsvinden in wat we gewoonten, temperament en in het algemeen wat we vaardigheden noemen. Als iemand opvliegend is, was dat al vroeg zichtbaar en is er weinig veranderd. Als iemand een vergeetachtig kind was, zal hij dat vandaag de dag nog steeds zijn. We kunnen een klein voorbeeld gebruiken om deze ongelijke ontwikkeling te illustreren. Deze ontwikkeling gedraagt zich alsof de veranderingen in het astraallijf worden aangegeven door de grote wijzer en de veranderingen in het etherlijf door de kleine wijzer van een klok. Dat wat een mens verandert in zijn etherlijf, dat wat het Ik van het etherlijf heeft gemaakt, wordt buddhi genoemd of, als je een Duits woord wil gebruiken, Lebensgeist, levensgeest.
GA 54/125 -126
Niet vertaald

Middelen die ons ten dienste staan om onze eigen wezensdelen te cultiveren, zijn dus volgens bovenstaande tekst: kunst: kunstwerken, muziek, religie.
Er is natuurlijk meer, denk o.a. aan deze oefeningen die Steiner gaf.
Dit alles kan maken dat je ‘meer mens’ wordt. En daarmee werk je – zie de opmerkingen over het
imponderabeleop het kind.
Daarmee word je steeds meer de natuurlijke
autoriteit die Steiner bedoelt.

Dat lijkt een omweg: jezelf ontwikkelen om op de drager van het geheugen zo positief te werken, dat dit sterker wordt.
Concreter nog: ook al gaat het hierboven over de taak van het Ik, ons astraalwezen is van directe invloed op het etherlijf van de kinderen, als we van de ‘pedagogische wet’ uitgaan. En ons Ik is in staat aan ons astraallijf te werken.

Dat heeft Steiner uitvoerig beschreven in boeken en voordrachten.
Niet zo uitgebreid in de Algemene menskunde.
Naar aanleiding daarvan vatte ik e.e.a. samen in dit artikel over het geestzelf.

Voor verdere studie: vanaf hier volgen verschillende bronnen.

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3550-3335

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (8)

.
Barbara Zaar*, Erziehungskunst frühe Kindheit, zomer 2023

.

Over een goed of het best mogelijke moment om naar school te gaan

.

Voor vrijwel alle kinderen en hun ouders is de overgang van de kleuterschool naar de basisschool een cruciaal moment. Het is een langverwachte, of minder vaak gevreesde, gebeurtenis die maanden van tevoren al hun gedachten bezighoudt. Ook de leerkrachten in de kleuterschool merken dit – zowel in de emotionele verwachting van de kinderen als ook – non-verbaal – aan de signalen van veranderingsprocessen die zich niet zichtbaar afspelen. Maar wanneer is het dan eindelijk zover?

Allereerst is het belangrijk om rekening te houden met de leerplicht. Deze wordt uitsluitend bepaald door de chronologische leeftijd van het kind. Tot een paar jaar geleden was de uiterste datum in Baden-Württemberg (de dag waarop een kind zes jaar oud moest zijn) 30 september. Deze is inmiddels (net als vele jaren geleden!) vervroegd naar 30 juni.

Het blijft echter altijd de vraag of een kind in de leerplichtige leeftijd ook daadwerkelijk klaar is voor school, of dat uitstel overwogen moet worden. Deze beslissing ligt doorgaans bij de (begeleidende) leerkrachten van de betreffende school en de ouders. Bij twijfel wordt ook de afdeling volksgezondheid geraadpleegd.

Op vrijescholen wordt de vraag naar schoolrijpheid vanuit zowel pedagogisch als medisch oogpunt bekeken, mits er een schoolarts beschikbaar is. In elk geval worden verschillende aspecten in de beslissing meegenomen, voortkomend uit het begrip van het kind als een geleidelijk ontwikkelend, emotioneel en spiritueel wezen. Dit vergt meestal meer inspanning, maar maakt meer individuele beoordelingen mogelijk en biedt de gelegenheid om eventuele verborgen ontwikkelingsbehoeften in kaart te brengen. Ouders kunnen vervolgens, indien nodig, op aanbeveling van de schoolarts een aanvraag tot uitstel indienen bij hun lokale basisschool. Dit geeft de beslissing over de schoolstartdatum de aandacht die het verdient, gezien de vaak verstrekkende gevolgen voor het hele leven van het kind: te vroeg of te laat – beide kunnen desastreuze gevolgen hebben! We vinden niet altijd het absoluut ideale moment voor een kind, omdat we maar één schoolstartdatum per jaar hebben. Studies en praktijkervaring tonen echter aan dat, op de lange termijn, bij twijfel, iets meer ontwikkelingstijd voordeliger is dan minder.

De “lichamelijke religiositeit” van het kind

Maar hoe bepalen we of een kind schoolrijp is?
Om deze vraag echt te begrijpen, moeten we teruggaan naar de wortels van het bestaan ​​van een kind, naar zijn oorsprong, zijn aard. Vanuit een prenatale, embryonale wereld van ‘eenheid’, vanuit de waterwereld van volledige bescherming en zorg betreedt de pasgeborene een vreemde ‘duale’ wereld waar luchtige en vaste elementen niet langer in water zijn opgelost, maar afzonderlijk bestaan.
Tussen deze twee polen moet de ziel van het kind zich geleidelijk vestigen en vertrouwd raken met de elementen op aarde.
De eerste ademhaling van de pasgeborene, als zijn eerste onafhankelijke ‘handeling’ op aarde, markeert het begin van de bezieling (inspiratie), de intrede van de ziel in het lichaam en, door de opname van zuurstof, het begin van het onafhankelijke leven van de nieuwe mens, los van de moederlijke placenta.
De ziel van het kind begeeft zich in zekere zin actief naar zijn ‘lichamelijke thuis’, dat aanvankelijk het geërfde lichaam is dat door de ouders is verstrekt.

Net zoals het embryo en de foetus volledig afhankelijk zijn van de vliezen van het chorion en het amnion, van de omgeving van het moederlijke organisme – waar het door wordt beademd, gevoed, ontgift en op vele manieren beschermd – zo heeft ook de pasgeborene nu behoefte aan een omhulling van begrip, liefde en koesterende zorg van zijn ouders. De openheid van het zich ontwikkelende kind naar zijn omgeving, de nauwe band ermee en de eenheid ermee, blijft lang na de geboorte bestaan, zij het op een ander niveau.

Het is verbazingwekkend en veelzeggend dat dit kleine wezentje, ondanks al zijn onvolmaaktheid en afhankelijkheid, ons toch diep kan raken en met respect kan vervullen. Het lijkt, alleen al door zijn aanwezigheid, de hele ruimte waarin zijn wieg staat te vullen, de mensen eromheen te raken en te vragen om zachtheid en eerbiedige stilte.
Maar wie, wat roept ons? De stem van het kind, die eens tot ons gaat spreken, is het niet; ook geen roepende blik, een gebaar of zijn ‘lichaamstaal’. Het lijkt eerder iets verborgens, iets wat we in eerste instantie meer aanvoelen dan ‘zien’, iets dat gekenmerkt wordt door een toekomst, maar waarvan we erop vertrouwen dat het zich zal ontwikkelen en manifesteren. Het is als de zachte eerste ontmoeting met de onsterfelijke geest-ziel van het kind, zijn ware individualiteit, die lijkt op te rijzen boven het kleine, nog hulpeloze lichaam van de baby en ons roept.
Alle opvoeding – vooral in de eerste mysterieuze drie jaar – zal proberen aan te voelen welke steun de ziel van het kind nodig heeft om in het hulpeloze lichaam thuis te raken, te vormen en zelf geleidelijk in staat te raken om in de wereld te leven.

Groei, orgaanontwikkeling en het algemene leervermogen bereiken hun hoogtepunt in de eerste levensjaren. De specifiek menselijke vaardigheden – het overwinnen van de zwaartekracht om rechtop te lopen, het verwerven van taal en het koppelen van diverse zintuiglijke waarnemingen aan gedachten – worden door het kind in de eerste tweeënhalf tot drie jaar verworven, een periode waar het zich later doorgaans niets van herinnert.

Wat stelt het kind in staat zulke opmerkelijke prestaties te leveren? Een belangrijke factor ligt juist in deze kinderlijke amnesie – het gebrek aan geheugen – en daarmee samenhangend in de bewustzijnstoestand van het jonge kind, dat zich thuis voelt in beelden en geen abstracte gedachten kent. Het kind valt ook vaker in een diepe slaap, waaruit het de kracht put voor ontwikkeling in de breedste zin van het woord.

In zijn wakkere toestand leeft het kind echter volledig in overgave aan de wereld via zijn zintuigen. Het oog, het oor, de smaakzin of de huid als tastorgaan staan niet op zichzelf: eerder dompelt het kind zich in plaats daarvan onder in zijn omgeving door middel van zijn algemene zintuiglijkheid en in volledige zintuiglijke openheid met al zijn zintuigen. De indrukken dringen diep door in het lichaam van het kind.

Het lijkt bijna alsof het hele kleine lichaam wordt gegrepen, bijvoorbeeld door de ervaring van smaak wanneer de baby aan de borst van zijn moeder drinkt en tevreden tegen haar aan ligt en met haar meebeweegt; of wanneer zijn adem stokt bij het zien van een misschien onbekende of vreemde persoon, om seconden later verlichting te vinden in een diepe uitademing of zelfs in huilen. Het hele kind openbaart zich in deze levensfase, zoals Rudolf Steiner het noemt, “als een soort onderzoekend oog”.

Met fundamentele sympathiekrachten en een diepe interesse verbindt het zich met de wereld, wil het alles ervaren, zich erover verwonderen en het actief begrijpen door middel van het nabootsen.
Het gaat zonder vooroordelen in de wereld op en is juist daardoor zo onvergelijkbaar in staat om te leren, maar ook kwetsbaar.

Alles dringt in het kind door – een woord, een geluid, een aanraking – evenals de daarin uitgedrukte moraal of immoraliteit. Bij het jonge kind worden deze indrukken nog niet, zoals Rudolf Steiner verder beschrijft in zijn pedagogische
uitleg, weerspiegeld en kritisch geëvalueerd in de spiegel van het bewustzijn, maar blijven ze de levensprocessen van het nog dromerige, onbewuste kind doordringen. Ze vormen zijn organen en hun functies via de bloedsomloop en de ademhaling. Ze beïnvloeden de groei, ontwikkeling en de ontwikkeling van de motoriek van het kind.

Door na te bootsen en steeds weer te herhalen wat het kind in zijn omgeving waarneemt, gebaseerd op levende voorbeelden, belichaamt het de wereld als het ware, waardoor het er fysiek mee vertrouwd raakt. Later zal het ze zich ook fysiek ‘herinneren”, omdat het ze heeft ervaren en heeft geleerd ermee om te gaan. Of het nu gaat om voedingsstoffen, warmte en kou, water, zwaartekracht en ruimtelijke verhoudingen, of om het in contact komen met ziekteverwekkers – dit alles kan bijdragen aan de rijping, individualisering, groeiende competentie en het ontwikkelen van vertrouwen van het kind, die allemaal diep geworteld zijn in het lichaam. Het geërfde lichaam van de ouders dient het kind ‘als een soort model waarop zijn spirituele en mentale wezen werkt, waarbij het de indrukken van zijn omgeving verwerkt als een puur imiterend wezen’ (Rudolf Steiner).

Dit proces vindt plaats in de eerste zeven jaar tot de schoolrijpheid, terwijl het kind, met zijn groei- of vormingskrachten, zich ontwikkelt van het hoofd, via de borstkas, naar de buik en de ledematen.
De dominantie van de hoofdomvang komt in het eerste derde deel van de eerste zeven jaar overeen met de groei en actieve ontwikkeling van de zintuigen en de hersenen. Rechtop lopen, taal en denken worden verankerd.

Tijdens het tweede derde deel van de eerste zeven jaar ontwikkelt het middengedeelte van het lichaam, inclusief de ribbenkast, zich relatief snel. In deze periode ontwikkelt het kind zijn motorische en taalvaardigheden verder, waardoor de longfunctie, ademhaling en hartfunctie verbeteren. Reflexen uit de vroege kindertijd worden intensief aangevuld en vervangen door doelbewuste bewegingspatronen; een gevoel van veiligheid in het eigen lichaam ontstaat en wordt verder ontwikkeld. Ook de sociale interactie tussen kinderen neemt toe; fantasierijk spel wordt mogelijk.

Ten slotte, in het laatste derde deel van de eerste zeven jaar, worden de groei en de ontwikkeling van de ledematen duidelijker. De fysieke veerkracht en behendigheid nemen toe, evenals de grove en fijne motoriek, de coördinatie en de vloeiendheid van bewegingen, bijvoorbeeld bij het touwtjespringen.

Maar ook alle andere eerder verworven taalkundige, artistieke of sociale vaardigheden worden verder ontwikkeld en het kind wordt een steeds betere kenner van zijn kleine wereld.

Het instrument wordt bemachtigd

In de eerste zeven jaar leeft het kind nog in een nauwe verbinding tussen lichaam en ziel. Alles is nog één. Deze tijd lijkt een herinnering aan de wereld waaruit het kind is voortgekomen en die wordt gekenmerkt door de eerdergenoemde ‘eenheid’: de fysieke vorm van de moeder.
Wat betreft de ziel van het kind en haar spirituele aard, lijkt het een nagloed van haar thuisland, dat is vrijgesteld van de wetten van het aardse rijk: de wereld van ons leven vóór en na de dood.

Tegen het einde van de eerste zeven jaar begint er echter een verandering. De intensieve integratie in het lichaam door middel van sensomotorische waarneming, de betekenisvolle verbinding van zintuiglijke ervaringen met de eigen beweging in de nabootsing ervan, loopt ten einde.

Zodra het lichaam van het kind, van hoofd tot teen, op deze manier is veroverd en gevormd, en tegelijkertijd op een unieke manier is gegroeid, vindt er een geleidelijke bevrijding plaats van deze etherische vormende krachten van het fysieke. Het instrument van het lichaam wordt gebouwd; nu bereidt de ziel van het kind zich voor om ermee te leren spelen en geleidelijk zijn verborgen essentie tot leven te brengen.
Waar aanvankelijk alles draaide om voeding, vormgeving en verzorging van het lichaam, vindt er nu een bevrijding van de groeikrachten van deze taken plaats. Het is aan Rudolf Steiner te danken dat hij dit principe ontdekte aan het einde van de eerste zevenjarige periode, die hij beschrijft als de “metamorfose van vormende krachten in denk- en zielskrachten”. Naarmate de curve van de fysieke groei afvlakt, komt een groot deel van de vormende krachten vrij voor nieuwe taken. Een deel blijft beschikbaar voor de fysieke processen van groei, regeneratie en voortplanting. Kinderen ervaren deze overgang vaak als een crisis, en het is van groot belang om zich hiervan bewust te zijn. Er is namelijk een fysieke en mentale inspanning gemoeid met deze “reconstructie”, die begrepen moet worden om misinterpretaties te voorkomen.

Men zou kunnen spreken van een nieuwe geboorte, de geboorte van het etherlijf, dat – net als het fysieke lichaam na het verlaten van de moederlijke omhulsels – nu onafhankelijk wordt in verbinding met de geest-ziel van het kind. Hieruit vloeit een schat aan fysieke, psychologische en spirituele verschijnselen voort, die nu allemaal als geheel worden beschouwd in het schoolrijpheidsonderzoek.

Net als een weerspiegeling van de genetische samenstelling van de ouders van het kind, die geleidelijk individuele inprenting ondergaat en uiteindelijk “afgeworpen” wordt, zijn de nog ongedifferentieerde melktanden, die nu uitvallen – te beginnen bij de voortanden – en vervangen worden door veel karakteristiekere blijvende tanden. Soms verschijnen de eerste kiezen zelfs nog eerder. Op enkele uitzonderingen na wordt de hele kwestie van de kaakstand pas nu relevant.

Bovendien laat het kind ons zien dat het tot aan de uiteinden van zijn ledematen is gegroeid. De verhouding tussen hoofd en lichaam is veranderd. De armen zijn lang genoeg om het hoofd te grijpen en de grootte van het kind is nu in evenwicht tussen horizontaal en verticaal: armspan en lichaamslengte komen overeen.

Net zoals het etherische lichaam zich steeds meer naar het psychische rijk richt, is er nu in de vorm van het kind een verandering naar een grotere lichaamslichtheid waar te nemen.
De voeten bereiden hun voetbogen voor op een soepele gang; de wervelkolom ontwikkelt zijn typische krommingen, ook in de zin van een vrije, veerkrachtige, rechtopstaande houding. De voorheen mollige armen onthullen de kleine gewrichten en de spieren die ze bewegen. De nek wint aan hoogte en dient als basis voor de doelgerichte bewegingen van het hoofd om zintuiglijke indrukken of emotionele expressie te versterken. Er kan meer lucht door de neusholtes, ademhalen door de mond is niet langer nodig. Een verandering in de verhouding tussen de twee harttonen is hoorbaar in de hartslag van het kind.
De motorische vaardigheden zijn nu zo ver ontwikkeld dat springen op één en twee benen mogelijk is; evenals staan ​​op één been, voorwaarts en achterwaarts balanceren. Het kind ervaart ruimte, zelfs waar het die niet kan zien. Het laat in de omgang met de bal zien of het zich bij het gooien naar de ‘wereld’ kan draaien en de bal ook bij het vangen kan ontvangen; of het kind zijn bewegingen zo kan aanpassen dat de bal altijd op de juiste plek terechtkomt. Ook het uitdagende touwtjespringen wekt nu de interesse van het kind. De fijne motoriek, de potloodgreep en de oog-handcoördinatie worden zichtbaar. Dit alles is gebaseerd op een succesvolle vermindering van de spierreflexen uit de vroege kindertijd en is daarvan afhankelijk.

De blik van het kind wordt alerter, meer gefocust en niet langer uitsluitend geleid door indrukken van buitenaf. Het toont een groeiende interesse in het begrijpen van de wereld om zich heen, waarin en waarmee het tot dan toe “alleen maar heeft geleefd” en waarin het zich fysiek heeft ontwikkeld.

Het schoolgaande kind heeft een zeker innerlijk leven: eigen ideeën, plannen, reflectie op wat er gisteren, in het verleden, heden en de toekomst is gebeurd, worden denkbaar; een eerste conceptvorming ontstaat. Getallen, hoeveelheden en vormen kunnen worden gegrepen, nagetekend en ook onthouden. Waar het geheugen van het kleine kind werd gevormd door fysieke actie en ervaring, kan het nu steeds vrijer leven in mentale beelden.

De ontwikkeling van de intellectuele vermogens van een kind, in samenhang met de fysieke ontwikkeling, is een van de essentiële criteria voor schoolrijpheid en duidt op een reeds afgerond fysiek ontwikkelingsproces. Kinderen hebben nu nieuwe stimulatie nodig op het gebied van denken en verbeelding, rekenen, tekenen en schrijven. Taalbegrip en -gebruik zijn nu gezond, evenals de correcte uitspraak van klanken. Soms ontbreekt het hen nog aan de moed om te spreken, vooral in een nieuwe situatie. Anderen spreken juist heel veel. In dat geval moet men zich afvragen of er sprake is van een algemene emotionele onrijpheid en of het kind zich misschien nog niet los kan maken van zijn of haar ouders.

Luisteren naar en vertalen van wat er gehoord wordt in de eigen
taal of beweging, bijvoorbeeld klappen, duidt op het vermogen om aandachtig te luisteren en te volgen wat er gehoord wordt.

Ook de schilderingen van de toekomstige schoolkinderen geven inzicht in hun ontwikkelingsfase of andere relevante aspecten (schildert het kind überhaupt? Hoe en wat schildert het kind? Kleurgebruik? Lijnvoering? enz.).

Ten slotte moet ook de houding van het kind ten opzichte van school in overweging worden genomen, vooral in de hierboven genoemde onduidelijke gevallen. Is het kind echt geneigd tot het schoolleven, of wil het gewoon zijn of haar vrienden volgen? Kan je erop vertrouwen dat het kind de dagelijkse schoolroutine echt aankan (zelfs op een vrijeschool!), of zou het kind misschien uitgeput raken en zijn of haar kinderlijke vreugde verliezen?

Met de uitgangspunten van het medisch onderzoek hebben we een handig hulpmiddel om een ​​diagnose van schoolrijpheid te bevestigen of uit te sluiten. Niettemin zijn er lastige individuele gevallen die een individuele aanpak vereisen. Dit omvat de vraag naar alternatieven. Waar kan het kind zijn of haar laatste jaar op de kleuterschool nog productief doorbrengen? Het is de moeite waard om dit met de leerkrachten te bespreken. Het verschuiven van de einddatum is een voorbeeld van de mogelijkheid om de zaken opnieuw te bekijken. De schoolrijpheid van een kind, diepgaand bekeken, beschrijft veel meer dan een bepaalde leeftijd of lichaamslengte (zelfs lange kinderen kunnen onvolgroeid zijn!) of interesse in letters en cijfers. Het geeft informatie over de vraag of het kind zijn of haar lichaam al daadwerkelijk heeft kunnen ontwikkelen als fysieke basis, zodat het vervolgens het voertuig kan worden voor de intellectuele individualiteit van de opgroeiende persoon, diens gedachten, emotionele drijfveren en handelingen. En dit heeft aanzienlijke gevolgen voor
tevredenheid en gezondheid – mogelijk voor een leven lang.

*Barbara Zaar, schoolarts voor kleuter- en basisonderwijs met eigen praktijk

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3549-3334

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – taalraadsel (nieuw)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

De paardensprong.

 Net als bij schaken maakt de beginletter –rechtsonder L  – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing volgt later

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 97

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

In deze voordracht:

RUDOLF STEINER:

GA 97

Das christliche Mysterium

Het christelijke mysterie

Blz. 300   niet vertaald

Geisteswissenschaftliche Gesichtspunkte zur Erziehungsfrage

Geesteswetenschappelijke gezichtspunten over het opvoedingsvraagstuk

Als vor drei Jahrzehnten die theosophische Bewegung begründet wurde, handelte es sich von Seiten der führenden Persönlichkeiten nicht darum, eine neue Lehre einzuführen, wodurch die Wißbegierde befriedigt würde, sondern vor allem darum, weiteren Kreisen eine geistige Einsicht zugänglich zu machen, durch die man die wichtigen Fragen des praktischen Lebens mit Hilfe geistiger Erkenntnisse lösen kann. Eine von diesen Fragen, an denen sich zeigt, wie die Geistes­wissenschaft in das praktische Leben eingreift, bildet auch das Thema dieses Vortrages, die Erziehungsfrage.
Die Erziehungsfrage kann nur richtig im Zusammenhang mit der intimeren Kenntnis der menschlichen Wesenheit behandelt werden. Durch die Menschenerkenntnis, die in des Menschen übersinnliches Wesen eindringt, ergeben sich jedem, der es mit dieser Frage ernst nimmt, grundlegende Erziehungsprinzipien. Zu diesem Zwecke müs­sen wir von einer Betrachtung des Wesens des Menschen ausgehen. Die Frage nach dem Wesen des Menschen liefert die Grundgedanken zur Beantwortung der Erziehungsfragen.

Toen de theosofische beweging dertig jaar geleden werd opgericht, waren de leidende figuren er niet op uit een nieuwe doctrine te introduceren om intellectuele nieuwsgierigheid te bevredigen, maar veeleer spiritueel inzicht toegankelijk te maken voor een breder publiek, zodat zij met behulp van spirituele kennis de belangrijke vragen van het praktische leven konden oplossen. Een van deze vragen, die laat zien hoe spirituele wetenschap in het praktische leven doordringt, is ook het onderwerp van deze voordracht: het vraagstuk van de opvoeding.

De vraag van de opvoeding kan alleen goed worden beantwoord in samenhang met een dieper begrip van de menselijke natuur. Door kennis van de mens die doordringt tot zijn bovenzintuiglijke essentie, komen fundamentele opvoedingsprincipes naar voren voor iedereen die deze vraag serieus neemt. Daartoe moeten we beginnen met een beschouwing van de menselijke natuur. De vraag naar het wezen van de mens, biedt de basisideeën voor het beantwoorden van opvoedingsvragen.

Was die äußeren Sinne am Menschen erfassen können, ist für die Geistesforschung nur ein Glied der menschlichen Wesenheit. Diesen physischen Leib, das physische Wesen hat der Mensch gemein mit der ganzen übrigen Natur. Als zweites Glied der menschlichen Wesenheit findet die okkulte Forschung durch das geistige Auge den Ätherleib oder Lebensleib. Er ist ein Organismus, feiner als der physische Leib, aber in allen Organen und Teilen gleich diesem gebildet. Es ist jedoch vielleicht besser, wenn man ihn als eine Summe von Kraftströmungen auffaßt, als den Architekten des physischen Leibes. Der letztere ist gleichsam aus dem Ätherleib herauskristallisiert. Wie sich durch Ab­kühlung aus dem Wasser das Eis entwickelt, so hat sich der physische Leib aus dem Ätherleib herausgebildet. Diesen Ätherleib oder Lebens-leib hat der Mensch gemeinsam mit allen lebenden Wesen.
Das dritte Glied der menschlichen Wesenheit ist der Astralleib, der

Wat de uiterlijke zintuigen aan een mens kunnen waarnemen, is voor spiritueel onderzoek slechts één deel van de menselijke natuur. Dit fysieke lichaam, dit fysieke wezen, is iets wat mensen delen met de rest van de natuur.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het fysieke lichaam.

Als tweede aspect van de menselijke natuur ontdekt onderzoek naar het verborgene, door de spirituele blik, het etherlijf of levenslichaam.[Algemene menskunde [1-7-1]] Het is een organisme, verfijnder dan het fysieke lichaam, maar qua vorm in alle organen en delen ervan net zo gevormd. Het is echter wellicht beter om het te begrijpen als een optelsom van energiestromen, als de architect van het fysieke lichaam. Dat laatste is als het ware gekristalliseerd uit het etherlijf. Net zoals ijs ontstaat uit water door afkoeling, zo is het fysieke lichaam ontstaan ​​uit het etherlijf. Dit etherlijf of levenslichaam is iets wat mensen delen met alle levende wezens.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het etherlijf.

Het derde deel van de menselijke natuur is het astraallijf, [Algemene menskunde [1-7-1]] dat

Blz. 301

Träger von allen niederen und höheren seelischen Eigenschaften des Menschen, der Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz und allen Willensimpulsen. Dieses dritte Glied, das durch die Heraus­bildung der höheren Wahrnehmungsorgane geschaut werden kann, hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen Tierwelt. Es umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen Leib und Ätherleib zugleich durchsetzt. Dieses Wesensglied ist in fortwährender Be­wegung und spiegelt alles ab, was im Menschen vorgeht. Die Be­zeichnung Astralleib ist verschiedentlich angefochten worden. Aber wie der physische Leib durch seine physischen Stoffe mit der ganzen Erde verbunden und von ihr abhängig ist, so steht der Astralleib mit der ganzen die Erde umgebenden Sternenwelt in Beziehung, und alle die Kräfte, welche das Schicksal und den Charakter des Menschen wesentlich bedingen, haben Zusammenhang mit jener Welt.

de drager is van alle lagere en hogere psychische kwaliteiten van een mens, de drager van plezier en lijden, vreugde en pijn, en alle wilsimpulsen. Dit derde deel, dat waargenomen kan worden door de ontwikkeling van de hogere zintuigen, is iets wat mensen delen met het hele dierenrijk. Het omringt de mens als een soort wolk en doordringt zowel het fysieke als het etherische lichaam. Dit deel van ons wezen is constant in beweging en weerspiegelt alles wat er in de mens gebeurt. De term ‘astraallijf’ is op verschillende manieren ter discussie gesteld. Maar net zoals het fysieke lichaam via zijn fysieke substanties verbonden is met en afhankelijk is van de hele aarde, zo is ook het astrale lijf verbonden met de hele sterrenwereld die de aarde omringt, en zijn alle krachten die in wezen het lot en karakter van een mens bepalen, verbonden met die wereld.

Einer der neueren Geister, Goethe, der tief hineingeschaut hat in die Zusammenhänge zwischen der Natur und dem geistigen Menschen und seinen Zusammenhang mit dem Kosmos, sagt:

Wie an dem Tag, der dich der Welt verliehen,
Die Sonne stand zum Gruße der Planeten,
Bist alsobald und fort und fortgediehen
Nach dem Gesetz, wonach du angetreten.
So mußt du sein, dir kannst du nicht entfliehen,
So sagten schon Sibyllen, so Propheten;
Und keine Zeit und keine Macht zerstückelt
Geprägte Form, die lebend sich entwickelt. [2]

Wegen seiner Beziehung zur Sternenwelt wird also das dritte Glied der menschlichen Wesenheit der Astralleib genannt.
Das vierte Glied hat der Mensch nicht gemeinsam mit andern Wesen, es ist das, was den Menschen die Kraft gibt, Ich zu sich selbst zu sagen. Ich ist das geheimnisvolle Wort, das jeder nur zu sich selbst sagen kann, in dem Worte Ich spricht die Seele ihren göttlichen Ur-funken aus. Mit dem Ich beginnt der Gott im Inneren des Menschen zu sprechen. In den jüdischen Geheimschulen nannte man das Ich den unaussprechlichen Namen Gottes, und ein Schauer der Ehrfurcht

Een van de meer recente denkers, Goethe, die zich diepgaand verdiepte in de verbanden tussen de natuur en de spirituele mens en zijn relatie tot de kosmos, zegt:

Zoals op de dag dat jullie op aarde verschenen,
de zon de planeten begroette,
zo zijn jullie geweest en blijven bloeien,
volgens de wet waaraan jullie hun bestaan ​​te danken hebben.
Zo moeten jullie zijn, jullie kunnen niet aan jezelf ontsnappen,
zo zeiden de Sibillen, zo zeiden de profeten;
En geen tijd en geen macht kan verbrijzelen
de inprenting die zich in het leven ontwikkelt.
(Vertaling gegeven door AI)

“Wie an dem Tag …»; Goethe, «Urworte. Orphisch».

Vanwege de relatie met de sterrenwereld wordt het derde lichaamsdeel van de mens het astrale lichaam genoemd.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het astraallijf.

Het vierde deel heeft de mens niet gemeenschappelijk met andere wezens; het is datgene wat de mens de kracht geeft om “ik” tegen zichzelf te zeggen. “Ik” is het mysterieuze woord dat iedereen alleen tegen zichzelf kan zeggen; in het woord “ik” drukt de ziel haar goddelijke oervonk uit. Met het “ik” begint God in de mens te spreken. In Joodse geheime scholen werd het zelf aangeduid met de onuitsprekelijke naam van God, wat een huivering van ontzag trok door de menigte 

Blz. 302

ging durch die Menge, wenn der Eingeweihte den für die Außen­stehenden unaussprechlichen Namen aussprach: Jahve – Ich bin der ich bin.

Diese vier Glieder bilden die Vierheit in der menschlichen Natur. Diese Vierheit ist in allen Menschen vorhanden. Sie entwickelt sich von der Kindheit zum Mannesalter heran, aber dies geschieht durch-aus differenziert, und wir mussen daher jeden Teil im Menschen ge­sondert betrachten.
Veranlagt ist schon alles im Embryo, aber die Entwickelung geht ganz verschieden vor sich. Der Mensch kann sich nicht ohne eine Umgebung entwickeln, er kann nur gedeihen, wenn er von andern Wesen und Gliedern des Kosmos umgeben ist. So muß der mütter­liche Organismus den Menschen bis zu einer gewissen Reife um-schließen. Was bei der physischen Geburt vor sich geht, wiederholt sich, denn bei der physischen Geburt wird noch nicht der ganze Mensch geboren, sondern so wie der sich entwickelnde Menschen-keim vom physischen mütterlichen Organismus umschlossen wird, so ist der Mensch nach der physischen Geburt von einem geistigen Organismus umgeben, welcher der ganzen Geistwelt angehört. Das Kind ist umgeben von einer Ätherhülle und von einer Astralhülle und ruht darin, wie das Embryo im Mutterschoß.

als de ingewijde de voor buitenstaanders onuitspreekbare naam uitsprak: Jahweh – Ik ben die Ik ben.
Hier meer verwijzingen van Steiner over het ‘Ik’.

Deze vier elementen vormen de viervoudige natuur van de mens. Deze viervoudige natuur is aanwezig in alle mensen. Ze ontwikkelt zich van de kindertijd tot de volwassenheid, maar dit gebeurt op een zeer gedifferentieerde manier, en daarom moeten we elk deel van de mens afzonderlijk beschouwen.

Alles is al aangelegd in het embryo, maar de ontwikkeling verloopt op geheel verschillende manieren. Mensen kunnen zich niet ontwikkelen zonder een omgeving; ze kunnen alleen gedijen wanneer ze omringd zijn door andere wezens en delen van de kosmos. Het moederorganisme moet de mens dus omhullen totdat een bepaalde mate van rijpheid is bereikt. Wat er tijdens de fysieke geboorte gebeurt, herhaalt zich, want bij de fysieke geboorte is de hele mens nog niet geboren. Net zoals het zich ontwikkelende menselijke embryo wordt omhuld door het fysieke moederorganisme, zo wordt de mens na de fysieke geboorte ook omhuld door een spiritueel organisme dat tot de gehele geestelijke.wereld behoort. Het kind wordt omhuld door een etherische en een astrale mantel en rust daarin, net zoals het embryo in de baarmoeder.
Zie Steiner: De fase van 0 – 7 jaar

Im siebenten Lebensjahr, um die Zeit des Zahnwechsels, löst sich vom Ätherleib eine Ätherhülle los, wie sich bei der physischen Geburt der mütterliche Organismus vom physischen Körper des Kindes löst. Der Ätherleib wird frei, während sich vorher eine Wesenheit aus dem­selben Äther dem Ätherleibe anschließt und Strömungen von ihr auf das Kind übergehen, wie dies vor der physischen Geburt im Mutterleib geschieht. Nach und nach wird das Kind also zum zweiten Mal, und jetzt ätherisch, geboren. Nun ist noch immer das dritte Glied, der Astralleib, von einer schützenden Astralhülle umgeben. Diese Astral-hülle umgibt den Menschen bis zur Geschiechtsreife, bis zum vier­zehnten, fünfzehnten Jahre, und zieht sich dann zurück. So wird der Mensch zum dritten Mal geboren, die astrale Geburt findet statt.
Diese dreifache Geburt zeigt, daß wir jedes Wesensglied getrennt betrachten müssen, denn bei jedem neugeborenen Kinde ist nur das

In het zevende levensjaar, rond de tijd dat de tanden wisselen, scheidt een etherische mantel zich af van het etherlijf, net zoals het moederorganisme zich scheidt van het fysieke lichaam van het kind tijdens de geboorte. Het etherische lichaam komt vrij, terwijl daarvoor een entiteit uit dezelfde ether zich aan het etherlijf hecht, en energiestromen daarvan worden overgedragen op het kind, zoals gebeurt in de baarmoeder vóór de geboorte. Zo wordt het kind geleidelijk een tweede keer geboren, ditmaal etherisch.
Zie Steiner over tandenwisseling.

Het derde lid, het astraallijf, is nog steeds omgeven door een beschermende astrale mantel. Deze astrale mantel omhult de persoon tot de geslachtsrijpheid, rond de leeftijd van veertien of vijftien jaar, en trekt zich dan terug. Op deze manier wordt de persoon een derde keer geboren; de astrale geboorte vindt plaats.

Deze drievoudige geboorte laat zien dat we elk lid van het wezen afzonderlijk moeten beschouwen, want bij elk pasgeboren kind is alleen het

Blz. 303

erste Glied, der physische Körper, freigelegt. Und wie es unmöglich ist, das Licht von außen durch den mütterlichen Organismus an das Kind heranzubringen, ebenso sollte es vermieden werden, Einflüsse von außen an den Ätherleib heranzubringen, ehe derselbe frei ge­worden ist von der Ätherhülle. Vor dem Zahnwechsel sollten keine Einflüsse an den Ätherleib herankommen, und vor der Geschlechtsreife keine an den Astralleib. Bis zum siebenten Lebensjahre können wir erzieherisch auf den Menschen nur dann richtig wirken, wenn wir ihn vom Physischen her beeinflussen. Wie die Pflege der Mutter innig zusammenhängt mit dem Gedeihen des Embryo, so muß auch die Unantastbarkeit und Heiligkeit der Ätherhülle geschützt werden, wenn sich das Kind gedeihlich entwickeln soll. Bis zum Zahnwechsel ist nur der physische Körper für Wirkungen von außen empfänglich, daher kann bis dahin nur der physische Körper erzogen werden, und wenn in dieser Zeit etwas von außen an den Ätherkörper herangebracht wird, dann versündigt man sich am Ätherleibe des Kindes. Der Ätherleib ist beim Menschen der Träger alles dessen, was bleibend an ihm ist, der Träger von Gewohnheiten, Charakter, Gewissen, Ge­dächtnis, Temperamentsanlagen. Am Astralleib haftet die Urteilsfähigkeit, das vernunftgemäße Urteil über die Umgebung.

het eerste deel, het fysieke lichaam, vrij geworden. En net zoals het onmogelijk is om licht van buitenaf via het moederlichaam naar het kind te brengen, zo moet ook worden vermeden om het etherlijf van buitenaf te beïnvloeden, voordat het is bevrijd van de etherische omhulling. Vóór de wisseling van de tanden mogen er geen invloeden het etherlijf bereiken, en vóór de puberteit geen enkele het astrale lichaam niet. Tot de leeftijd van zeven jaar kunnen we alleen een juiste opvoedkundige invloed op een mens uitoefenen als we hem of haar op fysiek niveau beïnvloeden. Net zoals de zorg van de moeder nauw verbonden is met de ontwikkeling van het embryo, zo moet ook de onschendbaarheid en heiligheid van de etherische omhulling worden beschermd wil het kind zich goed ontwikkelen. Tot de wisseling van de tanden is alleen het fysieke lichaam ontvankelijk voor invloeden van buitenaf; daarom kan alleen het fysieke lichaam tot die tijd worden opgevoed, en als er in deze periode iets van buitenaf met het etherlijf wordt gedaan, begaat men een zonde tegen het etherische van het kind. Bij mensen is het etherlijf de drager van alles wat blijvend is, de drager van gewoonten, karakter, geweten, geheugen en temperament.

Het astraallijf is verantwoordelijk voor het vermogen tot oordeel, tot rationeel oordeel over de omgeving.
Zie Steiner over het oordeel en begrip

So wie sich bis zum siebenten Jahre die äußeren Sinne des Kindes entwickeln sollen, so werden bis zum vierzehnten Jahre die Gewohnheiten, das Gedächtnis, das Temperament und so weitet freigegeben und dann bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahre der kritische Ver­stand, das selbständige Verhältnis zur Umwelt.
Daher gibt uns die Geisteswissenschaft ganz bestimmte Regeln für die Erziehung des Kindes in diesen einzelnen Lebensepochen. So gehört zur Pflege des Kindes bis zum siebenten Jahre alles, was mit dem physischen Leib zusammenhängt. Darunter fällt die harmonische Ausbildung der Organe durch die Einwirkung auf die Sinne des Kin­des. Die Physis ist daher das Maßgebende, das zu Erziehende. Dem tragen wir dadurch Rechnung, daß wir dem Kinde alles bringen, was durch die Sinne heranbildend wirkt. Aristotetes sagt: Der Mensch ist das nachahmendste der Tiere. – Das Kind ist also ein Nachaumer, alles steht bei ihm unter dem Zeichen der Nachahmung dessen, was es hört

Net zoals de uiterlijke zintuigen van een kind zich tot de leeftijd van zeven jaar ontwikkelen, zo ontwikkelen gewoonten, geheugen, temperament, enzovoort zich tot de leeftijd van veertien jaar, en vervolgens, tot de leeftijd van twintig of eenentwintig jaar, het kritisch denkvermogen en een onafhankelijke relatie met de omgeving.

Daarom geeft de spirituele wetenschap ons zeer specifieke regels voor de opvoeding van het kind in deze individuele levensfasen. De zorg voor het kind tot de leeftijd van zeven jaar omvat dus alles wat met het fysieke lichaam te maken heeft. Dit omvat de harmonieuze ontwikkeling van de organen door stimulatie van de zintuigen van het kind. Het fysieke lichaam is daarom de bepalende factor, hetgeen dat gecultiveerd moet worden. We houden hier rekening mee door het kind alles te bieden wat een vormende werking heeft via de zintuigen. Aristoteles zegt: “De mens is het meest imiterende dier.” Het kind is dus een ​​nabootser; alles wat het doet, wordt gekenmerkt door het nadoen van wat het hoort en ziet.

In diesem Alter haben Gebote und Verbote wenig Be­deutung. Die größte Bedeutung aber hat das Vorbild, dadurch muß die Umgebung die Sinne des Kindes erwecken. Wie wir sind, das ist die Hauptsache, und bis in die Feinheiten hinein muß der Erwachsene sein eigenes Tun und Lassen beobachten. Er darf nichts tun, was das Kind nicht nachahmen darf, denn alles, was es sieht, das betrachtet es als etwas, was es selber tun und nachahmen darf. So überraschte ein gutgeartetes Kind seine Eltern damit, daß es Geld aus einer Kassette genommen hatte. Die Eltern waren entsetzt und glaubten, das Kind hätte einen Hang zum Stehlen. Auf Befragen stellte sich aber heraus, daß das Kind einfach nur nachgeahmt hatte, was es Vater und Mutter täglich hatte tun sehen. Auf Vorbild und Nachahmung beruht die Er­ziehung bis zum Zahnwechsel. Daher muß der Erzieher bis zum siebenten Jahre des Kindes in jeder Hinsicht Vorbild sein. Unrichtig wäre es auch, dem Kinde bis dahin die Bedeutung der Buchstaben einprägen zu wollen. Es kann nur ihre Form nachahmen, denn die Kraft zum Begreifen ihrer Bedeutung haftet am Ätherleib.

Op deze leeftijd hebben bevelen en verboden weinig betekenis. Het belangrijkste is het voorbeeld dat gegeven wordt; daarmee moet de omgeving van het kind de zintuigen stimuleren. Hoe we ons gedragen is cruciaal, en volwassenen moeten hun eigen handelingen en nalatigheden tot in de kleinste details observeren. Ze mogen niets doen wat het kind niet mag nadoen, want alles wat het kind ziet, beschouwt het als iets wat het zelf zou kunnen doen en nadoen. Een voorbeeld: een braaf kind stelde zijn ouders voor een verrassing door geld uit een kistje te pakken. De ouders waren geschokt en dachten dat het kind een diefstalneiging had. Na navraag bleek echter dat het kind simpelweg had nagedaan wat het zijn ouders elke dag zag doen. De opvoeding tot het kind zijn blijvende tanden krijgt, berust op voorbeeld en nabootsing. Daarom moet de opvoeder tot het zevende levensjaar in alle opzichten een rolmodel zijn. Het zou ook verkeerd zijn om het kind vóór die tijd de betekenis van letters te leren. Het kan alleen de vorm nadoen, omdat het vermogen om de betekenis te begrijpen verbonden is met het etherlijf.
Zie Steiner over de nabootsing

In diesen Jahren, in denen die Organe des Kindes entwickelt und gesunde Anlagen begründet werden sollen, ist auch alles höchst wichtig, was an moralischen Dingen in der Umgebung des Kindes vorgeht. Es ist auch durchaus nicht gleichgültig, ob das Kind Schmerz und Leid oder Lust und Freude um sich her sieht, denn Freude und Lust begründen gesunde Anlagen im physischen Körper. Alles um das Kind herum sollte Freude und Lust atmen, und beides hervor­zurufen sollte der Erzieher bedacht sein, bis auf die Farbe der Kleider, der Tapeten und Gegenstände. Dabei ist sorgfältig die individuelle Anlage des Kindes zu berücksichtigen. Ein Kind, das zu Ernst und Stille neigt, sollte dunklere, bläuliche, grünliche Farben in seiner Um­gebung sehen, ein lebhaftes, lebendiges Kind gelbliche, rötliche Far­ben, weil dadurch die Fähigkeit der Sinne zur Erweckung der Gegenfarbe hervorgerufen wird. Die Organe, die jetzt heranentwickelt wer­den, müssen dadurch veranlaßt werden, ihre inneren Kräfte herauszubilden. Darum sollte man dem Kinde auch keine fertigen Spiel­sachen geben, wie Baukasten, Puppen und so weiter. Jedes Kind zieht eine selbstgemachte Puppe aus einem Stiefelknecht oder einer alten Serviette den ausgeputzten Wachsdamen vor.

In deze jaren, waarin de organen van het kind zich ontwikkelen en gezonde aanleg wordt gevormd, is ook alles wat er in de omgeving van het kind gebeurt op moreel gebied van het grootste belang. Het is absoluut niet om het even of het kind pijn en lijden of juist plezier en vreugde om zich heen ziet, want vreugde en plezier bevorderen een gezonde aanleg in het lichaam. Alles om het kind heen moet vreugde en plezier uitstralen, en de opvoeder moet erop letten beide op te roepen, tot in de kleinste details zoals de kleur van kleding, behang en voorwerpen. Daarbij moet zorgvuldig gekeken worden naar individuele aanleg van het kind. Een kind dat neigt naar ernst en stilte, heeft donkere, blauwachtige en groenachtige kleuren in zijn omgeving nodig; een levendig, energiek kind gele en rode kleuren, omdat dit het vermogen van de zintuigen om complementaire kleuren waar te nemen stimuleert. De organen die zich nu ontwikkelen, moeten worden gestimuleerd om hun innerlijke kracht te ontwikkelen. Daarom moet je kinderen geen kant-en-klaar speelgoed geven, zoals bouwblokken, poppen, enzovoort. Elk kind heeft liever een zelfgemaakte pop van een schoenlepel of een oude servet dan een gepolijste wassen pop.

Blz. 305

Warum tut es das? Weil dadurch die Imagination geweckt wird, weil die Phantasie in Tätig­keit gesetzt wird und die inneren Organe anfangen zu arbeiten zur Freude und Lust des Kindes. Wie lebendig und interessiert ist solch ein Kind bei seinem Spiel, wie geht es mit Leib und Seele in dem auf, was seine Imaginationen ihm vorspiegeln! Und wie lästig und un­vergnügt sitzt das andere da, bei dem die inneren Sinne in Untatigkeit verharren. Das Kind hat eine sehr gesunde Einsicht für das, was ihm gut oder schädlich ist. Es steht in einem solchen Verhältnis zur Außen­welt, daß es abweist, was dem physischen Körper, zum Beispiel dem Magen, nicht bekommt, und Begierde zeigt nach dem, was demselben frommt. Und töricht wäre es, den gesunden Begierden, welche die Entwickelung fördern, entgegenzuarbeiten und das Kind zum Bei­spiel zum Essen von Nahrungsmitteln zu zwingen, welche die natür­lichen Instinkte austreiben. Jeder Anflug von Asketismus ist eine Aus­rottung der natürlichen Gesundheit.

Waarom? Omdat het de verbeelding prikkelt, de fantasie in beweging zet en de innerlijke organen aan het werk zet, tot grote vreugde en plezier van het kind. Hoe levendig en geïnteresseerd is zo’n kind in zijn spel, hoe het met lichaam en ziel opgaat in wat zijn verbeelding teweegbrengt! En hoe vermoeiend en ongelukkig zit de ander daar, wiens innerlijke zintuigen inactief blijven. Het kind heeft een zeer gezond inzicht in wat goed of slecht is. Het staat in een zodanige relatie tot de buitenwereld dat het afwijst wat niet goed is voor het fysieke lichaam, bijvoorbeeld de maag, en verlangt naar wat heilzaam is. En het zou dwaas zijn om tegen de gezonde verlangens in te gaan die de ontwikkeling bevorderen en bijvoorbeeld het kind te dwingen voedsel te eten dat natuurlijke instincten onderdrukt. Elke vorm van ascese is een vernietiging van de natuurlijke gezondheid.
Zie Steiner over spel

Gegen das siebente Jahr, im Verfolg des allmählichen Zahnwech­sels, lösen sich die Umhüllungen des Ätherleibes, und jetzt muß der Erzieher alles heranbringen, was den Ätherleib ausbildet, was auf den­selben entwickelnd wirkt. Aber er muß sich noch hüten, zu großen Wert darauf zu legen, daß die Vernunft und der Verstand ausgebildet werden. In dieser Zeit, zwischen dem siebenten und zwölften Jahre des Kindes, handelt es sich vorzugsweise um Autorität, Glauben, Vertrauen, Ehrfurcht. Wichtig für die ganze spätere Lebensentwickelung ist es, daß das Kind möglichst viele Momente erlebt habe wie den folgenden: Das Kind sieht mit einer gewissen heiligen Scheu zu einer verehrten Person auf, es hat Ehrfurcht im tiefsten Inneren, die ihm verbietet, irgendeinen Gedanken von Kritik oder Opposition ihr gegenüber aufkommen zu lassen. Da steht es eines Tages vor der Türe dieser verehrten Person und empfindet eine heilige Scheu, auf die Klinke zu drücken und das Zimmer zu betreten, das ihm ein Heiligtum ist. Diese Momente der Ehrfurcht sind Kräfte für das spätere Leben, und von ungeheurer Bedeutung ist, daß der Erzieher selbst dem Kinde Autorität sei. Die Menschen, die das Kind umgeben, die es sieht und hört, müssen seine Ideale sein. Aus der Geschichte und

Rond de leeftijd van zeven jaar, wanneer de tanden geleidelijk wisselen, beginnen de omhulsels van het etherlijf losser te worden. De opvoeder moet nu alles bieden wat de ontwikkeling van het etherlijf bevordert, alles wat er een positieve invloed op heeft. Hij moet er echter wel voor oppassen dat hij niet te veel nadruk legt op de ontwikkeling van verstand en intellect. Gedurende deze periode, tussen het zevende en twaalfde levensjaar, ligt de focus vooral op gezag, geloof, vertrouwen en eerbied. Het is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het kind dat het zoveel mogelijk van de volgende momenten meemaakt: Het kind kijkt met een zekere heilige eerbied op naar een gerespecteerd persoon; het voelt een diepe innerlijke eerbied die het verbiedt om ook maar enige kritische of tegengestelde gedachte jegens die persoon te koesteren. Dan staat het kind op een dag voor de deur van deze gerespecteerde persoon en voelt een heilige eerbied om de klink aan te raken en de kamer binnen te gaan die voor hem een ​​heiligdom is. Deze momenten van eerbied zijn bronnen van kracht voor het latere leven, en het is van enorm belang dat de opvoeder zelf een gezagsfiguur voor het kind is. De mensen die het kind omringen, die hij ziet en hoort, moeten zijn idealen zijn. Uit de geschiedenis en

Blz. 306

Literatur sollte sich jedes Kind einen Helden wählen, zu dem es mit Bewunderung und Ehrfurcht hinaufsieht. Es ist ganz falsch, wenn die materialistische Weltanschauung sich gegen die Autorität ausspricht und das Gefühl der Hingebung und Verehrung mißachtet. Wichtig ist, daß in dieser Zeit das Gedächtnis herausgebildet wird. Und zwar geschieht das zunächst am besten auf ganz mechanische Weise. Nicht die Rechenmaschine sollte benützt werden, sondern Zahlen und Ge­dichte und so weiter sollten gelernt und dadurch das Gedächtnis heranentwickelt werden.
In alten Zeiten erzog man in dieser Hinsicht das Kind sehr ver­nünftig. Die guten alten Kinderlieder und Ammenlieder, bei denen es nicht auf die intellektuelle Bedeutung, sondern auf das Erwecken einer unmittelbaren Empfindung ankam, erscheinen heutzutage, wo das Verständnis dafür verlorengegangen ist, sinnlos. Aber es liegt gleichwohl ein tiefer Sinn darin verborgen. Es kam beim Vorsingen auf den Zusammenklang und die Harmonie für das kindliche Ohr an, daher die oft sinnlosen Reime. Wer zwischen sieben bis vierzehn Jahren im Ätherleib keinen festen Grundstock an Charakter, Ge­dächtnis und so weiter bekommen hat, ist falsch erzogen.

en de literatuur zou elk kind een held moeten kiezen naar wie het met bewondering en eerbied opkijkt. Het is volkomen verkeerd wanneer een materialistische wereldvisie zich uitspreekt tegen autoriteit en gevoelens van toewijding en verering negeert. Het is belangrijk dat het geheugen in deze periode wordt ontwikkeld. En dit kan het beste in eerste instantie op een puur mechanische manier worden bereikt. Rekenmachines horen niet gebruikt te worden; in plaats daarvan moeten getallen, gedichten, enzovoort worden geleerd, en moet het geheugen via dit proces worden ontwikkeld.
Vroeger werden kinderen in dit opzicht heel verstandig opgevoed. De goede oude kinderrijmpjes en -liedjes, die niet gericht waren op intellectuele betekenis maar op het opwekken van een direct gevoel, lijken vandaag de dag betekenisloos, nu het begrip ervan verloren is gegaan. Maar er schuilt niettemin een diepere betekenis in. Bij het zingen ging het om de klank en de harmonie voor het oor van het kind, vandaar de vaak onzinnige rijmpjes. Iedereen die tussen de leeftijd van zeven en veertien jaar geen solide basis van karakter, geheugen, enzovoort in zijn of haar etherlijf heeft meegekregen, is verkeerd opgevoed.
Zie Steiner over autoriteit

Der Weg zur richtigen Erziehung ist in dieser zweiten Lebensperiode die Auto­rität. Was das Kind ahnt als innerste Natur des Menschen, der ihm Autorität ist, das bildet sein Gewissen, seinen Charakter, und sogar sein Temperament aus und wird zur dauernden Anlage bei ihm. Bil­dend auf den Ätherleib wirkt in diesen Jahren auch das Gleichnis und Sinnbild, überhaupt alles, was durch den Geist die Welt kenntlich macht. Daher in dieser Zeit der Segen der Märchenbücher und das Vorführen großer Persönlichkeiten und Helden in Sage und Ge­schichte. Wichtig ist auch der Turnunterricht, der ein Gefühl von Kraft, Gesundheit und Lebensfreudigkeit im Kinde hervorruft und daher ebenso organbildend wirkt wie Lust und Freude. Aber der Turnunterricht hat gerade jetzt große Mängel. Der Turnlehrer sollte seine Zöglinge nicht mit dem Blick des Anatomen betrachten, sondern darauf sinnen, durch welche Bewegungen des Leibes der Seele das Gefühl von erhöhter Kraft und dem Kinde der Genuß seiner Leiblich­keit bereitet werde. Der Lehrer muß sich intuitiv hineindenken in die

De weg naar een goede opvoeding in deze tweede levensfase is autoriteit. Wat het kind ervaart als de diepste aard van de persoon die zijn of haar gezag uitoefent, vormt het geweten, het karakter en zelfs het temperament, en wordt een blijvende aanleg. Gedurende deze jaren hebben gelijkenissen en symbolen, eigenlijk alles wat de wereld herkenbaar maakt door de geest, ook een vormende invloed op het etherlijf. Vandaar in deze tijd de zegen van sprookjes en het leiden naar grote persoonlijkheden en helden uit legendes en geschiedenis. Lichamelijke opvoeding is ook belangrijk, omdat het een gevoel van kracht, gezondheid en levensvreugde bij het kind opwekt en daarom net zo orgaanvormend is als plezier en vreugde. Maar lichamelijke opvoeding kent in deze fase aanzienlijke tekortkomingen. De gymleraar moet zijn of haar leerlingen niet bekijken met de ogen van een anatoom, maar zich eerder afvragen door welke lichaamsbewegingen de ziel een gevoel van toegenomen kracht kan ervaren en het kind kan genieten van zijn of haar lichamelijkheid. De leraar moet intuïtief aanvoelen wat het kind voelt

Blz. 307

fühlende Seele des Kindes und jede Turnübung so berechnen, daß sie das Gefühl der wachsenden Kraft erzeugt.
Einen großen Einfluß bis in unseren Ätherleib und Astralleib übt jedes künstlerische Gebilde aus. Daher muß echtes, wahres Künstlerisches den Ätherleib durchdringen. Gute Vokal- und Instrumentalmusik ist zum Beispiel von hoher Bedeu­tung, und das Kindesauge sollte viel Schönes um sich her erblicken.
Aber durch nichts ist der Religionsunterricht zu ersetzen. Die Bilder des Übersinnlichen prägen sich tief in den Ätherleib ein. Das Kind sollte nicht Kritik und Urteil über ein Glaubensbekenntnis lernen, sondern es muß Bilder von dem Unendlichen bekommen. Alle reli­giösen Vorstellungen müssen Bildervorstellungen werden; das Gleichnis wirkt kräftig ein auf den Ätherleib. Die größte Sorgfalt muß gelegt werden auf die Erziehung aus dem Lebendigen heraus.
Der kindliche Geist hat heutzutage zuviel mit dem Toten zu tun. Dem können im ersten Lebensjahrsiebent beispielsweise bewegliche Bilderbücher entgegenwirken. Alles sollte Handiung, Tat, Leben sein, das belebt den Geist und bewegt das Innere.

en elke gymnastiekoefening zo samenstellen dat het kind een gevoel van toenemende kracht ervaart.
[Gymnastiek]
Elke kunstzinnige creatie oefent een diepgaande invloed uit, die zelfs doordringt tot in ons etherische en astrale lichaam. Echte, authentieke kunstzinnigheid moet daarom het etherlijf doordringen. Goede vocale en instrumentale muziek is bijvoorbeeld van groot belang, en de ogen van een kind moeten omringd worden door veel schoonheid.
[Kunstzinnig onderwijs]  [inrichting klas]
Maar niets kan religieus onderwijs vervangen. Beelden van het bovenzintuiglijke worden diep in het etherlijf gegrift. Een kind moet niet leren een geloofsovertuiging te bekritiseren en te beoordelen, maar moet juist beelden van het oneindige krijgen. Alle religieuze concepten moeten visueel worden weergegeven; gelijkenissen hebben een krachtige werking op het etherlijf.
De grootste zorg moet bewerkstelligen dat het onderwijs geworteld is in het leven.
Zie Steiner over godsdienstonderwijs
De geest van het kind is tegenwoordig te veel bezig met de dood. Prentenboeken met beweeglijke platen kunnen dit bijvoorbeeld tegengaan gedurende de eerste zeven levensjaren. Alles moet te maken hebben met actie, daden en het leven zelf; dit verlevendigt de geest en beroert het innerlijke zelf.

Darum muß man das Kind nicht mit dem Baukasten bauen und mit fertigen Sachen spielen lassen, es muß lernen, das Lebendige aus dem Unlebendigen hervor­zubringen.
An dem sich entwickeinden Gehirn des Kindes erstirbt vieles, wenn es mit toten Verrichtungen wie Flechtarbeiten und dergleichen be­schäftigt wird. Ganze Anlagen bleiben dadurch unentwickelt. Das Spielzeug des Unlebendigen bildet auch nicht den Glauben an das Lebendige heran. Daher besteht ein tiefer Zusammerhäng zwischen der Kindererziehung und der Glaubenslosigkeit unseres Zeitalters.
Bei der Geschlechtsreife fallen die astralen Hüllen. Mit dem Gefühl für das andere Geschlecht tritt die persönliche Urteilskraft hervor. Von da an kann man an das Ja und Nein, an den kritischen Verstand appellieren. Erst vom zwölften Jahre an bildet sich die Urteilskraft heraus, doch bedarf dieser Prozeß geraumer Zeit. Kritiker von neun­zehn oder zwanzig Jahren können unmöglich ein wirklich zutreffendes Urteil haben. Äußerst wichtig ist es, wer dem jungen Menschen in diesem Lebensalter als Lehrer entgegentritt, um seine Lernbegierde und seinen Freiheitsdrang in die rechten Bahnen zu lenken.

Daarom moet je een kind niet laten bouwen met bouwsets en spelen met kant-en-klare dingen; het moet leren om leven te scheppen uit het levenloze.
Een groot deel van de zich ontwikkelende hersenen van een kind sterft af wanneer het bezig is met levenloze activiteiten zoals mandjesvlechten en dergelijke. Heel veel aanleg blijft daardoor onontwikkeld. Speelgoed dat levenloos is, kweekt ook geen geloof in het leven. Er is dus een diepgaand verband tussen opvoeding en het gebrek aan geloof in onze tijd.

Bij het begin van de seksuele rijpheid vallen de astrale omhulsels weg. Met de ontwikkeling van gevoelens voor het andere geslacht ontstaat een eigen oordeelsvermogen. Vanaf dat moment kan men een beroep doen op de begrippen ja en nee, op kritisch redeneren. Het oordeelsvermogen ontwikkelt zich pas volledig vanaf de leeftijd van twaalf jaar, maar dit proces neemt aanzienlijke tijd in beslag. Critici van negentien of twintig jaar kunnen onmogelijk een werkelijk accuraat oordeel vellen. Het is van groot belang wie de jongere is als leraar op deze leeftijd, om hun dorst naar kennis en hun verlangen naar vrijheid in de juiste richting te sturen.

Blz. 308

Diese Grundsätze ergeben sich aus der Geistesforschung und sind für die gesunde Weiterbildung des Menschengeschlechtes von größter Bedeutung. Die Theosophie kann durch dieselben in die wichtigsten Vorgänge des Menschenlebens praktisch eingreifen. So erfüllt diese geistige Weltanschauung den Erzieher mit einer Fülle von Einsichten, wie sie das Rätsel des heranwachsenden Menschen erfordert. Die Geisteswissenschaft soll nicht nur überzeugen, lehren, sie so]l tun, handeln, eingreifen ins praktische Leben. Sie soll sich bewähren, sie soll in alle Handgriffe einfließen und ein gesundes Leben in leiblicher und geistiger Beziehung bewirken. Theosophle ist nicht nur eine richtige, sondern auch eine gesunde Wahrheit. Am besten können wir der Menschheit dienen und ihr soziale und andere Kräfte zuführen, wenn wir dieselben herausholen aus dem werdenden Menschen. Der werdende Mensch, der sich entwickelnde Mensch ist eines der größten Rätsel des Lebens, und der rechte Erzieher muß ein Rätsellöser sein in der praktischen Heranbildung des werdenden Menschen.

Deze principes komen voort uit spiritueel onderzoek en zijn van het grootste belang voor de gezonde ontwikkeling van de mensheid. De theosofie kan via deze principes van praktisch invloed zijn in de belangrijkste processen van het menselijk leven. Zo vult deze spirituele wereldvisie de opvoeder met een schat aan inzichten, zoals vereist door het raadsel van de zich ontwikkelende mens. Spirituele wetenschap moet niet alleen overtuigen, onderwijzen en handelen, ingrijpen en het praktische leven beïnvloeden. Ze moet zichzelf bewijzen, alle handelingen doordringen en een gezond leven bewerkstelligen, zowel fysiek als spiritueel. De theosofie is niet alleen een juiste waarheid, maar ook een gezonde. We kunnen de mensheid het beste dienen en haar sociale en andere kracht geven wanneer we deze putten uit de zich ontwikkelende mens. De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste mysteries van het leven, en de echte opvoeder moet de raadsels kunnen oplossen bij de praktische ontwikkeling van de zich ontwikkelende mens.
GA 97/300-308
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over pedagogiekalle artikelen op deze blog

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.